+ Meer informatie

KLINKT IN DE ZONDAGSE PREDIKING WERKELIJK DE STEM VAN GOD DOOR?

33 minuten leestijd

Inleiding

De uitnodiging die voor deze vergadering is uitgegaan, bevatte niet minder dan elf aandachtspunten die elk op een eigen manier in verband staan, zo niet met de crisis rond de prediking, dan toch met de vragen die vandaag inzake het wezen van de verkondiging worden gesteld. De relatie van mensenwoord en Gods Woord, het gezag van de preek, de functionering van dit gezag, de inbreng van de prediker, de presentie van de Geest in en onder de prediking: het zijn zaken die wij op de een of andere manier tegenkomen, nu allerwege sprake is van een intensieve devaluatie van het woord in onze op visuele ontmoeting aangelegde wereld. Een wereld, die bovendien vol van conflicten is, die ook aan de kerk niet voorbijgaan en die soms binnen de gemeente een klimaat brachten waarin een gezonde prediking nauwelijks kan functioneren: hoe kunnen wij verwachten dat in een persoonlijke worsteling met de Here God zelf de prediker te voorschijn kan komen met een gezagvolle boodschap? Wat te denken van een prediking die voor het oog opgaat in een exegetische verhandeling, maar die het hart van de gemeente niet raakt. Of hoe te oordelen over een prediking die zo stereotiep is, dat bij elke tekst steevast dezelfde preek tevoorschijn komt?

Ziedaar de problematiek die vervat is in de omschrijving van het onderwerp in de uitnodiging voor deze vergadering, een omschrijving die een verkorte weergave biedt van twee artikelen in De Wekker van de hand van de voorzitter van het comité dat ons bijeenriep.

Men heeft mij gevraagd om dit onderwerp in te leiden, zodat in een hopelijk grondige bespreking de problematiek kan worden doorgenomen en op deze wijze een bijdrage kan worden geleverd tot die waardering van de verkondiging in onze kerken, waarvan wij heil mogen verwachten. In tien korte thesen tracht ik nu enkele lijnen te bieden, die bij de bespreking van belang kunnen zijn.

1. Het is de overtuiging van de Reformatie geweest, die wij ook voor vandaag onopgeefbaar achten, dat de prediking van het Woord Gods niets anders is dan het Woord van God zelf.

Deze stelling is uitgesproken in de tweede Helvetische confessie (1562). De Heilige Schrift is het Woord van God. Zij heeft voldoende gezag niet vanwege de mensen, maar vanuit zichzelf.

Dit Woord komt in de prediking tot ons. En het verandert daardoor niet van aard.

“Wanneer derhalve vandaag dit Woord van God door rechtmatig beroepen predikers in de kerk verkondigd wordt, dan geloven wij dat Gods Woord zelf verkondigd wordt en door de gelovigen wordt vernomen, en dat men ook geen ander Woord van God kan uitdenken of van de hemel heeft te verwachten.”

De prediking van Gods Woord is Gods Woord. Ook nu dienen wij acht te slaan op dit Woord zelf, zoals het gepredikt wordt en niet op de dienaar die het verkondigt. Heel sterk klinkt het: “Ook al zou deze zelfs een booswicht zijn of een groot zondaar, toch blijft het Woord van God waar en goed”.

Deze fundamentele overtuiging hangt samen met de belijdenis dat in het mensenwoord Gods Woord zelf weerklinkt. En dit inzicht is een gevolg van de vleeswording van het Woord van God. Het wonder van de incarnatie, waarvan Joh. 1:14 spreekt: “Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond”, heeft een geweidige doorwerking en uitstraling. In de zwakheid van het menselijke vlees komt het eeuwige Woord onder ons. Dit betekent niet slechts iets voor de geboorte van de Heiland. Het is ook van betekenis voor de gestalte van de prediking.

Op de lippen van mensen van vlees en bloed komt het eeuwige Woord tot ons. God onderwijst ons door nietige schepselen. Calvijn spreekt over de verootmoedigende manier waarop dit gebeurt. Mensjes uit het stof opgerezen verkondigen het Woord van God. De dwaasheid van de prediking hangt niet alleen samen met de inhoud van de verkondiging, met de boodschap van het kruis, maar zij hangt ook samen met de manier waarop Gods wijsheid tot ons komt: het zwakke heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijsheid van mensen zou beschamen. Niet door een stem van God als bij de Sinaï, niet door de stem van een engel als in de velden van Efrata, maar door een zwakke mensenstem horen wij de stem van God zelf. Deze modaliteit van het spreken Gods behoort tot de dwaasheid en tot de ergernis van het evangelie zelf.

Daarachter staat de wil van God: het welbehagen van God die in goddelijke vrijheid dit middel heeft gekozen en beschikt. Hij heeft het niet aan ons overgelaten om uit te kiezen op welke manier Hij zijn heil zou werken in Christus. Hij liet het evenmin aan ons believen over om bij de bediening van dit heil de weg te bepalen. Hijzelf heeft in zijn vrijmacht deze weg aangewezen. Hij heeft er ons aan gebonden en Hij bindt ons er nog steeds aan.

