+ Meer informatie

TERUGBLIK OP DE AMBTSDRAGERSCONFERENTIE van 24 oktober 1981

12 minuten leestijd

In het vorige nummer van Ambtelijk Contact waren de inleidingen van dr. W. van ‘t Spijker en dr. W.H. Velema over „Huwelijk en andere samenlevingsvormen” vervat. Aan het slot werd in uitzicht gesteld dat in het volgende nummer een samenvatting zou worden gegeven van het referaat van dokter M. Dorrestein en van de discussie die daarop volgde. Misschien mag daaraan een enkele algemene indruk voorafgaan.

Hoewel getallen in de kerk van Christus niet alleszeggend (mogen) zijn, was het toch zeer verheugend dat een ongekend groot aantal ambtsdragers naar Amersfoort was gekomen. Onder hen mengden zich ook nogal wat belangstellende broeders en zusters uit de kerken, terwijl ook jongeren van hun belangstelling lieten blijken.

De vele positieve reacties na afloop van de conferentie hebben bij het comité en bij de inleiders de indruk bevestigd dat de dag een goed verloop heeft gehad. Bij alle verschil in opvatting en benadering bleef de goede sfeer, zoals onder christenen betamelijk is, bewaard. Persoonlijk heeft mij het meest getroffen de reactie van een homofiele jongere uit onze kerken. Hoewel hij het niet met alle stellingen van de inleiders eens kon zijn, waren de mildheid en de pastorale bewogenheid die de referaten kenmerkten, erg sympathiek op hem overgekomen. Hij voegde er aan toe dat voor hem nieuw en opzienbarend was dat in samenkomsten van de ambtsdragers van onze kerken behalve zwaarwichtig gediscussieerd ook gelachten kon worden. Uit deze reactie mag worden geconcludeerd dat de conferentie in een ontspannen sfeer is verlopen en dat mag als een verhoring van het openingsgebed worden gezien.

Herkomst van de sexualiteit

In het referaat dat dr. Dorrestein aan het begin van de middagvergadering uitsprak stond de vraag naar de mogelijke herkomst van de homosexualiteit centraal. De inleider zette in met de opmerking dat het hem bevreemdt hoe men zich bij de afwijzing van homosexualiteit vooral op het Oude Testament beroept, terwijl toch ook het Nieu-we Testament in afkeurende zin erover spreekt. In dit verband verwees dr. Dorrestein naar 1 Romeinen 1 : 27 en naar 1 Corinthe 6:10. Met name in het laatstgenoemde bijbelgedeelte wordt gesproken van hoereerders, afgodendienaars, overspelers, schand- jongens en knapenschenders, die het Koninkrijk Gods niet zullen beérven. Maar - aldus de inleider - er volgt op: „sommigen uwer zijn dat geweest. Maar gij hebt u laten afwassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd door de naam van de Here Jezus Christus en door de Geest van onze God”. Met een beroep op dit en andere bijbelgedeelten verdedigde de inleider dat wij homosexualiteit niet als ongeneeslijk mogen beschouwen. We doen tekort aan de kracht van Jezus Christus als we de vergeving en genezing van homosexualiteit voor onmogelijk houden. Afgezien van wat de Heilige Schrift erover zegt, hield dr. Dorrestein het er op dat er ook wetenschappelijk gezien grond is voor de stelling dat er maar weinig aangeboren homofilie bestaat. In veel gevallen gaat het om een neurotische ontwikkeling in de vroegkinderlijke leeftijd. Aangeboren homofilie is hoge uitzondering. Zij komt veeleer tot ontwikkeling door opvoeding, door gebeurtenissen en ervaringen in de jeugd. Op dit punt is de moderne psychiatrie in twee kampen verdeeld, maar de meest gezaghebbende psychiaters zijn de mening toegedaan dat de meeste homofilie niet is aangeboren en daarom - hoe moeilijk ook - geneeslijk is. Verworven homofilie houdt in dat zij in principe te behandelen is. Wij kunnen onze homosexuale naaste geen groter schade doen dan wanneer wij hem op dit punt als een hopeloos geval beschouwen. Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God. Tot de geneeswijzen behoort dat contacten met andere homosexuelen zoveel mogelijk worden vermeden. In dit verband trok de inleider een vergelijking met de ontwenning van drugsverslaafden. Bij de therapie die men daarbij volgt, zal men ex- verslaafden ontraden contacten met verslaafden te zoeken of te onderhouden.

