+ Meer informatie

PASTORAAT AAN DE INDIVIDUELE GELOVIGE

7 minuten leestijd

De redactie vroeg mij over bovenstaand onderwerp een artikeltje te schrijven. Graag wil ik trachten aan dit verzoek te voldoen. Het dient dus te gaan over de pastorale benadering en bearbeiding van de individu, van de enkeling.

Er wordt in onze tijd nogal veel gesproken en geschreven over de gemeente, over wat de gemeente is en zijn moet, over de structuur van het gemeentelijk leven enz. En terecht! Als ambtsdragers hebben we toch, ook in onze pastorale zorg, de gemeente op het oog Niet maar een willekeurig aantal mensen, maar de verbondsgemeente, door de Heere afgezonderd en onder Zijn bijzondere zorg gesteld. Daardoor leeft ze bij het licht van de bijzondere openbaring Gods, onder het bijzondere aanbod van Zijn genade en van Zijn oproep tot geloof en bekering. De gehele gemeente is in die zin het volk van God, dat Hij geheel beslag op haar legt met Zijn verbondsbeloften en verbondseisen, terwijl zij in volle verantwoordelijkheid daartegenover wordt gesteld. En wat kan er dan erger zijn, dan wanneer de Heere over Zijn gemeente zou moeten klagen: „Maar Mijn volk wou niet, naar Mijn stemme horen………”?

Wij hebben dus in onze ambtelijke arbeid de gemeente op het oog. Ook in onze pastorale zorg!

Maar dan willen wij niet voorbijzien en ten volle verdisconteren, dat de gemeente is samengesteld uit enkelingen, dat de kerk wordt opgebouwd uit de enkele gelovigen.

Dat heeft de dienaar des Woords op de kansel te bedenken. Daarom dient de prediking gericht te zijn op de gemeente als geheel, maar ook op ieder lid persoonlijk, op „allen en een iegelijk” (Z. 31, H.C.). Wanneer dat laatste niet het geval is, dan zweeft ze over de gemeente heen en komt ze niet over als een appel op het hart van iedere kerkganger persoonlijk. Wanneer de prediking pastoraal is (en dat dient ze toch te zijn) dan zal de gemeente, maar ook ieder lid van de gemeente zich door het Woord van God moeten weten aangesproken.

Maar veel sterker en scherper dan vanaf de kansel het geval kan zijn, komt de individu, de enkeling binnen het vizier in de pastorale arbeid in de gemeente.

En wat komen we dan in aanraking met een bonte verscheidenheid. Bij alle overeenkomst tussen de leden der gemeente is er toch ook een wondere schakering. Zeker, het zijn allen mensen, schepselen van God, die zich zonder Zijn wil niet kunnen roeren noch bewegen. Mensen, die hetzelfde nodig hebben wanneer het gaat om het „éne nodige”. Mensen met een onsterfelijke ziel, op weg naar de eeuwigheid.

Maar toch: bij alle overeenkomst, wat een verscheidenheid!

Een verscheidenheid, die ook een verscheidenheid verlangt in pastorale benadering en behandeling. Wat bemerkt de ambtsdrager-pastor, dat hij niet kan werken met een „algemeen recept”, ook al is het Woord van God de enige bron, waaruit geput moet en mag worden. Om maar iets van die verscheidenheid te noemen:

Wat kan de leeftijd al een belangrijke rol spelen. De geestelijke denk- en leefwereld van jongeren kan in zoveel opzichten verschillen van die van ouderen. Wat kan het gevaar dan groot zijn dat zulks door een oudere ambtsdrager meteen zonder meer negatief wordt beoordeeld. Maar dan is meteen alle pastorale begeleiding en wellicht nodige correctie bij voorbaat mislukt. Laten we bedenken, dat de jeugd van vandaag met heel andere vragen en problemen wordt geconfronteerd dan de jeugd van b.v. voor de laatste wereldoorlog. En wat is daarom nodig, dat de pastor door te luisteren probeert aan te voelen, want de jongere beweegt. Achter misschien wat hautain overkomende kritiek ligt soms een schreeuw om begrip, om steun, om leiding.

Hoe moet in het pastoraat ook niet rekening worden gehouden met iemands afkomst. In welk gezin, in welke gemeente, in welke woonplaats, in welke streek van het land, is hij of zij „gebakerd”? Wanneer in de pastorale arbeid daarmee niet wordt gerekend, wanneer daarvoor geen „antenne” is, dan is het gevaar groot, dat er volledig langs elkaar heen wordt gepraat en dan wordt er soms meer stukgemaakt dan geheeld.

De manier en het vermogen om zijn gedachten en bedoelingen onder woorden te brengen kan eveneens van groot belang zijn. De één kan praten „als Brugman” en bij de ander komt het er allemaal zo stuntelig uit. En zou toch een gebrekkige uitdrukking soms niet meer wezenlijke inhoud kunnen hebben dan heel wat vlot, misschien wel heel „gewichtig” gepraat?

