+ Meer informatie

"Allesweter" prof. Jan Lever

"Ik heb een kinderlijke belangstelling voor allerlei dingen

12 minuten leestijd

In een tijd van voortgaande specialisatie houdt de Amsterdamse emeritus-hoogleraar Jan Lever z'n kennis graag breed. Hij doceerde dierkunde aan de VU, maar beperkte zijn arbeid niet tot zijn directe vakgebied. Met even veel enthousiasme deed hij onderzoek naar het aanspoelen van schelpen. Na zijn pensionering hield hij zich onder meer bezig met de bomen van Amsterdam-Zuid, de Gorcumse Levers, de evolutie van de Latijns-Amerikaanse postzegel, het aantal inwoners van Amsterdam dat naar een plant of dier is genoemd en de olifanten van Hannibal. Portret van een allesweter.

Van dikdoenerij heeft emeritus-hoogleraar Jan Lever een aflceer. Het naambordje naast de deur van zijn Amsterdamse bovenwoning meldt simpelweg: Lever. „Als u wilt komen liefst vrijdagmiddag vanaf drie uur", heeft hij verzocht. „Voor die tijd werk ik nog zo'n beetje. Als je het werken mag noemen, tenminste." De mij toegewezen zetel biedt een goed zicht op zijn chaotisch domein. Links een kast met uitheemse schelpen. Verderop schappen vol postzegelboeken. Daaronder kleine kastjes met een veelheid aan laden. In het midden van het schemerige vertrek een bureau vol paperassen met daarop een loep. Achter het bureau een hondenmand voor zijn twee Whippets. Ontspannen nestelt de wetenschapper zich in een stoel voor zijn boekenkast. „Voor ik aan de beurt kom, mag ik ongetwijfeld iets aan u vragen", informeert hij vriendelijk. „Die achterban van uw blad, hoe ziet die er precies uit? Dat interesseert me, weet u."

Hugo de Vries
Momenteel is hij druk met de bomen van AmsterdamZuid en de historie van de Levers. Tussen de papiermassa op het bureau ligt het Le(e)ver Orgaan, waarvan hij de redacteur is. Uren vertoefde hij in archieven en bibliotheken, om informatie op te diepen. Vooral de Gorcumse Levers hebben z'n warme belangstelling. „Dat waren de interessantste. Ik heb zelfs op Sri Lanka grafstenen gevonden van die lui." Het genealogisch onderzoek van de oud-hoogleraar blijft niet beperkt tot naamgenoten. Hij maakte ook studie van het geslacht van de bioloog Hugo de Vries. „Kent u die niet?" In zijn stem klinkt enige verbazing over deze hiaat in mijn kennis. Met zichtbaar genoegen strekt hij de rug, om het gat meteen te gaan dichten. „Hebt u dan wel eens van de spelling De Vries en Te Winkel gehoord? Die is genoemd naar een oom van Hugo de Vries, destijds hoogleraar Nederlandse letterkunde in Leiden en grondlegger van het Groot Woordenboek der Nederlandse taal. Gerrit de Vries, de vader van Hugo, was een vooraanstaand jurist en is minister-president geweest. En weet u wel dat de kroning van Willem I tot koning is doorgedrukt door de man van een zuster van de grootvader van Hugo de Vries? Deze grootvader had een broer, Jeronimo de Vries, die de hoogste ambtenaar van Amsterdam was. Die was weer een dikke vriend van Bilderdijk. En die z'n neef.."

Een ramp
Na een halfuur zijn we, via het proefschrift van Kuyper over de Poolse reformator a Lasco, beland bij de stamboom van de familie Van Geuns, aan de familie De Vries verbonden door het huwelijk van Abraham de Vries met Hillegonda van Geuns. „Die is haast net zo interessant als de familie De Vries", verzekert Lever pathetisch. „Ik heb eens een voordracht over de familie De Vries gehouden in het Teylers museum te Haarlem, als lid van Teylers Tweede Genootschap. Daar hebt u vast wel eens van gehoord. De al meer dan tweehonderd jaar oude Teylers genootschappen, met elk slechts zes leden, behoren tot de merkwaardigste wetenschappelijke genootschappen in de hele wereld. Teyler was een rijke, doopsgezinde lakenkoopman in Haarlem, die...." Zo nu en dan ondersteunt de gedreven geleerde zijn betoog door uit de boekenkast een historisch werk, een cahier, of een document te pakken. Slechts één keer grijpt hij mis. Dat is als hij een boek uit de ingebouwde kast moet hebben. „We hebben een interne verbouwing gehad", verzucht hij aangeslagen. „Een ramp, meneer De Vries, in één woord een ramp. U moet nog maar eens terugkomen, als het u interesseert."