Indringende vragen

Uit de indringende vragen die ter afsluiting van de morgenvergadering aan de inleiders dr. Van ‘t Spijker en dr. Velema waren gesteld, ‘s middags aangevuld met vragen aan het adres van dr. Dorrestein, werd duidelijk dat dit thema van de conferentie de ambtsdragers in hun ambtelijke praktijk bezighoudt en voor problemen plaatst. In grote openhartigheid werden door enkele conferentie-gangers ook vragen vanuit de eigen gezinssituatie gesteld. De vragen waren van uiteenlopende aard. Wel tekenden er zich enkele duidelijke lijnen in af. Wat de bespreking ook aantoonde, was dat er binnen onze kerken met name over de homofilie niet gelijk wordt gedacht. Uit eerdere publikaties was dat al duidelijk geworden, maar op de conferentie werd dat nog eens bevestigd.

Bijbelse regels en wetten ons ten goede

Van drie kanten uit de conferentie kwam de vraag of homofielen in de gemeenten niet in vrijheid hun gang moeten kunnen gaan. Wanneer zij het goed met elkaar hebben en vanuit hun behoeften geluk bij elkaar vinden, moet je daar dan eigenlijk niet blij mee zijn? De bijbelse regels en wetten zijn er toch ons ten goede, namelijk om ons ruimte te geven? In dit verband werd gerefereerd aan de uitspraak van de bijbel dat de liefde de ander geen kwaad doet. Dit komt tot uitdrukking in alle geboden. Homofielen doen in hun onderlinge relatie de ander toch geen kwaad? Waarom hun dan een verbod tot praktizeren opgelegd?

Dr. Velema begon de beantwoording van deze vraag met de opmerking dat het hem niet gemakkelijk was gevallen zich voor de behandeling van het conferentie-thema beschikbaar te stellen. Afgezien van de scherpe verschillen van inzicht en de kritiek die men bij welke stellingname dan ook naar zich toehaalt, betreedt men een terrein waarop het gaat om mensen in hun meest intieme relaties. De nood dringt ons echter er over te spreken en daarom had hij de uitnodiging durven aanvaarden.

De opmerking dat de bijbelse wetten en regels toch allereerst en vooral bedoeld zijn om heil in het leven van de mensen te brengen achtte dr. Velema karakteristiek voor onze tijd en voor onze samenleving. Die samenleving is hedonistisch ingesteld, dat wil zeggen sterk gericht op lustbeleving. Mensen willen graag doen wat zij prettig vinden en zouden daarin door de bijbelse regels graag gedekt zijn. Gods geboden hebben echter niet als uitgangspunt wat mensen prettig vinden. Dat geldt zowel voor homofielen als heterofielen. De laatsten kunnen ook maar niet ongeremd hun behoeften bevredigen. De nadruk ligt nu sterk op de behoeften van homofielen, maar worden zij daardoor niet ten onrechte in een uitzonderingspositie geplaatst? Wat te denken van jonge weduwen en weduwnaars? En is er soms ook onder getrouwden niet een behoefte aan „meer”? Naar het oordeel van de inleider wordt in onze samenleving te veel uitgegaan van het behoefte-element en dat verdraagt zich niet met de geboden Gods.

Vrij diep ging dr. Velema in op de homofiele geaardheid, die hij als een raadsel en als een kruis in de schepping aanmerkte. Homosexueel verkeer kan niet als een variant van de geslachtsgemeenschap tussen man en vrouw worden gezien. Het is een deviant (afwijking) daarvan. Geslachtelijk verkeer tussen twee personen van hetzelfde geslacht kan moeilijk anders worden gezien dan als een situatie van disharmonie tussen twee lichamen. De lichamelijke incongruentie (ongelijkheid), waarvan sprake is bij man en vrouw, ontbreekt. Overigens stelde dr. Velema met veel nadruk dat we in de gemeente van Christus niet voorbij mogen zien aan de zonde(n) die binnen het huwelijk van man en vrouw wordt bedreven. Die krijgt wel eens te weinig aandacht.