Paulus wijst daarop in 1 Cor. 1:21vv: “Daar de wereld in de wijsheid Gods door haar wijsheid God niet heeft gekend heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking te redden hen die geloven (…), want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen”.

Wanneer wij de vraag stellen hoe zich het Woord van God verhoudt tot het mensenwoord, dan kunnen we wijzen op de parallel van de vleeswording van het Woord in de kribbe van Bethlehem. We kunnen ook denken aan de Schriftwording van het Woord door de Heilige Geest. En we kunnen in beide gevallen wijzen op de zwakheid, de nietigheid en de dwaasheid, ook op de ergernis die verbunden is aan de vleeswording, de Schriftwording en aan de prediking van het evangelie. De prediking van het Woord van God is het Woord van God in de dienstknechtgestalte van het gesproken mensenwoord.

2. Uit deze eerste stelling vloeit de tweede voort. In de prediking heeft zich te openbaren het gezag van het Woord van God. Anders gezegd: het gezag van de prediking is geen ander dan dat van het Woord Gods, voorzover dit in de prediking doorklinkt.

We kunnen dit allereerst opvatten in de volstrekt objectieve zin. Afgedacht van alles, ook afgedacht van onze erkenning, ook afgedacht van ons geloof in het Woord der prediking, hééft die prediking dit gezag. We zouden het de manier kunnen noemen waarop God zijn autoriteit kenbaar maakt in deze wereld. Gods zeggenschap over alle dingen proclameert Hij door zijn Woord. In de prediking komt dat goddelijk gezag tot ons. Niemand die het hoort, kan zich er aan onttrekken. Zo legt God beslag op ons leven. Hij requireert het. Hij eist het op voor zich. Waar de prediking zo tot ons komt, kunnen we ons niet meer verontschuldigen. In die zin hebben we te verstaan wat Christus gezegd heeft, dat het Tyrus en Sidon verdragelijker zal zijn in de dag van het oordeel dan ons, tot wie het Woord van het evangelie is gekomen.

Het wonder van de prediking bestaat echter in het feit, dat God zelf dit middel gebruikt om ons aan zich te verbinden. Christus sprak als machthebbende en niet als een van de schriftgeleerden. Hij oefende zijn macht uit door middel van het Woord. Zo was er niet slechts sprake van een objectief gezag, een goddelijke zeggenschap of autoriteit, waarmee God beslag legt op ons leven. Maar zo kwam het tot een erkenning van het gezag: “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde”. Het is deze volmacht van Christus, die Hij verwierf aan het kruis, en waardoor Hij het gezag van zijn Vader vestigt in het leven van mensen. Hij oefent nu heerschappij uit. Hij bedient zelf het Woord als het Woord der vergeving. “Wie heeft op aarde de macht om de zonden te vergeven?” Deze bevoegdheid zet Christus om in effectieve macht en werkzaamheid om door zijn Woord mensen aan zich te binden.

Wanneer wij spreken over het gezag van de prediking, die berust op het gezag van het Woord van God, dan hebben we ook deze onderscheiding te maken. Het Woord heeft gezag, het eist dat op, het vraagt van ons dat we ons eraan zullen onderwerpen. Niemand heeft het recht om het naast zich neer te leggen. Het is naar dit Woord dat wij geoordeeld zullen worden. Onze catechismus verwijst naar deze objectieve geldigheid van het Woord Gods in de zondag die handelt over de sleutelmacht. Daar wordt vastgesteld, dat God naar dit getuigenis van het evangelie zal oordelen beide in dit en in het toekomende leven. God zelf verleent op deze wijze aan de prediking van het Woord zijn goddelijk gezag. Hij houdt zich er aan, zoals Hij van ons verwacht dat wij er ons ook aan zullen houden. De objectieve geldigheid van het verkondigde Woord zal eenmaal aan het licht treden in het oordeel, dat over de wereld zal gaan.

Maar dit oordeel wordt hier en nu reeds in de prediking voltrokken. Het komt ons nabij. En waar ons hart zich aan dit Woord der prediking onderwerpt, daar voltrekt zich het wonder dat het gezag van het Woord zich ook hier en nu reeds verwerkelijkt. De autoriteit van het Woord der prediking realiseert zich in het mensenleven, zodat de macht van het Woord blijkt. Het gezag van het Woord der prediking voltrekt zich dan in het hart van mensen, die zich in gehoorzaamheid van het geloof eraan gewonnen geven. Dan is er niet slechts sprake van een objectief geldig gezag van het Woord, maar het gaat dan over de macht van het Woord om mensen te binden aan Christus. Dan blijkt opnieuw dat Christus leert als machthebbende en niet als de schriftgeleerden.

Men zou kunnen zeggen dat het geheim van de prediking bestaat in de wonderlijke overgang van het gezag naar deze macht, de weg van gezag naar macht. Het wonder van de prediking, de eeuwen door, is geweest dat God zelf deze overgang bewerkt, waardoor het objectieve gezag zich effectueert in de macht over hart en geweten. Dan is er geen sprake van een zedelijke macht op zichzelf, maar het gaat om een geestelijke gezagsvoltrekking, die het gehele leven onder de heerschappij brengt van het Woord Gods.

