+ Meer informatie

TER OVERWEGING

13 minuten leestijd

J.J. Beumer. Reikhalzend. Spiritualiteit uit het hart van de stad. Uitg. Ten Have, Baarn. 128 blz. f 24,90.

Dr. Beumer is predikant van het Oecumenisch Diaconaal Centrum ‘Stern in de Stad’ te Haarlem. Zijn belangstelling geldt vooral de verhouding van mystiek enerzijds en maatschappelijke actie anderzijds. In zijn dagelijkse werk komt hij in aanraking met de zelfkant van onze samenleving, en signaleert dat er heel wat mensen zijn die buiten de boot vallen. Er is veel eenzaamheid, een ‘virus dat ontwrichtend werkt’ (56) en roept om gemeenschap. Die gemeenschap organiseer je niet, maar Beumer ziet die ontstaan in een leerproces waarin de bezoekers van het aanloophuis de eigenlijke gastheren zijn. Het is zijn overtuiging dat in zulke relaties de ‘diepste waarheid van het evangelie opdoemt’ (65).

Dit boek is een reflectie op zijn werk, geschreven voor een breder publiek. Voor wie enigermate bekend is met het werk van Beumer, bevat het niet veel nieuws. Wie actief betrokken is bij een aanloophuis, kan er wel wat aan hebben. Want - hoe aanvechtbaar sommige gedachten en aanbevelingen van hem ook zijn - hij doet waarnemingen op plaatsen waar de meesten van ons niet thuis zijn, en hij heeft hart voor de mensen.

T. Brienen, Calvijn en de kerkdienst. Uitg. Groen, Heerenveen 1999. 90 blz. f 22,50.

Dit boekje is een bewerking van Brienens Studie uit 1987 over de liturgie bij Johannes Calvijn. Op verzoek van docenten en Studenten van HBO-opleidingen, leden van liturgiecommissies en ‘gewone’ gemeenteleden heeft hij dat nu bijna uitverkochte boek samengevat in minder dan 100 bladzijden.

De eerste helft van het boek is een historisch overzicht van Caivijns weg op het terrein van de liturgie. Het tweede deel is een samenvatting van de principes van diens liturgie en een bespreking van de hoofdbestanddelen en enige aspecten ervan. We krijgen een indruk van Caivijns bemoeienis met de psalmberijming, waarvan hij de gereedkoming nog heeft meegemaakt, enkele jaren vóór zijn overlijden. Het hield, zo betoogt Brienen, overigens niet in dat de reformator van Geneve zich tot de psalmen wenste te beperken.

Het boekje is een handzaam overzicht, dat echter nog aan bruikbaarheid zou hebben gewonnen als de schrijver op sommige plaatsen iets helderder had betoogd en meer had uitgelegd. Dat zou het geheel niet in omvang hoeven hebben doen toenemen, omdat er ook wel herhalingen en overlappingen aan te wijzen zijn. Nietemin, ook in deze vorm kan men in kort bestek kennismaken met de liturgische opvattingen van Calvijn, en daarvoor verdient dr. Brienen dank.

A.G. Hoekema, V. Kal & H. de Vries (red.), De reikwijdte van het heil. Wijsgerige en theologische opstellen. Aangeboden aan Auke de Jong bij zijn afscheid als hoogleraar. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1999. 176 blz. f 39,50.

Het gaat hier om een bundel, die als rode draad het thema ‘geduld’ heeft. Dat thema is een vondst, omdat het belangrijk was voor de vroege doperse beweging - Prof. De Jong, aan wie de bundel is aangeboden, was voordat hij hoogleraar filosofie werd Doopsgezind predikant. Prof. Voolstra, verbonden aan het Doopsgezind seminarie, schrijft over wat men in de vroege Doperse beweging onder de term ‘Gelassenheit’ verstand. De oorsprong ervan ligt in de middeleeuwse mystiek. ‘Gelassenheit is daarin de passief-actieve fase in de weg naar de vereniging van de zondige, ongehoorzame mens met God.’ (139)

Boeiend is nu dat de term ‘Gelassenheit’ ook een bepaalde rol speelt in het werk van de filosoof Martin Heidegger. Over de laatste schreef Prof. De Jong zijn dissertatie, en aan deze belangrijke en invloedrijke Duitse filosoof uit deze eeuw zijn ook enkele bijdragen gewijd. De term ‘Gelassenheit’ dient er bij Heidegger toe te pleiten voor een andere manier van denken dan de strikt-technische, en daarmee ook voor een andere verhouding tot de dingen (50).

