+ Meer informatie

SUBSIDIËRING VAN DE KERKENBOW* (SLOT)

17 minuten leestijd

In het laatste hoofdstuk zet dr. Verplanke zich tot de beoordeling van de onderhavige kwestie. Na opgemerkt te hebben dat voor de tweede wereldoorlog deze zaak slechts een enkele maal aan de orde kwam en dan vrijwel algemeen in afwijzende zin onder ons werd behandeld gaat de schrijver in op de argumenten „pro” hoofdzakelijk aan de hand van het rapport van de commissie-Sassen.

Basis voor de visie op de argumenten in dit rapport (evenals elders) te berde gebracht, is de stelling dat de overheid primair zich heeft af te vragen of de te subsidiëren activiteit van zodanige aard en betekenis is, dat het algemeen belang zou worden geschaad indien deze activiteit bij gebrek aan financiële middelen niet zou kunnen worden ontwikkeld, en of voorts de private samenleving niet in staat is voldoende middelen bijeen te brengen. De rechtsgrond voor subsidiëring ligt dus in het „algemeen belang”. De vraag blijft onbesproken op welke wijze de overheid volgens objectieve normen dat „algemeen belang” dient vast te stellen. Is „algemeen belang” identiek aan een door allen erkend belang? Een nauwkeuriger omschrijving van wat objectief onder „algemeen belang” moet worden verstaan had m.i. niet mogen ontbreken. Dit geldt mutatis mutandis ook van het tweede: het tekort aan eigen middelen. Natuurlijk is een aanwezig tekort zonder meer vast te stellen, althans een financieel ondeskundige zelfs zal daarmee niet zoveel moeite hebben, maar „het niet in staat zijn ondanks krachtige eigen inspanning, om voldoende middelen bijeen te brengen” is weer een tamelijk subjectieve aangelegenheid.

De commissie-Sassen voerde een achttal argumenten aan, waarvan er één betrekking had op de rechtsgrond, zes op de financiële onmacht der kerken en één op de tussen de kerken bestaande eenstemmigheid over de wenselijkheid van en de motieven voor subsidieverlening.

Dr. Verplanke wil het openbare belang van een krachtig kerkelijk leven op zich zelf niet ontkennen (in het Kerkblad voor het Noorden, 6de jrg. blz. 385, ontkent hij dat zulk een leven „van belang” is, en stelt met nadruk dat het „eis” is. nl. dienst van God die vrijwillig moet worden verricht; slechts als de kerk kerk d.i. openbaring van het lichaam van Christus is, zal zij „van openbaar belang” kunnen zijn, maar dan wordt zij eerder verdrukt dan geacht), maar is van oordeel dat de commissie wel de wenselijkheid van subsidiëring heeft gesteld, maar niet heeft bewezen bij alle waardering van de positieve waarde die aan een krachtig kerkelijk leven kan worden toegekend voor de staatsgemeenschap. Met deze waardering is echter bovendien nog niet bewezen dat het van zodanig openbaar belang is dat het financieel gesteund moet worden. Beslissend is hier welke waarde men hecht aan volstrekte zelfstandigheid en onafhankelijkheid van de kerk tegenover de staat, aldus dr. Verplanke. Wie subsidie ziet als een gift, zal wellicht zo'n overheidsbijdrage niet direct wensen, maar in elk geval ook niet als onaanvaardbaar afwijzen omdat van afhankelijkheid geen sprake behoeft te zijn. Maar als men van oordeel is dat subsidie blijk van waardering is voor wat de kerk aan maatschappelijk nut oplevert (voor de kerk zelf overigens bijkomstig), dan wordt de volstrekte onafhankelijkheid van de kerk t.o.v. de staat twijfelachtig omdat de subsidiëring de kerk in haar vrijheid van getuigen — ook tégen de staat — belemmert en de staat gelegenheid biedt zich te mengen in de zaken van de kerk. De volstrekte zelfstandigheid van de kerk is van zulk een openbaar belang dat deze de voorkeur moet hebben boven het belang van ondersteuning. Deze afweging van belangen heeft de commissie-Sassen nagelaten. Ook de regering heeft zich in deze op de vlakte gehouden, toen zij alleen wees op de wenselijkheid van een regeling maar niet repte zelfs over het openbaar belang in haar memorie van toelichting.