3. De levende stem van God klinkt door in de prediking als het getuigenis van de Heilige Geest.

De Reformatie heeft met name in de gereformeerde traditie aandacht gevraagd voor het werk van de Heilige Geest met betrekking tot het Woord van God. Op vier relaties is dan te wijzen. Allereerst op de verhouding van Woord en Geest zoals deze in de inspiratie van de Schrift zelf gelegd is. De Heilige Geest getuigt in de Heilige Schrift, omdat Hijzelf de Schriften heeft ingegeven. Daarom is er ook sprake van het getuigenis van de Geest, waardoor Hij ons overtuigt van de waarheid van het Woord. Op een manier die vér uitgaat boven elke redenering, laat Hij ons zien dat de Schrift het Woord Gods voor ons is. Dan is er in de derde plaats ook het persoonlijke getuigenis, waardoor Hij met onze Geest getuigt dat wij kinderen van God zijn. Zo wordt het heil in ons eigen leven vastgemaakt. Maar de Geest doet dit door middel van de prediking van het Woord. De Schrift is het Woord door de Geest. Ik weet dat de Schrift het Woord is door diezelfde Geest. En ik weet ook dat ik het weet, d.w.z. ik ken door het getuigenis van de Geest mijn eigen levende relatie met de Christus en in Hem met het volle heil van het kindschap. In alle drie verhoudingen zien wij in de regel het werk van de Geest.

Maar is er voldoende zicht op het feit, dat de Geest juist door middel van de prediking getuigt, m.a.w. dat Hij juist de prediking gebruikt om ons de stem van God zelf te laten horen? Of is dit besef onder ons op de achtergrond geraakt?

De Reformatie heeft daarover duidelijk gesproken. Olevianus heeft in een kort onderwijs over de prediking van het heilige evangelie zich als volgt uitgedrukt: er zijn in de prediking van het Woord van God twee predikers te beschouwen, twee stemmen te beluisteren en er is sprake van tweeërlei oren. De uiterlijke prediker kan niet meer dan dat hij door zijn uiterlijke stem het Woord van God laat klinken in de uiterlijke oren van de uiterlijke mens. Hij kan echter niet bij wie hij maar wil, het geloof en de bekering in het hart geven, zoals de apostel spreekt in 1 Cor. 3. Zo is noch hij die plant, noch hij die nat maakt iets, maar God die de wasdom geeft. De innerlijke prediker is de Heilige Geest, die door zijn inspraak de innerlijke mens het geloof in’t hart plant en het ook vernieuwt. En wanneer Hij bij de innerlijke mens de oren niet opent, dan blijft het hart van de mens verstokt.

Olevianus voegt eraan toe, dat deze beschouwing de prediking niet onnodig maakt, omdat zij een middel en werktuig is van de Geest, waardoor die prediking een kracht van God is tot zaligheid voor allen die geloven. Ook Calvijn spreekt op gelijke wijze over een uiterlijke en een innerlijke prediker, en op precies dezelfde manier verbindt hij het Woord van de prediking met het werk van de Geest.

Hebben wij misschien al te veel nadruk gelegd op het verschil tussen het uiterlijke en het innerlijke en is daardoor de relatie, de onverbrekelijke relatie tussen Woord en Geest wat uit het zicht geraakt? Is het wellicht ook daaraan toe te schrijven, dat we de Geest wel ter sprake brengen bij de inspiratie van de Schrift, bij het getuigenis waardoor wij weten dat de bijbel het Woord van God is en ook wel bij de weg naar persoonlijke heilszekerheid, maar minder bij het wonder van de prediking? Het is de Geest van Christus die in de prediking ons de levende stem van God laat vernemen, zodat het ’t Woord Gods voor ons wordt. De Geest voltrekt die wondere overgang van het uiterlijke gezag, naar de innerlijke onderwerping eraan. Hij oefent zijn macht uit. Hij opent het hart, zodat wij acht geven op hetgeen in de prediking wordt gezegd. Het voorbeeld van Lydia uit Hand. 16 functioneert bij de reformatoren in de uitspraken die zij doen over het werk van de Geest. Hij doet ons de stem van God horen, als de levende stem van de levende God in de prediking van het evangelie.

4. Welke garantie hebben wij, dat we inderdaad de stem van God in de preek horen, wanneer wij deze slechts via de stem van een mens vernemen? Dat het het Woord van God is mogen we weten uit het Woord der verzoening, d.w.z. uit de prediking van het evangelie.

“Dit alles is uit God, die door Christus ons met zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het Woord der verzoening heeft toevertrouwd. Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u, laat u met God verzoenen” (2 Cor. 5:18vv).