Piano
De brede belangstelling van de Amsterdamse emeritus-hoogleraar is erfelijk te verklaren. Grootvader Lever had een christelijke boekwinkel in Groningen en stond in deze plaats aan de wieg van de Doleantie. Vader, hoofd van een christelijke school, was tevens voorzitter van de antirevolutionaire kiesvereniging en de plaatselijke afdeling ter ondersteuning van de Vrije Universiteit. Moeder Lever was onder meer landelijk vice-presidente van de Nederlandse Christen Vrouwen Bond. In die hoedanigheid hield ze door het hele land lezingen over literaire onderwerpen en verzorgde wekelijks een column voor de vrouw in De Standaard en later in Trouw. Haar vader was de romanschrijver Brouwer, de eerste hoofdredacteur van het Friesch Dagblad. „Ik kom uit een gediplomeerd gereformeerd geslacht", vat Lever samen. „Goud op snee. Met één afwijking. De meeste gereformeerde mensen hadden thuis een harmonium, wij hadden een piano."

Hoogleraar
Na de middelbare school besloot hij biologie te gaan studeren. Het was een voor de hand liggende keus. „Bijna al mijn oudste herinneringen gaan terug op dieren. Een muis in de keuken, die door mijn vader met een zwabber werd achtervolgd. Een vlinder die door mijn moeder uit een web werd gehaald. Een slakje tegen een muur van onze bijkeuken. Je zag niets bewegen en toch ging hij heel langzaam vooruit. Daar kon ik uren naar zitten kijken. Als kind heb ik veel slakken verzameld en gedetermineerd." > In later jaren bezocht hij de lezingen van de natuurwetenschappelijke kring in zijn woonplaats Den Helder. Bij het natuurhistorisch museum en het zoölogisch station was hij kind aan huis. Zijn talent bleef niet onopgemerkt. Direct na zijn promotie in 1950 werd hij benoemd als lector aan de VU. Twee jaar later volgde zijn aanstelling tot hoogleraar dierkunde. Een terrein dat inmiddels in zes specialismen uiteen is gevallen. Hij combineerde deze taak met het bestuurslidmaatschap van tal van stichtingen en commissies op zijn vakgebied.

Hobbyist
Wetenschap en hobby zijn voor Lever één. Zijn aangeboren nieuwsgierigheid deed hem vanaf het begin zoeken naar nieuwe onderzoeksterreinen. „Ons laboratorium aan de VU is gespecialiseerd in de neurobiologie, toegespitst op zenuwcellen die hormonen maken. Toen ik dat onderzoek in 1956 opzette, was het een totaal nieuw gebied. Daarom sprak het mij aan. Als proefdier koos ik voor de slak. Waarschijnlijk mede omdat ik als kind al slakken verzamelde. Ze zijn bovendien gemakkelijk te kweken en het zenuwstelsel is heel eenvoudig bloot te leggen. Er worden zelfs microscopisch kleine elektroden in het zenuwstelsel gezet. Dit onderzoek behoort tot het allermodernste in de wereld. Maar het bleef voor mij ook liefliebberij. M'n hele leven ben ik hobbyist gebleven. Ik zou er niet aan moeten denken om hetzelfde onderzoek op honden uit te voeren. Laat staan op een aap. Alleen bij de gedachte word ik al beroerd. Toch moeten we blij zijn dat andere mensen dat wel kunnen. Als jongen heb ik longontsteking gehad. De crisis doorgemaakt, waarvan je in oude boeken leest. Geneesmiddelen waren er niet. Een broer van me heeft roodvonk gehad. Daarvoor ging je weken in quarantaine. Door een raam mochten we naar hem kijken. Nu ben je er binnen veertien dagen vanaf Allemaal resultaat van de toepassing van wetenschappelijk onderzoek op proefdieren."

