+ Meer informatie

Het diaconaat in discussie V

7 minuten leestijd

Eerste ontwikkeling

Belangrijk is de vraag naar de eerste ontwikkeling van het diaconale werk. Wij vinden in het nieuwe testament echter geen gedetailleerde beschrijving van wat er in de eerste gemeente omging. Het boek van de Handelingen der apostelen geeft ons veel meer te zien hoe de Here Zijn kerk uitbreidde in de doorstoot van het evangelie. Slechts nu en dan wordt gewezen op bepaalde situaties. Hetzelfde geldt van de brieven der apostelen. Wat wij vinden is echter voldoende om Gods bedoeling te kennen ten aanzien van het ambt van diaken en de praktijk van het diaconale werk.

Als de apostel Paulus zich richt tot de Fi-lippenzen, dan noemt hij de opzieners en diakenen apart. Zie de aanhef van zijn brief. Kennelijk was er in Filippi vanaf het begin een goed georganiseerd kerkelijk leven. Er waren ambtsdragers, die door de apostel erkend werden als de leiders van de gemeente. Leiders in de rechte zin, die zich geroepen weten om te dienen. Het gaat niet om een kerkelijke of priesterlijke hiërarchie, maar om de ambtelijke dienst, waardoor het de Here belieft Zijn kerk te leiden.

Het valt op, dat opzieners en diakenen duidelijk onderscheiden worden. Het apostelambt is tijdelijk. Het maakt geleidelijk aan plaats voor de twee ambten hier genoemd. In de aanspraak van opzieners en diakenen door de apostel zelf vinden wij bewijs van de Goddelijke orde. Wat bovendien opvalt is het meervoud. Het gezag, dat Christus over Zijn kerk uitoefent wordt niet samengetrokken in één persoon. De Schrift wijst in het Nieuwe Testament meermalen op het gevaar van het gaan heersen over de gemeente.

In de eerste brief aan Timotheus, hoofdstuk 3, spreekt de apostel ook over opzieners en diakenen. Het gaat daar over de vereisten tot het ambt. Duidelijk is hieruit, dat het diakenambt in de tijd waarin Paulus zijn brief aan Timotheus schreef een algemeen erkend ambt was, evengoed als het ambt van de ouderling. Niet ieder lid van de gemeente kan als zodanig dienen. Er zijn vereisten, waaraan men moet voldoen. Het gaat hierover nu niet in speciale zin, zodat ik hierover niet uitweid.

Hoe het diaconaat die eerste tijd precies functionneerde is moeilijk vast te stellen. Te weinig wordt ons medegedeeld over de interne aangelegenheden van de plaatselijke gemeenten, die in een vrij kort tijdsbestek werden gesticht. Ook uit andere bronnen, naast de H. Schrift, kunnen we weinig opdiepen uit de diaconale praktijk.

Het fundamentele is echter duidelijk. Kan duidelijk zijn voor iedereen. Het diaconaat was een afzonderlijk ingestelde ambtelijke dienst, wel onderscheiden van de dienst, die de ouderlingen werd toevertrouwd.

Sommigen menen, dat de diaken in de eerste tijd meer een ondergeschikte plaats in nam. Zij zien hem meer als toegevoegd aan de opziener, om hulpdiensten te verrichten. Dit raakt de eenheid der ambten, waarover in onze tijd veel gesproken en geschreven is. Algemeen is men nu wel de gedachte toegedaan van de eenheid. Toch komt het niet voor, dat iemand die als ouderling heeft gediend, later tot diaken wordt gekozen. Dit zal meer uit praktische dan uit principiële overwegingen zijn.

Gevoegelijk kan worden gesteld, dat het diakenambt wel onderscheiden was van het ambt van ouderling en als zodanig algemeen werd erkend. Het een is niet ondergeschikt aan het ander. Beide dienen op hetzelfde niveau. Het hieraan te kort doen vindt nergens grond in de bijbel. Wat de mensen er in de loop van de tijd van gemaakt hebben blijft voor eigen verantwoording. Iedere ambtsdrager moet oog hebben voor het karakter van zijn ambt en de gemeente als geheel moet zich er van bewust zijn dat, hij samen met de andere ambtsdragers dient tot het welzijn van de kerk, daartoe geroepen door het Hoofd van de kerk. Dit laatste is van grote betekenis. Al te gemakkelijk laat men het kerkelijk beleid over aan hen, die geroepen zijn om leiding te geven. De ogenblikken, die gelegenheid geven om een woord mee te spreken, worden benut voor kritiek. Men gevoelt zich niet samengebonden in de éne dienst van de Koning der kerk, althans niet voldoende.