Het gaat om de bediening der verzoening, om het toevertrouwde Woord der verzoening, het gaat erom dat God door onze mond de hoorders vermaant: laat u verzoenen! De stem van God is dan herkenbaar wanneer het evangelie der verzoening wordt gepredikt. Zij is herkenbaar aan het Woord der verzoening, dat komt uit de mond van de prediker. “Alsof God door onze mond u vermaande…” Dit “alsof” is niet bedoeld om de waarachtigheid van de verkondiging in twijfel te trekken. We doen maar alsof God onze mond gebruikte. Nee, dit “alsof” wil verstaan worden als de aanduiding van de volkomen betrouwbaarheid van de prediking van het evangelie.

De dienaar spreekt. Maar de hoorder verneemt uit die mond de stem van God. Calvijn: “Dit dient niet weinig om het geloof in het ambt van de gezant te vermeerderen. En dit is volstrekt noodzakelijk. Want wie zou met betrekking tot zijn eeuwige zaligheid willen rusten in het getuigenis van een mens? Dat is een te belangrijke aangelegenheid dan dat wij tevreden kunnen zijn met het getuigenis van een mens, tenzij het vaststaat dat zij door God verordend zijn en dat God door hen tot ons spreekt. En dit is de strekking van de uitspraken waarmee Christus zijn apostelen heeft willen onderscheiden: wie u hoort hoort Mij enz. en wat gij op aarde zult ontbinden, zal in de hemel ontbonden zijn, en dergelijke meer”.

Hoe weet ik, dat de mond van de predikant op dat moment voor mij de mond van God is? Wanneer hij zich houdt aan het Woord der verzoening en aan niets anders. Of: wanneer hij het evangelie verkondigt, zoals het Woord van God het biedt, het evangelie van Christus Jezus en die gekruisigd. Wie deze boodschap niet bedient, zegt Calvijn, kan niet voor een herder of voor een apostel worden gehouden.

De preek kan nimmer de stem van God laten horen wanneer niet het evangelie weerklinkt. Christus heeft de verzoening tot stand gebracht. Hij heeft zijn werk volbracht aan het kruis. De bediening daarvan houdt in dat de kracht van die verzoening in ons leven doorbreekt. En dit geschiedt door de bediening van het Woord. Door niets anders. Het Woord alleen. En het Woord in zijn totaliteit.

Het Woord alleen. Dat betekent dat op de preekstoel elke particulière liefhebberij volstrekt contrabande moet zijn. Alles wat zich niet met het Woord van God laat rijmen is daar verboden. Dit maakt de preekstoel tot een zo gevaarlijke plaats. Hoe gemakkelijk gaan wij ons te buiten aan eigen ideeën, opvattingen of inzichten, die dan met gezag aan de mensen worden opgelegd, “alsof God door onze mond de mensen vermaande”. Er is slechts één middel om daaraan te ontkomen. Het is de zuivere verkondiging van niets anders dan het Woord van God: sola scriptura.

Maar dan ook opgevat in de meest brede zin: de gehele Schrift. God heeft ons geen tekstenboek gegeven, maar zijn Woord. Het is een goudmijn, die nimmer uitgeput raakt. Achter dat Woord staat de prediker veilig, wanneer hij ook de volle raad van God verkondigt. Hij mag dán, maar ook dan alleen spreken met gezag, dat steunt op het spreken van God zelf.

5. Wanneer op deze wijze de stem van God in de prediking hoorbaar wordt, komt de hoorder er ook op een bepaalde manier in voor.

We herinneren ons het gezegde, dat men zijn naam in de preek moest horen. Dat wijst erop dat de hoorder allereerst in de prediking voorkomt als de geadresseerde. Het Woord Gods komt tot hem of haar. Op deze manier demonstreert zich het “tegenover” van de prediking ten opzichte van de gemeente. Men kan haar collectief benaderen, als verbondsgemeente en dus niet als een willekeurige groep van toehoorders. Men kan de gemeente ook aanspreken op de leden die haar samen vormen, zodat er tegelijk sprake kan zijn van een oog voor de persoonlijke noden en vragen die in de gemeente leven.

Tot deze gemeente komt nu de stem van de Here, de vox Dei. Zij, de hoorders, vallen onder de roeping van Godswege, de vocatio. God roept hen. Hij roept hen als zondaren die gerechtvaardigd moeten worden. Het Woord van de prediking heeft daarop aan te werken. De bediening van de sleutelmacht bedoelt niets anders dan binnen te brengen of uit te sluiten. Zondaren worden geroepen tot bekering. Zij worden ook geroepen tot heiliging en vemieuwing van heel het leven. De stem van God die ih de prediking doorklinkt, wil deze vemieuwing van het leven tot stand brengen. God roept hen tot zijn heerlijkheid. Ook dat aspect, waarop de verwachting van de gemeente gebouwd is, dient in de prediking naar voren te komen.

Waar de stem van God in de prediking gehoord wordt, daar komt metterdaad bekering, rechtvaardiging en heiliging tot stand. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God. Achter dat gehoorde Woord staat de roepende God, die zijn knechten gezonden heeft om het evangelie te verkondigen: Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van hen die vrede brengen (vgl. Rom. 10). Op deze manier kunnen we spreken van een “tegenover” van de prediking ten opzichte van de gemeente.