Vervolgens bespreekt dr. Verplanke nog enkele aangevoerde rechtsgronden zowel van socialistische, liberale en roomse zijde als van protestants-christelijke kant. De eerste terwille van plaatsruimte buiten beschouwing latende, wil ik even aandacht schenken aan de argumenten uit protestants-christelijke kring die tot voor kort algemeen op een principieel afwijzend standpunt stond. In deze kring heeft men gepoogd de subsidiëring schriftuurlijk-confessioneel te funderen. Een beroep werd gedaan op de schatten die de Egyptenaars moesten afstaan voor de bouw van de tabernakel, alsmede op de bijdrage die Cyrus en Darius moesten geven voor de herbouw van de tempel. Tevens is gewezen op art. 36 NGB dat van de overheid o.a. verlangt „de hand te houden aan de heilige Kerkedienst”. De beide schriftuurlijke argumenten (uitdrukkelijke bevelen des Heren!) zijn volgens dr. Verplanke onvoldoende om een parallel te trekken. Sterker is hem het beroep op art. 36. Hij herinnert er aan dat Calvijn e.a. met een beroep op tal van teksten uit het Oude Testament (vooral Jes. 49 : 23) steeds hebben geleerd dat het één van de eerste plichten van een christelijke overheid is, er voor te zorgen dat het de kerk in stoffelijk opzicht aan niets ontbreekt. Maar het aan deze opvatting ten grondslag liggende Schriftbewijs acht hij niet overtuigend. Zelfs in Israël vormden de tienden geen staatsbelasting maar een vrijwillig, door de priesters beheerd offer, terwijl het Nieuwe Testament duidelijk wijst op de roeping van de gemeente zelf voor de financiële consequenties van de dienst van God te zorgen. De overige in protestants-christelijke kring aangevoerde argumenten acht hij in feite alleen geschikt om zichzelf te overtuigen (restitutie van „ontstolen” belastinggelden; verlate uitkering van wat de Afgescheidenen is onthouden; kosten-verhogende stedebouwkundige eisen; vergelijking met subsidiëring van de christelijke scholen).

Minder uitvoerig gaat de auteur in op „de financiële positie der kerken”. Een voorstander van de onderhavige subsidiëring zal de waarde van de aan deze positie ontleende argumenten anders beoordelen dan een tegenstander. Minstens de helft van de door de commissie-Sassen aangevoerde argumenten ad hoc hebben niet een bij uitstek tijdelijke waarde terwijl haar voorstel toch een bepaalde tijdsduur op het oog had. Er is gewezen op de bevolkingsgroei en de trek naar de grote steden die de kerk voor de eis van nieuwbouw stelt. Maar — aldus dr. Verplanke — deze ontwikkeling is niet aan de overheid te wijten die wel ordenend heeft op te treden, maar daarom nog niet aansprakelijk is voor de gevolgen die deze ontwikkeling voor de kerken heeft. Deze hebben juist de nieuwe taak dankbaar te aanvaarden ook al worden hoge offers gevraagd. „Tijdelijk” zal in elk geval deze ontwikkeling niet zijn in die zin, dat reeds omstreeks 1970 stabilisatie is ingetreden. Hebben bovendien de zusterkerken hier geen taak als de plaatselijke kerk niet in staat is aan haar verplichtingen te voldoen? Het tweede argument raakt de enorme stijging van de bouwkosten waardoor de kerken belemmerd worden. Zal dit een tijdelijke zaak zijn? In elk geval rechtvaardigt dit nog geen subsidiëring. Immers het algemene welvaartsniveau is ook belangrijk verhoogd. Wel van tijdelijke aard is het argument dat de kerken reeds veel hebben moeten bijdragen voor de herbouw van de door de oorlog verwoeste kerken (geschat op ruim 10 miljoen gulden). Zeker hebben de volgende argumenten niet een tijdelijk maar een blijvend karakter: de financiering van nieuwe taken t.a.v. meer gespecialiseerde zielszorg waardoor de financiële positie is verschraald (zeker noodzakelijk te achten — ook al kan de vraag gesteld worden of deze taken niet te breed worden opgezet — maar dan komen ook andere kosten voor subsidiëring in aanmerking); verzwakking van het financiële draagvlak door de in vergelijking met de stijging der uitgaven niet evenredige stijging van de particuliere bijdragen (is verhoging dezer bijdragen werkelijk onmogelijk?) De bouwgrond is overwegend in handen van de overheid zodat particuliere schenking praktisch uitgesloten is (maar de koopsom is nu toch aan de kerk te schenken in plaats van zoals vroeger wel voorkwam, de grond).