Is er een verband tussen wat speelde in de middeleeuwse mystiek en in de filosofie van Heidegger? Op die vraag krijgen we geen antwoord. We zullen daartoe dus nog enig geduld moeten oefenen. Tenslotte: Het hoeft geen betoog dat de bundel voornamelijk interessant is voor de kenners.

Dick Houwaart, Sjema Jisraeel. Korn nou. Uitg. Kok, Kampen 1998. 235 blz. f 32,50.

De gepensioneerde Journalist Houwaart geeft in dit boek rekenschap van zijn omgang met de joodse traditie. Hij is geen orthodoxe jood, maar eerder een zoeker op de rand van het agnosticisme. Eerder schreef hij al samen met de orthodoxe rabbijn L.B. van de Kamp een boek over wat jodendom kan inhouden, en nu is er dan dit boek, waarin hij aan de hand van de Tien Geboden en de dertien geloofsartikelen van de Middeleeuwse joodse denker Maimonides een bijdrage aan de discussie op tafel legt. Houwaart steekt niet onder stoelen of banken dat hij met verschillende opvattingen in de joodse traditie moeite heeft, en vraagt meer dan eens of wat hij kan aanvaarden nog wel geloof mag heten. Hij beantwoordt die vraag soms ook zelf, als hij zich tot zijn eigen verwondering een gelovig mens noemt (172). Het is een tastend boek, kwetsbaar geschreven, en daarom zal het niet gemakkelijk zijn om er een discussie mee aan te gaan.

G.G. de Kruijf, Het diepste woord. Theologie na Golgotha. Uitg. Ten Have, Baam. 94 blz. f 19,90.

De schrijver is hervormd kerkelijk hoogleraar in Leiden, maar dit boekje is ontstaan in de tijd dat hij nog gemeentepredikant in Rotterdam was. Het gaat over twee ‘struikelblokken’ in de christelijke leer: de verzoening en de vraag van het lijden. De rond de opvattingen van prof. Den Heyer nieuw opgelaaide discussie over de verzoening heeft geleid tot een herdruk van dit in 1984 in eerste druk versehenen boek. De Kruijf loopt in het eerste deel, over de verzoening, langs enkele gestalten uit de kerkgeschiedenis, en legt wat hij bij hen gevonden heeft naast de opvattingen van mevr. D. Sölle en H. Wiersinga; in het gedeelte over het lijden - ontstaan uit een kring over het bijbelboek Job - komen Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus en Maarten ‘t Hart aan de orde. Het boekje is sympathiek geschreven, en de schrijver weet op een waardige en overtuigende wijze centrale noties van het klassieke christelijk belijden te vertolken.

E. van Voolen, Joods leven thuis en in de Synagoge. Uitg. Ten Have, Baarn. 132 blz. f 22,90.

De schrijver, liberaal rabbijn, geeft in dit boekje helder en zakelijk enige basisinformatie over wat jodendom inhoudt, waarbij hij zich niet verliest in polemiek tegen de joodse orthodoxie. Zo loopt hij de joodse feestdagen langs, vertelt wat de inhchiting van een synagoge is en de inhoud van de dienst, en sluit af met informatie over wat jood-zijn in de praktijk van het dagelijks leven, m.n. op de hoogte- en dieptepunten, inhoudt. Wie in kort bestek informatie wil hebben van binnenuit, heeft hier een uitstekende gids.

De boodschap en de kloof. De prediking doordacht, uitgave vanwege het bestuur van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. Groen, Heerenveen 1998. 134 blz. f 24,95. Begin november 1998 belegde de Gereformeerde Bond een bezinningsconferentie over de prediking, die door ± 140 predikanten werd bezocht. Dit bundeltje bevat de lezingen - en de preek! - die bij die gelegenheid werden gehouden, voorafgegaan door een vijftal opstellen over aspecten van de prediking.