Maar die gemeente komt in de prediking niet alleen voor om te horen en gehoor te geven. Zij komt niet slechts voor om te horen wat de Geest tot de gemeente zegt, zij komt in de prediking ook voor als de gemeente die de zalving van de Heilige heeft (1 Joh. 2: 20, 27), die déze dingen weet en die niet van node heeft, dat iemand haar zou leren. De gemeente, de hoorders beschikken krachtens de roeping van God ook over de gave van de Geest. Daarom is het een vergissing om te menen dat het gebeuren van de prediking een soort eenmanswerk is, dat slechts een éénrichtingsverkeer kent. Wanneer de gemeente niet actief is in het horen van het Woord, in het ontvangen van het Woord der prediking, verschraalt het Woord en wordt het zelfs in de gemeente onder het gebeuren van de prediking Schaars, als in de dagen van de jonge Samuel. Sterker nog: indien de hoorders niet daders worden, die delen in de gemeenschap van het evangelie, en ook over de prediking kunnen oordelen en dat ook metterdaad doen, dan zal het Woord Gods spoedig ledig weerkeren tot de preekstoel. Dat betekent niet dat het ledig weerkeert naar de hemel, vanwaaruit het gezonden werd, maar het houdt wél in dat de vrucht op de prediking verschraalt.

In deze tweezijdigheid van het horen en het werkelijk ontvangen van het Woord Gods blijkt welk een macht de stem van God heeft. God zendt zijn Woord. Hij gebruikt daarvoor de prediker. Deze mag met volmacht, met gezag spreken tot de gemeente. Maar dit verkondigde Woord Gods blijkt te doen wat Hem behaagt. Het is voorspoedig tot hetgeen waartoe HIJ het zendt. Zo komen beide in de preek voor: de prediker die de eerste hoorder is van het Woord dat hij mag verkondigen, en de hoorder die hoort wat de Geest tot de gemeente zegt, en die als geestelijk mens zich in de prediking herkent en zelfs alle dingen kan en mag beoordelen, ook de prediking die geschiedt.

De prediker staat in een tegenover ten opzichte van de gemeente, hij is echter tegelijk door het Woord dat hij proclameert aan en met die gemeente verbonden. Dat moet hem het besef geven, dat hij in die gemeente thuis is. Hij mag er zelf toe behoren en hij mag zelf ook delen in het heil dat hij anderen verkondigt.

6. Alleen dan ontmoeten prediker en hoorder elkaar in de prediking, wanneer de Heilige Geest in de preek present is.

De Geest is de bruggenbouwer tussen kansel en kerkbank. We gaan hier een stap verder dan daarnet, toen wij het getuigenis van de Geest ter sprake brachten, zoals dit met betrekking tot het Woord dat gepredikt wordt, functioneert. De prediking mogen we beschouwen als een moment in het werk van de Geest, die ons toeëigent wat we in Christus hebben. De prediking is een middel van die genade, waardoor zondaren worden toegebracht en ook werkelijk wassen en toenemen in de kennis en de genade van Christus. In die zin genomen komt de preek voor als genademiddel in alle werk dat de Geest doet om Christus te verheerlijken. Prediken is daarom een hooggeestelijk werk.

Maar we komen verder wanneer we zeggen, dat de Geest ook dient voor te komen in de prediking. Wij brengen Hem ter sprake. Wij verkondigen Jezus Christus als de gekruisigde. Maar deze concentratie op Christus en zijn kruis alléén betekent niet dat we zwijgen over de Geest en zijn werk. Zou het zwijgen over het geheim van het werk van de Geest niet mede veroorzaakt hebben dat er een vacuum ontstaan is in de ervaringswereld van de gemeente?

Paulus spreekt over de bediening van de verzoening in 2 Cor. 5, nadat hij eerst heeft uiteengezet dat zijn dienst in de gemeente een bediening was van de Heilige Geest. Door zijn dienst zijn de gelovigen geworden tot levende brieven, leesbaar voor alle mensen. Maar zijn dienst was een bediening van de Geest, een bediening van het nieuwe verbond, een bediening niet van dood maar van leven. Waar de Geest is, daar is leven, daar ontstaat ook een levende gemeente, waar het gaat over vrijheid en heerlijkheid (2 Cor. 3:1-18).

Dit zullen grote woorden zijn en blijven, wanneer wij ze niet plaatsen binnen het werk van de Geest. Het manco aan geest en leven in de gemeente, het verstoorde contact tussen preekstoel en kerkbank, zou wel eens herleid kunnen worden tot een gebrek aan levende en bewuste aandacht voor de vrijheid van het werk van de Geest.