Gespreksgroep

In zijn inleiding was door dr. Velema de instelling van een gespreksgroep voor homofielen in onze kerken bepleit. Op de vraag of hem hier een gespreksgroep voor niet-prak- tizerende en praktizerende homofielen voor ogen stond, antwoordde de inleider dat hij de homofielen graag uit hun eenzame en geïsoleerde positie gehaald zou zien en dat de gespreksgroep daartoe als een geéigend middel kan worden gezien. Voorshands achtte dr. Velema het niet gewenst in onze kerken praktizerende en niet-praktizerende in éénzelfde groep samen te brengen. Onder de conferentiegangers waren enkelen die een gespreksgroep minder gewenst achtten en een individuele benadering van de homofiel voorstonden. Zij beriepen zich op wat dr. Van ‘t Spijker in zijn inleiding had gezegd over het verborgen houden van de homofilie. Deze maakte duidelijk dat hij daarbij had gedoeld op het gemak waarmee in onze tijd alle intimiteit op sexueel gebied maar in de openbaarheid wordt gebracht, met alle gevolgen van dien. In de situatie die rond de homofilie is ontstaan, kon hij zich in de suggestie van zijn collega Velema echter geheel vinden.

Kernhomofilie

Uit de inleiding van dr. Dorrestein hadden enkele vraagstellers de indruk overgehouden dat deze de homofiel ziet als gehandicapte, die van zijn handicap moet en ook kan worden genezen. In het midden latend of het percentage „kernhomofielen” werkelijk zo klein is als dr. Dorrestein wilde doen geloven (ca. 1 procent), werd de aandacht van deze inleider gevraagd voor het feit dat de hedendaagse psychiatrie op zijn minst sceptisch staat t.o.v. de mogelijkheden van genezing. Wanneer dan de perifere homofilie (niet die uit aanleg voorkomt) geneeslijk is, waar moet men dan zijn voor die genezing? Tot wie kan men zich wenden? Moderne psychiaters, ook van christelijke origine, staan veelal op het standpunt dat er maar twee mogelijkheden zijn: òf het gaat over öf men moet er net als bij linkshandigheid maar mee leren leven.

In zijn antwoord gaf dr. Dorrestein een verduidelijking van het begrip „kernhomofilie”, een begrip dat thuishoort in de velden van wetenschappen als de psychologie, de psy-chiatrie, de biologie en de filosofie. Kernhomofilie moet niet worden gehouden voor homofilie die in erfelijke aanleg aanwezig is, maar die in de vroegste kinderjaren tot ontwikkeling komt. Men heeft het ook bij „kernhomofilie” dus over verworven homofilie en die is in beginsel geneeslijk. Dat het echter een moeilijke weg is en dat men een goede psychiater niet om de andere deur vindt, stemde dr. Dorrestein toe. Dat hoeft - aldus de inleider - niet te betekenen dat we niet naar wegen tot genezing moeten zoe-ken. Laat men eens beginnen met een goede psycholoog te praten.

Interpretatie 1 Corinthe 6:10

Van theologische zijde werd getwijfeld aan het beroep dat dr; Dorrestein aan het begin van zijn inleiding deed op 1 Cor. 6 : 10, waar gesproken wordt over schandjongens en knapenschenders. Kan men de hier genoemde categorieén zomaar gelijkstellen met homofielen en ongekeerd? Veeleer valt bij dit Schriftwoord te denken aan pedofielen, aldus de vraagsteller.

Veel praktische vragen

De vragen die dr. Van ‘t Spijker ter beantwoording kreeg, waren in veel gevallen van praktische aard en hadden vooral betrekking op de alternatieve samenlevingsvormen. Een vraag waarmee kerkeraden van tijd tot tijd kennelijk te maken krijgen, was: wat moet de kerk aan met een vraag om huwelijksbevestiging van twee mensen die een tijdlang hebben samengeleefd en die recht-op-neer-verklaren daarvan geen spijt te hebben. Men leefde wellicht om pragmatische redenen een tijdlang samen. Nu die redenen niet meer gelden, wil men de reguliere weg van het huwelijk kiezen.