Generalist
Hoewel hij de specialisatie binnen de wetenschap niet hardop wil afkeuren, prijst Lever zich gelukkig dat hij nog de mogelijkheid had om generalist te blijven. „Toen ik aan de VU begon was voor elk vakgebied één hoogleraar beschikbaar. Dat kleine groepje ontmoette elkaar voortdurend. Daardoor kreeg je een boeiende uitwisseling van informatie. Samen met Dooyeweerd heb ik gepubliceerd in het blad Philosophia Reformata. Met Alex Sizoo, die de boeken van Augustinus en Calvijn heeft vertaald, had ik in de tram vaak hele gesprekken. Ik heb het altijd leuk gevonden om samen te werken met mensen van verschillende deskundigheid. Mede daardoor ben ik ook bestuurslid geweest van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Na mijn pensionering in '86 heeft het bestuur mij gevraagd of ik gedelegeerde voor de bibliotheek van de Akademie wilde worden. Dat leek me wel. Het is een indrukwekkende informatiefabriek, met onder meer zo'n twaalfduizend lopende tijdschriften. Heel interessant."

Biovisie
Lever kreeg nu eindelijk tijd voor het uitpluizen van zaken die hem al lang intrigeerden, maar die hij wegens tijdgebrek had laten liggen. De resultaten van zijn bevindingen publiceerde hij in het vakblad Biovisie, waarin hij tot vorig jaar een vaste column had. Het werd een bonte verzameling. Een column over de oudste boom ter wereld, de evolutie van de postzegel in Latijns-Amerika, de boom waarin Zacheüs een schuilplaats zocht, de olifanten waarmee Hannibal over de Alpen trok, de componist van "Lof zij de Heer", het wereldrecord meerlingen, het aantal inwoners van Amsterdam dat naar planten of dieren heet... Het is niet meer dan een willekeurige greep. „Ik heb een kinderlijke belangstelling voor allerlei dingen", verklaart de veelzijdige publicist. „De wereld is verschrikkelijk, als je naar de televisie kijkt. Maar de wereld is ook fantastisch. Ik ben nog altijd gefascineerd door de overweldigende rijkdom van deze schepping, waarin ik een kort tijdje mag leven. Die tijd wil ik uitbuiten. Die móet je uitbuiten."

Regelmaat
Aan haasten heeft de emeritus-hoogleraar overigens een hekel. De indrukwekkende hoeveelheid werk die hij verzet, verklaart hij uit zijn discipline. „Voor sommige mensen heb ik een hinderlijke regelmaat. Toen ik nog hoogleraar was, trok ik klokslag acht uur de deur achter me dicht, om me wandelend naar het lab te begeven, waar ik 8.27 uur aankwam. Ook na mijn emeritaat sta ik bij voorkeur elke morgen om halfzeven op. Dan zet ik thee en breng mijn vrouw een kopje thee op bed. Dat gebeurt waar ook ter wereld. Of we in de Himalaya zijn of in de woestijn, mijn vrouw krijgt 's morgens van mij thee op bed. Daarna haal ik Trouw uit de bus. Die wordt hier al voor zessen bezorgd door zo'n Surinaamse jongen. Een reuzeknaap. Na Trouw ga ik me douchen om vervolgens met m'n honden een uur te gaan lopen, als het weer het toelaat. Om half tien zit ik achter m'n tafel en begin te schrijven. Dat doe ik tot twaalf uur en dan eet ik drie boterhammen. De eerste met vlees, de tweede met kaas, de derde met pindakaas. Altijd in die volgorde. Al zo'n veertig jaar. Daarna doe ik als het even kan een tukje, om vervolgens weer achter de schrijftafel te gaan zitten. Mits ik niet in archieven moet zijn, onder meer voor het onderzoek naar de Levers."

Bomen
Door zijn ochtendwandelingen ontstond een innige band tussen Lever en de bomen van AmsterdamZuid. „Weet u iets van bomen? Juist, het verschil tussen een kastanje en een berk. Zo was het bij mij ook. Maar door die wandelingen ben ik gefascineerd geraakt door bomen. Het zijn de grootste schepselen ter wereld. Dieren eten elkaar op. Een boom staat daar en doet niemand kwaad. Een overblijfsel uit het paradijs, meneer De Vries, een boom. Geen wonder dat in het paradijsverhaal bomen een uitermate belangrijke rol spelen, zoals u vermoedelijk weet. Ik ben takjes mee gaan nemen naar huis, heb boeken gekocht, ben gaan determineren en ontdekte tot mijn stomme verbazing dat Amsterdam-Zuid vol staat met bijzondere bomen. Daar kan ik nu een avondvullend programma over verzorgen. In het voorjaar komt er een gezelschap van een man of twintig uit Alkmaar, die met mij uit wandelen gaan. En 19 maart moet ik in Antwerpen een lezing over die bomen houden, voor de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedeschoon. Zo kom je van het een op het ander."