Een mens op de preekstoel zou moedeloos kunnen worden. Het is een bekend verschijnsel. Luther merkte eens op, dat hij vijfentwintig jaar had gepreekt en dat het bijna niets had opgeleverd. Tegelijk liet hij bij alles de uitkomst over aan God zelf. Paulus deed hetzelfde: nu ons déze bediening is toevertrouwd, verliezen wij de moed niet, maar hebben wij verworpen alle schandelijke praktijken, die het licht niet kunnen zien, daar wij niet met sluwheid omgaan of het woord Gods vervalsen, maar de waarheid aan het licht brengen en zo bij elk menselijk geweten onze eigen aanbeveling zijn voor het oog van God (2 Cor. 4:1,2). De schat zit weliswaar in een aarden vat. Zo wordt duidelijk dat de kracht van God is en niet van ons.

Maar die kracht mag ook ingewacht, zij mag ook verkondigd worden. Ook het werk van de Geest behoort bij de schat die in de prediking voor het oog, voor het hart én voor het gevoel van de mensen mag en moet opengaan. Zo wordt ook de emotionele ervaring van de mens betrokken bij het heil.

Wie Paulus leest op dit punt, wordt overtuigd dat zijn werk niet alleen bestond in het verkondigen van de gekruisigde Christus, de enige theologie, maar ook in het verkondigen van het werk van de Geest, als degene die ons met Christus verbindt. Dit werk behoort tot de prediking van de belofte: de Geest eigent ons toe wat we in Christus hebben.

7. De stem Gods in de prediking komt tot ons als een bestanddeel van het pastoraat als zodanig en als geheel.

Wij spreken over de stem van God in de preek en over de herkenbaarheid daarvan voor de gemeente. We dienen daarbij niet te vergeten, dat de preek als zodanig een klein stukje is, een onderdeel, van het pastoraat dat binnen de gemeente wordt beoefend. Het is de vraag of wij er goed aan doen, wanneer we de preek isoleren als het belangrijkste kerkelijke en geestelijke gebeuren, dat een mens kan meemaken.

We erkennen dat de situatie in onze kerken een ontwikkeling heeft meegemaakt in deze richting. Het zijn grotendeels preekkerken geworden. Door de perforate van de gemeentegrenzen, die vrijwel overal in ons kerkverband en in het gehele land plaats vindt, is er een overaccentuering van de prediking ontstaan. Een kerkelijke keuze wordt bepaald door de vraag wie waar op welke wijze preekt. Men hoort van mensen, jongeren en ouderen die hun attestatie op zak houden totdat zij hun keuze gemaakt hebben. Die hangt grotendeels af van de preek, die vanzelf ook een entourage heeft in liturgie en traditie, maar de preek is beslissend.

Dat deze ontwikkeling een isolement van de preek inhoudt behoeft geen betoog. Zij komt los te staan van het pastoraat, terwijl juist deze onderlinge relatie tussen preek en pastoraat voor beide van levensbelang zijn.

De leraar is ook de herder. Hij oefent zijn herderschap uit door zijn onderwijs uit en naar de Schrift. De leer van de kerk is naar oorspronkelijk reformatorische gedachte niets anders dan de prediking van het evangelie zelf. Zij staat, ook op de preekstoel, in dienst van het pastoraat. Wie de herderstaf opneemt over een gemeente, ziet zich geplaatst voor de taak om de gemeente te weiden. Het Woord is zogezegd de staf, het Woord is de weide, het Woord biedt de troost en het bevat vermaan. Maar het staat alles binnen het geheel van het herderschap.

Daarom doen we niet goed, wanneer we de preek losmaken van het geheel van het herderschap over de gemeente. De prediking behoort met de catechese, het huisbezoek, het gesprek in het gezin en de raadgeving onder vier ogen, tot het éne complex, dat samen het pastoraat over de gemeente uitmaakt. Als het erop aankomt dan wint de herder het van de leraar. Want de laatste heeft zijn funetie in dienst van de eerste. Christus is de grote Herder der schapen. Hij bracht de verstrooide schapen bijeen. Hij wilde door zijn sterven zelfs de verstrooide kinderen Gods vergaderen.

Een preek moet daarom landen in de pastorale gemeente. Met dit laatste bedoelen we geen mindering aan te brengen ten opzichte van de diaconale gemeente, of ten opzichte van de missionaire gemeente. We zien de preek als een wezenlijk bestanddeel van alle arbeid, die in de gemeente plaats vindt en die door God gebruikt wordt om de schare die niemand teilen kan, voor de troon te brengen en voor het Lam, dat een Leidsman zal zijn naar de levende fonteinen der wateren.

Deze visie op de preek, als onderdeel van een groter geheel is binnen onze kerken grotendeels verloren gegaan. Vandaar dat men een dienaar van het Woord dikwijls alleen beoordeelt naar de gaven die hij op de kansel ten toon weet te spreiden. Daarmee trekken wij een te hoge wisse! op wat daar gebeurt. Het kerkelijke leven zou aan gezondheid winnen, wanneer de visie op ambt en gemeente in deze richting zou kunnen worden bijgesteld.

8. Paulus spreekt over zijn prediking als een betoning van geest en kracht. Hij heeft daarmee het geheim van zijn verkondiging aangegeven.