Het achtste argument-pro werd door de commissie-Sassen ontleend aan de eenstemmigheid die er in de kerken heerst inzake de wenselijkheid van subsidiëring. Volgens dr. Verplanke in het Kerkblad van het Noorden (6de jrg., blz. 423) ligt hier „de bron van de ellende: de Kerken zelf hebben op subsidiëring aangedrongen”. Zo scherp stelt hij het in z'n proefschrift niet. Deze eenstemmigheid moge niet voor 100 % aanwezig zijn (en overigens slechts door één synode uitgesproken), deze kan de overheid nooit ontslaan van eigen verantwoordelijkheid wat het geval zou zijn als zij passief het oordeel van een steunaanvragende instantie zou aanvaarden. Trouwens de regering heeft dit argument niet overgenomen, hoogstens diende het als aanwijzing dat de kerken niet afwijzend zouden staan tegenover een subsidieregeling.

Overzien we de pro-argumenten en de beoordeling ervan dan kan niet ontkend worden dat deze argumenten vrij zwak zijn. Terecht heeft dr. Verplanke hierop gewezen, al valt gelet op andere publikaties van zijn hand meteen op de milde, evenwichtige wijze van beoordeling. Te meer zijn we daardoor benieuwd naar zijn visie op de contra-argumenten, die naar zijn mening zeer oppervlakkig zijn behandeld door de commissie-Sassen (ondanks het feit dat ook gereformeerden deel uitmaakten van deze commissie die van oudsher sterk gekant waren tegen subsidiëring van alles wat verband hield met de interne activiteiten van de kerken). De commissie beperkte zich tot een tweetal bezwaren: 1e de mogelijkheid dat subsidiëring rechtsongelijkheid zou scheppen t.a.v. leden van niet-kerkelijke genootschappen op geestelijke grondslag (de commissie maakte zich hiervan af door de opmerking dat zij alleen moest adviseren t.a.v. de bouw van kérken) en 2e het gevaar van aantasting van de vrijheid en het zelfbeschikkingsrecht der kerken (door de commissie afgedaan met het argument dat van een dergelijk gevaar niets was gebleken bij de reeds werkende regeling t.a.v. kerkbouw in de N.O.P. enz.). Volgens de schrijver zijn hiermede niet de krachtigste tegenargumenten aan de orde gesteld. „In de visie der tegenstanders past immers alleen het in vrijwilligheid gebrachte offer bij de geheel eigen aard van de eredienst. De materiële functionering van het kerkelijke leven is een zaak die bij uitsluiting de leden der kerk aangaat.” Natuurlijk is niet elk offer werkelijk een offer. Er kan ook een andere, Gode niet welgevallig en Hem niet erende intentie achterzitten, maar steeds gaat het over private middelen die vrijwillig worden afgezonderd uit eigen vermogen. Dr. Verplanke stelt dan: „Dit uit de geheel eigen aard van de ere-dienst voortvloeiende vrijwilligheidsbeginsel wordt door-broken, wanneer de Overheid in de kosten van die eredienst en wat daartoe behoort, bijdraagt.” Hij adstruheert deze stelling met op te merken dat immers het overheidsoptreden gekenmerkt wordt door het gericht zijn op de behartiging van het algemeen belang onder het gezichtspunt van de bedeling der publieke gerechtigheid. Zodoende kan de overheid nooit een offer brengen. Zij kan alleen „wegschenken wat zij met dwingende macht heeft verkregen ter behartiging van het algemeen belang”. De belangrijkste vraag is dus, volgens hem, of het wezen van de kerk zich verdraagt met het subject-zijn van subsidierechten die gerealiseerd kunnen worden dank zij de aan de overheid ter beschikking staande zwaardmacht, zich uitende in belastingdwang.

