+ Meer informatie

Naar de Katechisatie

4 minuten leestijd

86.

DE NATUREN VAN CHRISTUS (2)

We komen nu tot de bespreking van de Goddelijke natuur van de Middelaar.

Er zijn dus twee naturen verenigd in de ene Persoon van de Middelaar. Christus heeft als de eeuwige natuurlijke Zoon van God de menselijke natuur aangenomen. Dit wil niet zeggen, dat hier sprake is van verandering ten opzichte van Zijn Godheid, want Hij bleef God.

Wel is het zo, dat in Zijn omwandeling op aarde de Goddelijke natuur vaak schuil ging achter de menselijke natuur.

Maar zijn de twee naturen van Christus dan geen twee personen?

Neen, de twee naturen zijn verenigd in de ene Persoon van de Middelaar. Twee personen kan niet, want dan zouden er twee Middelaars zijn. En er is één Middelaar Gods en der mensen, zegt de apostel in 1 Tim. 2 : 5. Vandaar dat in de oude christelijke kerk de benaming natuur gebruikt is om het onderscheid met de Persoon van Christus vast te houden. Op de belijdenis van Christus’ Godheid is de kerk gebouwd naar het eigen getuigenis van Christus bij de belijdenis van Petrus in de delen van Caesarea Philippi: „Op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen”. Niet op Petrus zelf als persoon. Dan zou het fundament wel zeer zwak en wankel zijn. Maar op de inhoud van zijn belijdenis: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods”.

Onze Heidelberger verklaart Christus in zondag 13 als „de eeuwige, natuurlijke Zoon van God”.

Johannes getuigt van Hem in zijn evangelie, hoofdstuk 1:14: „En wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader”. En in vs. 18: „De eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is. Die heeft Hem ons verklaard”.

Christus is de natuurlijke Zoon van God, want Hij is eenswezens met de Vader en met de Heilige Geest. Hij is „het uitgedrukte Beeld van des Vaders zelfstandigheid”.

Dit leerstuk over de Godheid van Christus is de eeuwen door bestreden geweest, tot vandaag toe.

Wie loochenden, dat Christus de natuurlijke Zoon van God is? Het waren reeds de farizeën en de schriftgeleerden, die Christus niet hebben erkend als de Zoon van God. Zij hebben Hem tenslotte als een godslasteraar veroordeeld.

In de dagen van de apostel Johannes waren er al dwalingen hierover, waardoor Johannes in Zijn zendbrief zo de nadruk legde op het geloof in Christus als de Zoon van God.

Arius werd in 321 als ketter veroordeeld en afgezet omdat Hij leerde, dat Christus niet van eeuwigheid Gods Zoon is, maar geschapen was en als zodanig het voornaamste schepsel.

De socinianen leerden, dat Christus Zoon van God is geworden door Zijn geboorte uit Maria.

Door de invloed van het rationalisme kwam het „modernisme” tot de loochening van de Godheid van Christus en het zag in Hem slechts een persoon als een verheven voorbeeld. En volgens de eucumenische bewegingen van de laatste tijd kan men de Godheid van Christus loochenen en toch als positieve christenen aanvaard worden. De erkenning van Jezus’ waarachtige Godheid acht men niet van essentieel belang, terwijl zij juist voor de kerk van fundamentele betekenis is. De vele getuigenissen in Gods Woord, zowel in het Oude Testament (o.m. Psalm 2, Psalm 45, Jesaja 9 enz. enz.) als in het Nieuwe Testament (o.m. bij het getuigenis van de Vader bij de doop van Christus, Joh. 3:16, Rom. 1 : 4: „Die krachtiglijk bewezen is te zijn de Zoon van God” enz. enz.) zijn voor de kerk niet alleen een sterke bewijsgrond voor het geloof, maar ook voor de vastheid der verlossing en de troost voor Gods kinderen!

Waarin is dan die vastheid gelegen?

Wel hierin: Christus is de eeuwige Zoon van God en daarom is Hij van eeuwigheid als Borg opgetreden in de Vrederaad Gods. Toen heeft de Zoon Zichzelf gegeven en gesproken: „Zie, ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen”.

Zo konden ook de uitverkorenen aan Hem van de Vader gegeven worden van eeuwigheid. Maar ook de vastheid van de verlossing ligt gegrond in de Godheid van Christus.

Ware de Borg niet geweest waarachtig God, hoe zou Hij ooit het bange lijden, bijzonder op Golgotha in de ure der verlating, hebben kunnen doorstaan? Hoe zou Hij ooit uit de dood kunnen zijn opgestaan?

En daarbij: juist Zijn Godheid heeft een eeuwige waardij aan Zijn verdiensten toegebracht, zodat Hij in een korte tijd de last van de eeuwige toorn Gods heeft weggedragen, uitgeboet.

Zo heeft Gods volk ook het leven alleen in de Zoon. 1 Joh. 5 : 1 1 : „En dit is de getuigenis, namelijk, dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in Zijn Zoon”.

Maar welke troost biedt dit ondoorgrondelijk leerstuk voor de kerk?

Het antwoord bewaren we voor een volgende les D.V.

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.