We denken aan de bekende woorden van Paulus, waarin hij tegenover de wijsheid van deze wereld zijn getuigenis van God plaatste: “Ook ben ik, toen ik tot u kwam, breeders, niet met schittering van woorden of wijsheid u het getuigenis van God komen brengen. Want ik had niet besloten iets te weten onder u dan Jezus Christus en die gekruisigd. Ook kwam ik in zwakheid met veel vrezen en beven tot u; mijn spreken en mijn prediking kwam ook niet met meeslepende woorden van wijsheid, maar met betoon van geest en kracht, opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen maar op kracht van God” (1 Cor. 2:1-5).

De tegenstelling is duidelijk: zij is gelegen in de wijsheid met haar meeslepende woorden én de dwaasheid van het evangelie, waarin zich echter de kracht van God openbaart. Tegenover de menselijke wijsheid, die met allerlei op zichzelf boeiende middelen de geesten tracht te winnen, staat de geest en de kracht van God. Wanneer Paulus vandaag de tegenstelling zuiver zou stellen zou hij tegenover het auditieve het visuele stellen, tegenover het gesproken woord de zichtbare verbeelding, die bij de mens een reactie tot stand moet brengen. Maar in feite is dan het gewicht verplaatst. Het is dan niet meer te doen om de boodschap, maar om de presentatie; niet meer om de inhoud maar om de vorm.

Laat ik duidelijk mogen zijn: de vorm waarin de boodschap wordt aangeboden is van eminent belang. Christus is geboren en in de kribbe gelegd. Dat hangt samen met het wezen van het evangelie van het kruis. Maar dit wil niet zeggen, dat de vorm waarin het evangelie gepredikt wordt niet van betekenis is. Het is zelfs de vraag of wij de wendbaarheid bezitten waarover Paulus beschikte die de Joden een Jood, de Grieken een Griek en iedereen alles wilde zijn, opdat hij er enigen zou mogen winnen. De presentatie van het getuigenis is niet zonder betekenis. Maar zij komt niet in woorden van menselijke wijsheid. De gemeenten zijn soms al te kittelachtig van gehoor. Het is de vraag zelfs of de verveling waarmee men naar een prediker luistert, niet samenhangt met het feit dat men zich verveelt aan de boodschap van het evangelie. Wie of wat zou ons dan nog werkelijk kunnen boeien? Als het geweidige evangelie ons niet vermag te grijpen, welke kunstgreep van welke prediker kan dan onze aandacht gevangen houden? En wat voor aandacht of wat voor belangstelling is het dan nog wel?

Wie het in de kerk wil opnemen tegen de one-man show, waarmee een cabaretier zijn zaken verkoopt, heeft bij voorbaat de strijd verloren. Heeft hij het evangelie nog wel in het vaandel?

Geest en kracht: zij geven ons ook de gelegenheid om ten opzichte van de gemeente en haar onderlinge verhoudingen eerlijk te zijn. Paulus spreekt juist tot de gemeente van Corinthe met een innerlijke vrijheid, getuigend tegen de zonde van de verdeeldheid, van de overgeestelijkheid en hoogmoed. Paulus had juist met deze gemeente het geding te voeren omtrent zijn roeping. Men dwong hem om zijn papieren te tonen. Wat kon hij anders zeggen dan dat die gemeente zelf het bewijs was van zijn zending. Het geheim van zijn optreden lag in de kracht, waarmee hij zich door God geroepen wist: “De liefde van Christus dringt ons”. Die liefde heeft hem harde woorden doen spreken aan het adres van de gemeente, maar toch zo, dat de droefheid naar God ontstond, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid.

9. Wat moet er gebeuren als dienaar en gemeente op elkaar zijn uitgekeken of in een conflictsituatie leven?

Als men wil, kan er gezegd worden dat de gemeente van Corinthe op haar dienaar was uitgekeken en dat de onderlinge verhoudingen verstoord waren. Maar de apostel heeft ook in die situatie geen ander middel weten te hanteren dan de prediking van het evangelie zelf.

Als wij te maken krijgen met een verstoorde relatie tussen dienaar en gemeente, omdat zij op elkaar zijn uitgekeken, of als wij ons afvragen of er van een gezagvolle prediking sprake kan zijn wanneer dienaar en gemeente met elkaar in een conflictsituatie leven, dan hebben we de verhoudingen af te meten en te beoordelen naar déze maatstaf. Is de prediking van het evangelie zelf in geding, of hebben we te maken met onhandigheden, met psychologische blunders, met een hardvochtig en hoogmoedig optreden, waarbij de gemeente niet meer in staat is om achter de prediker te kijken naar de zender, en waarin de dienaar niet meer kan funetioneren als dienaar van Christus.