Dr. Van ‘t Spijker stelde dat er alleen maar reden is de oude lijn van de kerk vast te houden, hierin bestaande dat de wettigheid van het huwelijk wordt voorgestaan. Als de kerk daarin uitgangspunt kiest, wordt zij in een lastig parket gemanoeuvreerd wanneer zij te maken krijgt met mensen die om huwelijksbevestiging vragen zonder sporen van spijt over de voorgaande jaren van ongetrouwd samenleven. Wanneer na een gesprek daarover alle inzicht blijkt te ontbreken, zal de kerk er goed aan doen de aanvraag niet te honoreren. Door dit wel te doen zou de kerk de schijn op zich laden een verkeerde toestand te bevestigen. In een tijd van uitslijtend normbesef zal de kerk zich ook op dit punt hebben te richten naar het apostolische woord: „gij geheel anders”.

Ds. A. van der Veer mengde zich hier in de discussie met de opmerking dat hij in deze opstelling een zekere eenzijdigheid meende te moeten constateren. Zonder voor het hele land te kunnen spreken durfde hij vanuit zijn eigen en anderer pastorale ervaring te stellen dat ook onder ons zeker tachtig procent van de jongens en meisjes voorechte-lijk geslachtsverkeer kent. Wordt daarnaar bij een aanvraag om huwelijksbevestiging indringend geïnformeerd? Eigenlijk zou dat wel moeten gebeuren en dan zou het consequent zijn bij het ontbreken van berouw dezelfde opstelling te kiezen als nu wordt geadviseerd voor degenen die ongetrouwd samenwoonden. Is deze gedragslijn dus wel helemaal eerlijk? In de eigen gemeente - aldus ds. Van der Veer - geldt de regel dat de ker- keraad samenwonenden, die huwelijksbevestiging vragen, verzoekt eerst een aantal maanden uit elkaar te gaan. Het is misschien geen ideale oplossing maar tegenover de gemeente wordt in elk geval getoond dat de kerk de voorafgaande situatie niet wenst te sanctioneren.

Benadrukt werd hoe nodig het is dat in prediking en catechetisch onderwijs aan deze zaken aandacht wordt gegeven.

Overigens bleek ter conferentie dat ten deze de praktijk in de kerken verschillend is. Sommige predikanten en kerkeraden informeren bij huwelijksaanvragen wel degelijk naar de heilige omgang met elkaar in de voorbije tijd. Op veel plaatsen gebeurt dat niet. In dit verband maakte dr. Van ‘t Spijker nog de opmerking dat de kerk het niet tot haar taak moet rekenen in deze sfeer van persoonlijke intimiteit al te indringend te informeren. Hier past enige schroom. Als het goed is, geeft de prediking genoegzaam aan hoe wij hebben te wandelen. Dan ligt de verantwoordelijkheid bij hen die de prediking horen. Alles te weten is ook niet goed, aldus dr. Van ‘t Spijker, die er in dit verband nog op wees dat in de Kerkorde onderscheid wordt gemaakt tussen openbare en heimelijk bedreven zonden.

Het kruis opnemen en Hem volgen

Het laatste antwoord op de laatste vraag is in deze conferentie niet gegeven. Dat was ook niet het oogmerk. De bedoeling was binnen onze kerkgemeenschap in christelijke broederschap over deze zaken een gesprek op gang te brengen dat wellicht in kleinere verbanden vervolg kan vinden.

Ook op deze conferentie is duidelijk gevoeld hoezeer wij in alle menselijke verhoudingen met de breuklijn van de zonde te maken hebben. Met betrekking tot het huwelijk werd door dr. Van ‘t Spijker op enig moment de bekende zin uit het oude huwelijksformulier geciteerd: „Hoezeer dan ook de getrouwden gemeenlijk velerhande tegenspoed en kruis vanwege de zonde overkomt, zo mogen zij evenwel in hun harten verzekerd zijn van de gewisse hulp Gods in hun kruis en leven in het vertrouwen dat Hij hun zijn bijstand altijd wil bewijzen, ook wanneer men zulks allerminst verwacht”.

Christus heeft wellicht ook de moeilijkheden op het terrein van huwelijk en homofilie op het oog gehad, toen Hij Zijn kerk het woord „kruis” aanreikte. Wij mogen ze er in elk geval in besloten achten als we denken aan Jezus’ woorden: Indien iemand achter mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme dagelijks zijn kruis op en volge mij (Lucas 14 : 27).

In de kerk mogen wij ons getroost weten en elkaar bemoedigen met de zekerheid dat de genadige en barmhartige God van al onze moeilijkheden en persoonlijke geheimen weet heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.