Dr. Verplanke beantwoordt deze vraag ondubbelzinnig op ontkennende wijze. Afgedacht nog van de vraag of het accepteren van een burgemeestersalaris ook onder dit judicium valt (alleen gerealiseerd dank zij de zwaardmacht!), lijkt het mij niet juist de dusgenaamde zwaardmacht voorop te stellen. Opmerkelijk is de volgorde als dr. Verplanke schrijft: Het recht is vanouds gesymboliseerd door het zwaard (van de dwangmacht tot o.m. belastinginning) en de weegschaal (waarin alle in het geding zijnde belangen worden afgewogen teneinde het publieke recht te bedelen). Is het niet meer in overeenstemming met Rom. 13 als deze volgorde wordt omgekeerd? Eerst de weegschaal en dan het zwaard? En als men daarbij verdisconteert dat Paulus dat zwaard „niet tevergeefs” in de hand van de overheid ziet „indien gij kwaad doet”, als „toornende wreekster voor hem die kwaad bedrijft”, maar ook daaraan laat voorafgaan: „zij staat immers in dienst van God u ten goede” zodat men geen vrees voor de overheid behoeft te hebben, als men het goede doet „en gij zult lof van haar ontvangen”, dan moge de weegschaal als symbool voor het laatste misschien minder juist zijn, de volgorde waarin de auteur beide symbolen met nadruk stelt doet de gedachte post vatten dat hij de overheid meer ziet in de sfeer van de machtsstaat dan in die van de rechtsstaat. Dat er kwaden zijn van wie de overheid het haar verschuldigde belastinggeld met het zwaard moet incasseren, diskwalificeert m.i. noch de overheid noch de overheidsgelden.2) Is deze argumentatie voldoende om gelden uit subsidiëring verkregen voor besmet te verklaren, althans zich niet verdragend met het „Wezen van de Kerk”? Miskent „zodoende” de overheid het wezen van de kerk „hetgeen ten diepste leidt tot een publieke depreciatie van de kerk”? Dit wordt door de auteur wel zeer positief gesteld vanuit de opvatting dat de overheid exclusief optreedt met dwangmacht (de „vreugde” van het belastingbetalen waarvan hij in een noot melding maakt, is zo wel erg zuur!), toch meen ik dat zonder meer deze contra-argumentatie niet als „krachtigst” kan worden aangemerkt.

Behartigenswaardig lijkt mij wat dr. Verplanke opmerkt in verband met een ander contra-argument, nl. de vermindering van offervaardigheid, de verzwakking van de offerzin ten gevolge van subsidiëring.

Hoewel het gevaar niet mag worden onderschat dat eerder op verhoging van de subsidie dan op opvoering van de offervaardigheid wordt aangewerkt, meent dr. Verplanke dat dit gevaar ook niet mag worden overdreven gelet op de vorm waarin de onderhavige regeling is gegoten. „Koppeling van het subsidie aan de eigen bijdrage door vastlegging van een bepaalde verhouding geeft minder aanleiding tot verzwakking van de offerzin dan bijv. het suppleren in tekorten.” Mutatis mutandis geldt deze opmerking ook het beleid dat in art. 85 van de Acta ’62 aan de orde is gesteld, waarschijnlijk zelfs in versterkte mate afgedacht nog van andere factoren die hierbij in het spel zijn.