Laten we niet te gemakkelijk zeggen, dat de dienaar dan toch maar door God geroepen is en dat die roeping boven water moet blijven, ook al zou de gemeente als zodanig verscheurd en uit elkaar gerukt worden. De roeping tot het ambt kent drie factoren: begeerte, bekwaamheid en ook de mogelijkheid om in een bepaalde situatie te funetioneren. Onze vaderen hadden er oog voor, dat het mogelijk was dat deze drie factoren niet altijd even helder waren. Ze hebben menigmaal een predikant tegenover zijn gemeente in bescherming genomen. Maar zij hebben ook niet geschroomd om de band tussen een dienaar en een gemeente bij geheel verstoorde verhoudingen te ontbinden door hem los te maken van een gemeente, of door hem eenvoudig te verplaatsen naar een andere gemeente.

Ik zeg deze dingen om duidelijk te maken dat het inzicht dat ambt en gemeente op elkaar betrokken zijn voor de prediking van onschatbare betekenis is. Het ambt is niet absoluut, d.w.z. het staat niet op zichzelf. Het functioneert niet los van een gemeente. Wanneer het tussen gemeente en dienaar niet strookt en er een situatie is ontstaan waarin enkel stenen de akker bedekken, dan moeten deze eerst geruimd worden. De gedachte mag niet heersen dat de gemeente er is ten behoeve van de dienaar. Maar, nog eens, wanneer het evangelie werkelijk in geding is, wanneer het om die boodschap der genade gaat, die in de sleutelmacht van de kerk bediend moet worden, dan kan de dienaar niet toegeven. Dan heeft de kerkeraad om hem heen te staan. Dan zal ook het kerkverband een beveiliging vormen, opdat het Woord der genade onbelemmerd zal kunnen blijven klinken. En het getuigenis van God zou kunnen vernomen worden in geest en kracht.

10. Na al hetgeen gezegd is, lijkt het onnodig om lang stil te staan bij de vraag: Wat moet een gemeente en wat staat een kerkeraad te doen als bij elke tekst steevast dezelfde preek wordt gehouden in de vorm van een vaste schematische uiteenzetting van geestelijke noties?

De eerste gedachte die hier boven komt, is: hoe staat het met de predikant? Het is een vraag die gesteld wordt tijdens de kerkvisitatie en wel, wanneer de dienaar buiten staat: studeert hij goed. De kwestie is namelijk of de dienaar de moeite neemt om zich voor te bereiden op de prediking door een grondige exegese te plegen. Wie niet studeert is niet bekeerd; het is een woord, dat F.P.L.C. van Lingen graag citeerde als gesproken door dr. Gunning. Prof. J.J. van der Schuit hanteerde dezelfde spreuk herhaaldelijk. Er is niets tegen om bij deze oude waarheid te blijven. Het is onvoorstelbaar, dat men uit de schat van het Woord niet telkens weer nieuwe en oude dingen tevoorschijn brengt. Let wel: de nieuwe dingen gaan voorop (Matt. 13: 52). Nieuwe schatten moeten worden opgedolven uit het Woord, en ook dat vereist een arbeid in het zweet uws aanschijns.

Het is eigenlijk ook onverklaarbaar, dat men uit de Schriften niet die nieuwe dingen begeert aan het licht te brengen, die ook het hart van de prediker zelf verrassen. Het behoort tot het voorrecht van zijn ambt dat hij de eerste mag zijn die van zijn arbeid geniet.

Het rijmt zich evenmin met de arbeid van de Heilige Geest, wanneer een vaste schematische uiteenzetting wordt gegeven, waarin het systeem overheerst van “hoe een mens bekeerd wordt”.

Ook in dit opzicht biedt de Schrift zoveel aan geestelijke rijkdom, dat het thema van de oprechte bekering heus niet tot eentonigheid moet leiden.

Zoals de vraag tijdens de kerkvisitatie al suggereert, ligt hier allereerst een taak voor de kerkeraad. Het gesprek over de prediking behoort een vaste plaats te hebben op de vergaderingen van de kerkeraad. Dáár dient de methode, de inhoud, de presentatie en ook de geestelijke verwerking van de prediking aan de orde te komen in een broederlijk gesprek.

De kerkeraad behoeft geen oude talen gestudeerd te hebben om te weten of de predikant er wél weet van heeft. De tekst moet verklaard. Zij moet toegepast. En het moet zo geschieden, dat daarin het Woord van God uit die enkele tekst, en tegelijk de boodschap van de genade in zijn verrassende volheid op de dienaar en de gemeente afkomen. Het Woord moet klinken. Het eeuwige evangelie dient vertolkt te worden. En het kan alleen, ook vandaag, bij alles wat veranderd is en wat nog veranderen zal, wanneer de dienaar achter het Woord staat en zich tegelijk door het Woord met de gemeente verbunden weet.

Dan is er moeilijk iets rijkers te bedenken, dan dienaar te mogen zijn van het evangelie van Gods genade. Waar de Geest van Christus de kracht der genade doet werken, daar zal de gemeente ook altijd weer de verrassende rijkdom van het evangelie ervaren.

Luther eindigde zijn preken, zegt men, met de woorden, waarmee hij voor keizer en rijksdag, de gehele wereld van zijn dagen zich verantwoordde. Het tekent hem in de kracht van het Woord: Hier sta ik. Ik kan niet anders. God helpe mij. Amen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.