Hoe belangrijk voor de ambtsdrager daardoor heen te kunnen prikken!

Is de ander zoals hij of zij zich voordoet? Komt iemand misschien wat „luchtigjes” over, terwijl het van binnen toch niet zo gemakkelijk ligt? En kan het omgekeerde niet eveneens het geval zijn?

Is ook het ontwikkelingsniveau niet van betekenis? Moet iemand met b.v. een academische vorming doorgaans toch niet anders worden benaderd dan iemand, die alleen de lagere school met goed of minder goed gevolg heeft doorlopen?

Zo zouden we nog wel even kunnen doorgaan. Maar het moge genoeg zijn om te laten aanvoelen, dat „pastoraat aan de individuele gelovige” vereist de ander te benaderen in zijn of haar eigen „wereld”. Met wie spreek ik nu? Wie heb ik voor me? Hoe moet ik zijn of haar woorden taxeren?

Hoe nodig is het daarom voor de ambtsdrager-pastor, dat hij luistert, dat hij kan en wil luisteren. Of zou het niet meer dan eens voorkomen, dat een ambtsdrager wel beweert een goed gesprèk te hebben gehad, terwijl in feite hij zelf alléén aan het woord is geweest, zodat er van enig pastoraal contact geen sprake was?

Luisteren naar de ander is een eerste vereiste om voor die ander ook maar iets te betekenen. Luisteren, taxeren, wegen, overwegen, achtergronden peilen. Ook ervoor waken om niet over te komen als iemand die zelf geen enkel probleem heeft, die op alle vragen zomaar een antwoord meent te kunnen geven. Wat staat dat ver buiten de werkelijkheid en het kan de ander alleen maar mateloos irriteren of doen „dichtklappen”. Het zou ook verschrikkelijk hoogmoedig en allerminst geestelijk zijn. En dat laatste is toch voor iedere ambtsdrager-pastor het allerbelangrijkste en voor alle pastorale arbeid het meest wezenlijke! De pastor moet geestelijk zijn en geestelijk bezig zijn in zijn pastorale werk. Dat wil zeggen: in de vreze des Heeren! Gedrongen door de liefde van Christus! En daarom: ootmoedig, waar, gewoon menselijk, niet uit de hoogte, vol begrip naast de ander staan. Ook de pastor is immers maar een gewoon, klein mensenkind, dat het alleen van genade moet hebben!

En dan in die gestalte pastoraal leiding zoeken te geven naar de Schrift. Gods Woord laten spreken, biddend om de leiding van de Heilige Geest, Die toch het eigenlijke werk moet doen. Maar Die als de Geest van Christus ons de juiste woorden in de mond wil leggen, die we dan ook op de juiste toon zullen uitspreken, zodat de ander het merkt, dat we hem of haar aanvoelen, begrijpen. Dan kunnen we, onder beding van Gods zegen, de ander helpen, dienen. En ook, al zien we dan niet altijd en doorgaans zeker niet onmiddellijk vrucht, dan mogen we de uitkomst aan de Heere overlaten. Van hoe grote betekenis kan het zijn samen een passend schriftgedeelte te lezen en wat kan het ook in het hart van de ambtsdrager zelf een wondere rust geven om dan samen te vragen, zorgen, noden, strijd en twijfels bij de Heere te brengen in een eenvoudig gelovig gebed. Pastoraat aan de individuele gelovige!

We kunnen het alleen beoefenen, wanneer dat gevoelen in ons, dat ook in Christus Jezus was en is, want Hij is gisteren en heden Dezelfde!

Hoe heeft ook Hij niet de enkeling op het oog gehad! Denk eens aan Zijn woord tot de vrouwen bij het open graf: „Zeg het Mijn discipelen en Petrus!” En Petrus! Welk een persoonlijke zielszorg, besteed aan de individu, aan de enkeling Petrus! Wat blijkt die persoonlijke zielszorg uit Zijn verschijning aan Maria Magdalena. Denk ook aan de gesprekken, die Jezus hield met Nicodemus, met de Kananese vrouw, met de Samaritaan- se vrouw, met Simon de Farizeeër en met zoveel anderen. Wat getuigen ze van Goddelijke wijsheid, ernst, bewogenheid, zondaarsliefde.

Hij, Christus sprak altijd het rechte woord, te rechter tijd en op de rechte plaats. Hij wist goddelijk nauwkeurig, wat in de mens was, doorzag hem geheel. En nee: dat is ons niet gegeven. Wij zien slechts aan, wat voor ogen is. Maar toch: het heeft Hem behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven. En Hij wil Zijn kracht in zwakheid volbrengen en kleine, zondige mensen met al hun beperktheden gebruiken in Zijn dienst, in Zijn schone dienst!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.