De kern van dit bundeltje is gelegen in wat op die conferentie te berde is gebracht en het is m.i. te betreuren dat men daarmee niet heeft ingezet. Het artikel van prof. dr. F.G. Immink - over de vraag of we nog een boodschap voor de mens van vandaag hebben - biedt echt stevige stof tot bezinning, en een kerkenraad kan er wat aan hebben. De preek van prof. dr. A. de Reuver - met bijgevoegde verantwoording en vragen - nodigde ertoe uit te praten vanuit de praktijk, vanuit het gehoorde Woord. Discussies over de boodschap en de kloof kunnen gemakkelijk het karakter krijgen van dralen op de kant, met steeds voorzichtig een teen in het zwemwater. Hier krijgen we zicht op wat in de verkondiging ter sprake gebracht kan en wil worden, en hoe dat aankomt’ bij de mens. Uit de reactie van een drietal predikanten blijkt dat niet iedereen hetzelfde denkt, maar het gaat tenminste ergens over. Aan het eind van de bundel kreeg ik dus de smaak te pakken, en daar zit interessant materiaal voor bespreking en bezinning op de kerkenraden.

F. van Hulst, De achilleshiel van het calvinisme. Uitg. De Vuurbaak, Barneveld 1998. 180 blz. f 27,50.

Dit boek van een oorspronkelijk Gereformeerd (vrijgemaakte) predikant heeft sterk de aandacht getrokken, vooral vanwege de problemen waarin de auteur door zijn opvattingen verwikkeld is geraakt. Het boek heeft als kernthema de ‘leer over de wedergeboorte’, want dàt is volgens hem ‘de achilleshiel van het calvinisme’ (29). Onder wedergeboorte verstaat hij de onwrikbare zekerheid dat men uitverkoren is. De wedergeboorte is dus een zaak van bewuste ervaring, en het is de fout van het gereformeerde protestantisme na Dordt dat men die ervaring niet heeft onderstreept. Omdat er al het nodige over dit boek geschreven is, kunnen we hier kort zijn. Het lijkt me dat Van Hulst inderdaad een euvel heeft gezien, maar het probleem van zijn zienswijze is m.i. dat de zekerheid van het geloof in zijn gedachtengang een zaak van ervaring wordt, en niet langer buiten ons ligt, in de belofte van het evangelie. De gelovige ‘hangt’ zodoende uiteindelijk aan zijn ervaring van de wedergeboorte.

Het is niet eenvoudig dit boek recht te doen. Zo komt Van Hulst sterk op voor de verkiezing, maar de structuur van zijn benadering is m.i. toch eerder arminiaans te noemen. Het is namelijk de hoorder die een keus moet maken of hij het evangelie wil aanvaarden dan wel verwerpen (o.a. 39).

Als ik een antwoord probeer te geven op de vraag waarom Van Hülst tot deze benadering komt, denk ik vooral aan twee punten. Ten eerste ontbreekt bij hem een echte bezinning op wat wedergeboorte bij Calvijn inhoudt. Hij noemt diens naam, maar gaat niet echt in op de gedachten van de reformator (o.a. 53v). Dit boek heeft me er des te meer van overtuigd, dat men slechts tot eigen schade aan Calvijn voorbij kan gaan. Men hoeft het niet in ailes met hem eens te zijn, als men maar echt naar hem geluisterd heeft. Een tweede punt is dat de wijze van redeneren van Van Hulst herinnert aan wat men vaak in evangelische kring aantreft: er vindt niet echt nauwgezette exegese plaats, en de bijbel illustreert meer dan dat het schriftberoep fundeert. Een in het Evangelie naar Johannes zo belangrijke uitdrukking als ‘het Koninkrijk Gods zien’ wordt op de klank af gebruikt, zonder na te gaan wat dit Evangelie ermee bedoelt.

Het heeft iets tragisch te zien hoe de verabsolutering van een deelwaarheid iemand op een spoor kan zetten dat minstens even fout is als de opvatting waartegen hij ten strijde is getrokken. De affaire rond Van Hulst kan eigenlijk alleen maar verliezers opleveren. Of zou men in Staat zijn het kwade echt te overwinnen door het goede?

P. Veldhuizen, Nietzsche en de kromme lijn. Uitg. Buijten & Schipperheijn 1999. 204 blz. f 47,50.

De schrijver, Nederlands-Gereformeerd predikant te Leerdam, laat in dit boek zien hoe Nietzsche heeft geworsteld met het christelijk geloof. Deze bijna honderd jaar geleden op tragische wijze overleden domineeszoon, die zo’n radicale criticus van het bestaande Christendom is geworden, Staat vandaag sterk in de belangstelling. Het is inmiddels wel duidelijk, dat men hem niet kan afdoen als wegbereider van de Naz?s - dat is een beeld, dat zijn zuster heeft geschapen, maar dat geen recht doet aan de filosoof.