Er is onderscheid. Meestal is er een goede kern van kerkleden, die meeleven en mee-dienen. Daaromheen is een grotere of kleinere groep van leden, die de zaken van het kerkelijke leven teveel op hun beloop laten. Ik begrijp goed, dat de theorie hier heel wat eenvoudiger is dan de praktijk. Als het kerkelijke leven in stand blijft, dan zijn we al blij en dankbaar. Hoe zullen wij de gemeente dan brengen tot verhoogde activiteit en intenser meeleven en meedie-nen? De opzieners en diakenen staan voor een enorme taak om leiding te geven en voorop te gaan in die dingen waarin men kan uitkomen als gemeente des Heren.

Vooral in deze tijd moet met veel tact en wijsheid te werk gegaan worden om te bouwen en te bewaren, zonder in uitersten te vervallen. Et zal een levend contact met de Here der kerk moeten zijn, om van Hem te vragen en te ontvangen wat daartoe nodig is, om Hem te laten werken in en door ons.

Het begrip „diaken”

Het woord „diaken” is afgeleid van het Griekse woord diakonos. Het werd in de dagen van het Nieuwe Testament in verschillende zin gebruikt. Te denken is b.v. aan iemand die de tafels diende; iemand die bij een ander in dienst is. Hoofdzakelijk waren er drie betekenissen. De gewone, bedoelend iemand die voor een ander dient of werkt. De tweede, wijzend op een geestelijke of zedelijke relatie, waarmee iemand gebaat is. De derde, betrekking hebbend op een kerkelijk ambt naast dat van ouderling.

Vele woorden in het Nieuwe Testament zijn gebonden aan het begrip diaconos. De dienst of bediening als zodanig heet diakonia (ons diaconaat).

Diaken is een prachtnaam, een erenaam. Hij is dienaar van Christus. Zijn werk komt de gemeente ten goede, in het bijzonder de behoeftigen. Zijn dienst bestaat echt in dienen. Christus Zelf wilde heel speciaal diaken zijn. Hij is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen. Hij ging daarin het verst en het diepst en het was Hem een vreugde.

In de meeste gevallen, waarin het nieuwe testament het begrip „dienen” gebruikt, is sprake van een daad van liefde en barmhartigheid. Er is te veel om op te noemen. Het is stellig nodig ons in het beschrevene regelmatig te verdiepen. Wij lezen iedere dag in de bijbel, gelukkig, maar laten wij wat wij lezen voldoende op ons inwerken, om onderwezen te worden in wat tot onze dienst behoort? Uiteindelijk zijn alle ware gelovigen in zekere zin diaken, die elkaar dienen om Christus’ wil. Alle werk van de kerk is „dienst”, zal het goed zijn. Zij die Christus volgen zullen de kracht van Zijn liefde en genade moeten tonen in het elkaar gewillig en met vreugde dienen. Dit maakt het noodzakelijk zich eerst aan Hem te geven. Hij rekent immers alles wat aan de Zijnen gedaan wordt als te zijn gedaan aan Hem.

Op dit beginsel rust het diakenambt.

In speciale zin draagt deze ambtsdrager die naam. Zijn ambt wortelt in de roeping, die alle gelovigen hebben om barmhartigheid te tonen. Hij heeft de gelovigen op te wekken en voor te gaan in de vervulling van die roeping.

Wij moeten nog veel leren, niet minder dan de discipelen van de Here Jezus in hun tijd van opleiding. Zij ijverden voor een ereplaats, de eeTste plaats.

In Mattheus 20 krijgen zij en wij een ernstige les. Wij zijn te werelds en zoeken daarom te heersen en macht te oefenen. Echt groot zijn komt hierin uit, dat wij zoeken de eerste te zijn in het dienen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.