Onder de alternatieve oplossingen die de auteur behandelt, vindt alleen deze oplossing genade in zijn ogen dat de belastingfaciliteiten verruimd kunnen worden ten behoeve van giften enz. voor kerkbouw. Hoewel ook hier van een indirecte subsidiëring gesproken kan worden, zou toch op deze wijze de verantwoordelijkheid van de kerkleden beter tot haar recht komen.

In ongeveer anderhalve bladzijde (213-215) trekt dr. Verplanke tenslotte zijn conclusie. De argumenten aangevoerd pro subsidiëring acht hij onvoldoende sterk, maar ook de contra-argumenten waren niet alle even sterk. Hij is van mening dat aan deze subsidiëring beter niet had kunnen begonnen worden omdat het wezen van de kerk zich moeilijk met subsidie verdraagt. Hij wil niet ontkennen dat de gekozen vorm van subsidiëring geen reden geeft van een onaanvaardbare overheidsinmenging in de aangelegenheden van de kerk te spreken. Daarom gaat het ook te ver — hoezeer de bezwaren overwegen — te beweren dat de kerken het subsidie onder geen beding mogen aanvaarden, dat het zonde zou zijn, ook al was het beter en zuiverder geweest als heel deze zaak nooit aan de orde was gesteld. In de reeds eerder genoemde artikelen in het Kerkblad voor het Noorden (blz. 431-432) heeft dr. Verplanke zijn conclusie een weinig scherper gesteld: „Het druist naar onze overtuiging in tegen het wezen van de dienst van God, indien die voor een gedeelte niet meer vrijwillig zou geschieden; indien de Kerk zich zou gaan sieren met van de Overheid verkregen veren; indien uit een kerkgebouw niet meer kan blijken wat men voor de dienst des Heeren, Deo Optimo Maximo (DOM heten onze oude stadskerken) over heeft; indien men op de voorgevels van met Rijkssteun tot stand gekomen kerkgebouwen het Eben-Haëzer zou moeten veranderen in: Tot hiertoe hebben de Heere en de Overheid ons geholpen.” En „Overheidssubsidiëring van kerkbouw of faciliteiten bij grondaankoop dunken ons principieel onjuist, omdat zij niet strekken tot eer van de Kerk en haar Koning, doordat zij een wezenstrek van de eredienst, nl. de offervaardigheid, aantasten.” Deze citaten maken wel duidelijk wat dr. Verplanke in zijn proefschrift bedoelt wanneer hij telkens weer spreekt over het „wezen van de kerk”, alsmede waarom hij de bij subsidiëring gestelde voorwaarden van secundaire betekenis acht, „kwalitatief niet belangrijk”. Hij gebruikt inderdaad de terminologie „wezen van de kerk” en „wezen van de eredienst” min of meer door elkaar. Scheiding is hier zeker niet mogelijk, maar meer onderscheiding ware gewenst.