De vraag is hoe we de worsteling van Nietzsche met het christelijk geloof hebben te zien. Op enkele plaatsen gaat dr Veldhuizen in discussie met dr F. de Graaff, die Nietzsche ondanks alles als getuige van Christus heeft gezien. Veldhuizen deelt die mening niet, maar is wel van oordeel dat het goed is naar Nietzsche te luisteren. Voor een eerste kennismaking met deze - zeker vandaag! - zo invloedrijke ‘onreine denker’ kan dit boek goede diensten bewijzen. De waarde is vooral gelegen in de samenvatting van Nietzsches gedachten.

S. Schoon, Komt de messias eindelijk? Uitg. Kok, Kampen 1998. 62 blz. f 14,95.

Dit boekje bevat de (uitgewerkte) tekst van een serie uitzendingen van de NCRV-rubriek Woord op zondag, gehouden door prof, dr S. Schoon. De thematiek ligt uitgedrukt in de titel van het boekje: het is de vraag naar de messias, die tussen kerk en Israël in staat. Prof. Schoon biedt overwegingen aan de hand van bijbelse teksten, en verwijst voor een nadere fundering van zijn gedachten naar zijn recent verschenen boek Onopgeefbaar verbonden. Ik voelde een zekere spanning tussen wat op blz. 57 en wat op blz. 59 Staat: het opschorten van de vraag wie de messias is - hoe verhoudt zich dat tot wat prof. Schoon op blz. 59 inhoudelijk over het handelen van de verhoogde Jezus Christus schrijft?

Ds. J. van Amstel, Is het evangelisch? Een reformatorische bezinning. Uitg. Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1999. 64 blz. f 10,-.

Evangelische christenen komen - meer dan voorheen - nadrukkelijk in beeld bij gemeenteleden van onze kerken. Dat heeft o.a. te maken met organisames als de Evangelische Omroep, de Evangelische Alliantie enz., maar ook door plaatselijke contacten (denk bijvoorbeeld aan evangelisatie-acties).

Ds. Van Amstel probeert in dit boekje een beeld te schetsen waar “evangelisch” voor Staat. Zowel positieve als minder positieve kanten komen naar voren. Er worden kritische vragen gesteld in de richting van de evangelische gemeente en de theologische opvattingen die daar doorgaans gehanteerd worden. Echter ook de eigen kerken krijgen de spiegel voorgehouden. Want als het goed is, zal er niets zo evangelisch zijn als een gereformeerde kerk. Wie in leer en leven handelt naar Schrift en belijdenis is voluit evangelisch!

Omdat een vrij algemeen beeld getekend wordt van de evangelische christenen, kan er plaatselijk verschil zijn. Herkenning zal er op sommige punten zijn en bij andere aspecten wat minder. Niettemin geeft dit boekje in kort bestek een indruk waar de verschillen en overeenkomsten tussen onze kerken en de evangelische beweging uit bestaan. Kortom: voor ambtsdragers een handreiking voor de eigen positiebepaling.

Ds. H. van den Belt, Een eeuwig verbond. Over de betekenis van de heilige doop. Uitg. Groen, Heerenveen 1999. 72 blz. f 17,50.

Aan de hand van het doopformulier wordt in dit boekje de betekenis van de doop uitgelegd. Vervolgens overdenkt de schrijver in acht korte meditaties de rijkdom van de doop. In eerste instantie is dit boekje geschreven voor doopouders. Het is een prachtige en zinvolle manier om zich voor te bereiden op de doop. Kernachtig is hier samengebracht waar het om gaat in de klassieke gereformeerde opvatting over de doop. De Schrift wordt uitgelegd en de belijdenissen komen aan bod. De kracht van de belofte van God wordt voluit getekend, maar ook de eigen verantwoordelijkheid van het gedoopte kind en van de ouders. Door geloof en bekering mogen mensen worden wat zij in de belofte reeds zijn: kinderen van God. Die paradox is eigen aan het geloof dat door genade Christus vindt in de belofte van het evangelie.

Er zijn allerlei boeken die gaan over de doop. Het bijzondere van dit boekje is de beknopte en heldere uitleg met een persoonlijke toespitsing naar de lezer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.