Weegschaal
Bij zijn wandelingen zal Lever nimmer zijn instrumentarium vergeten: een zakthermometer en een minuscuul weegschaaltje. De zakthermometer om op de tiende graad nauwkeurig de temperatuur te kunnen bepalen. Het weegschaaltje is multifunctioneel. „Moet u zien, wat een prachtig ding", glundert de eigenaar. „Ik kreeg het in Pakistan en gebruik het bij voorbeeld om verschillende soorten hazelnoten te wegen, of zaden. Maar ook munten. Want ik heb een hele grote muntencollectie, in die kastjes daar. En daarboven staat een enorme verzameling van LatijnsAmerikaanse postzegels. Tegen de tijd dat je gepensioneerd bent, dat moet u onthouden, moet je ervoor zorgen dat je zo veel hobby's hebt dat je dagen eigenlijk te kort zijn. Spaart u ook iets? Nou, wij zijn allebei nogal spaarderig. Mijn vrouw spaart bij voorbeeld vingerhoeden. Een liefhebberij die we gezamenlijk hebben is schelpen verzamelen. Dat behoort voor ons tot de fijnste dingen des levens. Verleden jaar hebben we veertien dagen achter elkaar over het strand van Cyprus gezworven."

Schelpen
De schelp houdt Lever al decennia bezig. In het jaar waarin hij met de slakl<:en begon te experimenteren, startte hij ook een onderzoek naar het aanspoelen van schelpen. Gevolg van een strandvakantie op Texel, waar hij met vrouw en kinderen schelpen met boorgaatjes van roofslakken verzamelde en tot de ontdekking kwam dat daar de gaatjes bijna altijd in de rechterschelp zaten. Elders bleek dat niet het geval te zijn. Een prijs van Shell, die hij met het wonderlijke onderzoek in de wacht wist te slepen, stelde hem in staat in Londen tienduizenden kunstschelpen te laten fabriceren. Door die te water te laten werd het vraagstuk na verloop van tijd ontrafeld. „Een van mijn medewerkers is op een onderdeel van dat experiment zelfs gepromoveerd. Je kunt je afvragen wat het nut van dergelijk onderzoek is, maar dat heb ik nooit gedaan. Zinvolle toepassingen zijn altijd uitschieters van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Daarom moet je ook gekke dingen doen. Die leverensoms onverwachts iets op."

Zo aardig
Buiten is de duisternis al ingevallen. Als ik uit m'n stoel omhoog kom, gaat ook Lever staan. Tien minuten later zijn we nabij de deur van het vertrek gekomen. Op dat moment ontdekt de emeritus-hoogleraar met lichte schrik dat hij me de bladeren van de Sri Maha Bodhi in Sri Lanka nog niet heeft getoond. „Hebt u nog even tijd. Want die moet u echt nog even zien. U weet dat Siddharta in noord-India tot Boeddha is geworden onder een boom. Een stekje van die boom is als geschenk aan de koning van Ceylon, het huidige Sri Lanka, geschonken, toen die overging tot het boeddhisme. Dat stekje werd 2300 jaar geleden geplant in de oude koningsstad Anuradhapura en is nu de oudste gedateerde boom ter wereld. Ik ben daar met m'n vrouw naartoe geweest. Schoenen uit. Trap op. Een bordes. Een gouden hek. En daarachter die boom, helemaal gestut. Gelukkig was er iemand die Engels kon verstaan. Ik vertelde hem dat ik een gekke bioloog uit Nederland was, die dolgraag een paar blaadjes van die boom zou hebben. Die man heeft dat aan een priester gevraagd, die voor mij zes bladeren heeft verzameld. Daar hebt u ze. Bladeren die genetisch volkomen gelijk zijn aan de boom waaronder het boeddhisme is ontstaan. Is dat niet mooi? En weet u wat zo aardig is, dat moet ik u toch echt nog even vertellen, als je nu...

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.