Consequent gebruikt dr. Verplanke in heel zijn boek de term „subsidiëring” terwijl de wet spreekt van „premie”. Heeft deze consequentie een bepaalde bedoeling? Dat de conclusie tenslotte tamelijk mild is, is dat te danken aan het feit dat de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de ”„premie” c.q. schenking van de staat ten behoeve van de kerkbouw beschikbaar wordt gesteld, uiteindelijk beslissend afwijkt van wat doorgaans onder subsidiëring wordt verstaan, een zich van periode tot periode herhalende financiële ondersteuning die de ondersteunde in een positie van min of meer afhankelijk zijn brengt t.o.v. de staat? Een dergelijk subsidie zou inderdaad de kerk onteren en de verhouding tussen kerk en staat bederven. Maar wanneer de kerk voor een bepaald doel een schenking wordt aangeboden dan zal de wijze waarop en de voorwaarden waaronder dat geschiedt, beslissend zijn of hij zichzelf onteert door de schenking te accepteren, dan wel de verhouding met de schenker bederft. Het is zeker een onweersprekelijk ideaal dat de kerk haar eigen financiële lasten draagt. Maar is het niet vaak voorgekomen dat zelfs als dat het geval is (dus als de gelovigen zelf betalen) er een soort afhankelijkheid wordt bewerkstelligd t.o.v. de gever(s)? Het ,,op-de-zak-preken” is een niet onbekend specimen van een dergelijke afhankelijkheid! Natuurlijk kan het gevaar niet ontkend worden dat de staat op een zeker moment afhankelijkheid zal nastreven, maar dat ligt dan niet in de eerste plaats aan de overheid, maar aan de kerkleden/burgers die zich politiek niet voldoende weerden, en zich daardoor voor hun deel ook schuldig maakten dat de rechtsstaat verwordt tot een machtsstaat, waarin de overheid metterdaad zich absolutistisch ontwikkelt tot een macht die alles aan zich wil onderwerpen, zelfs als in het verleden nimmer een cent door de overheid is bijgedragen, c.q. gesubsidieerd.

Tenslotte: wanneer dr. Verplanke zijn boek eindigt, constateert hij dat het feit dat dit vraagstuk aan de orde is gekomen, opnieuw bewijst dat de mens zich zijn verantwoordelijkheid steeds minder bewust wordt en zijn vertrouwen in de helpende hand Gods steeds meer verliest. In ’t algemeen gesproken moge men hiermede instemmen. De vraag is evenwel of dit concrete feit hiervan een bewijs is. zou een gemeente die met inspanning van geheel haar financieel vermogen (zelfs misschien boven vermogen), met meer dan overvloedige hulp van de zusterkerken toch niet in staat is haar kerkbouw te financieren, maar door de premie schenking c.q. bijdrage van de overheid wel haar kerkbouwplannen kan realiseren, daardoor bewijzen dat zij zich haar verantwoordelijkheid minder bewust is en het vertrouwen in Gods helpende hand verloren heeft? Zou het ook mogelijk zijn met dankbaarheid jegens Hem die alle macht in hemel en op aarde heeft, Zijn helpende hand op te merken en te erkennen óók als Hij die hand naar ons wendt door middel van Zijn dienaresse zonder dat deze zich aan die Kerk vergrijpt door aantasting van haar onafhankelijkheid en zelfstandigheid?

We besluiten deze bespreking met de hartelijke dank aan dr. Verplanke voor de indringende en rustige wijze waarop hij de door hem aan de orde gestelde zaak behandelt. Brede informatie wordt verstrekt. Ook onze ambtsdragers zullen met vrucht deze studie kunnen volgen en helderder inzicht ontvangen in het de eeuwendoor altijd weer actuele en boeiende probleem van kerk en overheid/ staat. Tevens willen wij hem van harte gelukwensen met de voltooiing van zijn studie en de bekroning ervan met de doctorstitel.

1) C. J. Verplanke, Subsidiëring van de kerkenbouw — 238 blz. — Uitgave Vugaboekerij — Arnhem, postbus 81. Prijs geb. ƒ 15,—. (Het eerste artikel over dit academische proefschrift stond in ons blad van dec. 1963 — Corrigendum: op blz. 224 2de regel van boven moet het jaartal 1873 veranderd worden in 1963).

2) Dat achter èlk offer dat niet met een volkomen hart, vrijwillig, uit dankbaarheid wordt gebracht, het „zwaard" van God staat (vgl. Jes. 1 : 11-17), diskwalificeert c.q. besmet toch ook niet alle offers?

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.