+ Meer informatie

Geroepen naar Gods voornemen

5 minuten leestijd

8.

Rondom een bekend leerboek.

Onze Heidelbergse Catechismus is een bekend leerboek. Normaai komen we er iedere week mee in aanraking. De opmerking kan gemaakt worden, dat in dit leerboek nergens met uitdrukkelijke woorden over de twccerlei roeping gcsproken wordt. Het is waar. A1 lezen we de Catechismus door van Zondag 1 tot en met Zondag 52: op niet een bladzijde wordt deze onderscheiding genoemd. Laten we niet vergeten het aparte karakter van dit leerboek. Het is gericht op de praktijk der godzalighcid. De ware gelovige is aan het woord, die gedurig spreekt van de troost en het nut in wat beleden wordt. Die gelovige is ook tevens de geroepene uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht door Woord en Geest. En wel heel duidelijk bclijdt hij in de catechismus dat hij alleen door de verlichting en het werk van de Heilige Geest tot het geloof gekomen is. Wie goed onderscheidt kan hier zowel de uitwendige roeping als de inwendige vinden. Beter gezegd: hier wordt de werkelijkheid beleden, dat de roeping door het Evangelie alleen kracht doet door de Heilige Geest.

Denk eens aan Zondag 7 . . . „maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt.” Een letter is hier van belang nml. de letter „r”. De Heilige Geest werkt het geloof. En Zondag 25 laat geen andere klanken horen. Als daar gevraagd wordt: „vanwaar kornt zulk geloof?” wordt geantwoord: „Van de Heilige Geest, Die het geloof hi onze harten werkt door de verkondiging van het heilig Evangelie ...”

Wie vraag en antwoord 54 van Zondag 21 goed leest, weet dat ook hier de belijdenis van de Heilige Geest in het krachtdadig roepen doorklinkt. De Zoon van God vergadert Zijn uitverkoren gemeente door Zijn Geest en Woord.

Wij hebben boven dit artikel geschreven: rondom een bekend leerboek. Het is van belang op te merken, dat juist de opstellers van de Heidelbergse Catechismus ten aanzien van de roeping geen andere klanken hebben laten horen. U weet het nog van de catechisatie: in opdracht van Frederik 111 keurvorst van de Paltz is dit leerboek opgesteld door Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus. Zij waren althans de belangrijkste opstellers.

We luisteren eerst naar Ursinus. Voor mij heb ik het „Schatboek” in de vertaling van Festus Hommius 1650. In dat boek worden verklaringen gegeven van Ursinus zelf op de catechismus. Bij Zondag 21 ! schrijft hij over de eeuwige praedestinatie of voorverordinering. Daartegen — tegen Gods uitverkiezing en verwerping — hoort hij iemand inbrengen, wat we lezen in 1 Timotheus 2 : 4: „God wil dat alle mensen zalig worden”. We gaan eens luisteren naar het antwoord van Ursinus: „Deze plaats van Paulus moet met onderscheid verstaan worden: God wil, dat alle mensen zalig worden. Omdat de bekering en zaligheid van alien Hem behaagt en aangenaam is. Want Hij heeft een vermaak in de zaligheid van alien en Hij verblijdt Zich niet in de dood der goddelozen ...” Even verder schrijft Ursinus „dat Hij alle mensen tot het geloof en de boetvaardigheid nodigt. Daarom doet Paulus daarbij: „en dat zc alien tot kennis der waarheid komen. Maar Hij wil niet, dat ze alien zalig worden en bekeerd worden metterdaad. ... Hij nodigt alle mensen; Hij zegt tot alien: „bekering en gehoorzaamheid behaagt Mij: gij zijt die Mij schuldig”. Maar Hij zegt niet tot alien: „Ik zal die krachtigiijk in u werken” maar alleen tot de uitverkorenen”.

Uiteraard zeggen wij niet, dat van de verklaring van deze tekst het laatste woord door Ursinus gezegd is. Het gaat er ons om: hier zijn dezelfde klanken als bij Calvijn. Tenvolle onderstrepen zc wclmenende nodigingen Gods aan alien en tenvolle belijden ze krachtdadige roeping in de uitverkorenen.

En Olevianus? Het is een voorrecht, dat zijn werken weer gelezen worden. Het is altijd te merken, dat deze theoloog onder Calvijn in Geneve geweest is. Bij hem treft niet de redenerende trant van spreken, maar het echte geestelijke spreken, dat Gods Woord laat klinken en heel direct gericht is op de praktijk der godzaligheid. Ook ten aanzien van het onderwerp, dat ons bezighoudt. In „De getuigenissen van het Genade-Verbond” spreekt hij over de roeping op meer dan een plaats. Het getuigenis van Gods Woord wordt door hem bijzonder geprezen. Hij weet het, dat het geloof nooit Christus kan aangrijpen, tenzij „bekleed met Zijn beloften”. In verband daarmee schrijft hij later: „Maar al is het nu ook waar, dat niet alien Christus door het geloof aannemen, zo wordt Hij daarom niet minder aan alien, tot wie het Woord van het Evangelie komt, aangeboden (2 Corinthe 5 : 20, 21). Want van het Woord der genade gaat niets af door de ondankbaarheid der mensen. De harten van die Hem aannemen, heeft God geopend en hen daartoe reeds tevoren uitverkoren (Titus 1 : 1). Die Hem niet aannemen, die nemen Hem door en tengevolge van hun vrijwillige blindheid niet aan (2 Corinthe 4:3, 4; Handel. 2:13; Handel, 13:46). Want Gods genade wordt nooit verworpen zonder de boosheid en hardnekkigheid des harten”.

In een volgend stukje: „De hemelse Vader biedt echter Zijn uitverkoren gemeente door het Evangelie Christus niet slechts aan, .. . maar Hij schept ook door de prediking van het Evangelie het geloof in hun harten (Johannes 1 : 13 en 5 : 25). Zoals de Heere de blindgeborenc niet slechts de zon aanbood, maar hem tevens ook door Zijn kracht het gezicht schonk, waardoor Hij Zich in haar aanschouwing mocht verheugen”. We zouden meer aanhalingen kunnen geven. Ik dacht dat het genoeg was. De prediking van het Evangelie wordt geprezen maar het loopt uit op de lof aan de Heilige Geest, Die het Evangelie krachtig doet zijn in de harten van Gods kinderen. Naar Gods voornemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.