+ Meer informatie

Verkiezing en verwerping

Leer en Leven

4 minuten leestijd

(12)

Verkiezing tot Gods eer!

De vraag, die we dc vorige maal trachtten te beantwoorden, luidde: Waarom heeft God uitverkoren? Daarbij zagen we, dat Gods werk in schepping en herschepping de uitvoering is van Zijn eeuwig raadsplan. Van dat grote werk is de zaliging der verkorenen een deel, dat bij het geheel past. En omdat al Gods werk de uitvoering van een gedachte, de verwezenlijking van een bestek is, daarom is uitverkiezing onmisbaar. Alle schepselen zijn in de hand van de grote, hemelse Bouwmeester slechts materiaal, dat door Hem op een bepaalde plaats gebruikt wordt

Zo leert het „waarom" der uitverkiezing ons, dat het bij dit gewichtig besluit Gods niet in de eerste plaats om ons,

mensen, maar vóór alle dingen om Gods werk, en om Zijn eer gaal.

Het is dan ook een grote fout, indien wij — en hoe vaak doen wij dat! — de mens en zijn zaligheid plaatsen in het middelpunt van de uitverkiezing. Alsof het alleen om de mens gaat! Alsof de mens de spil is, waarom alles zich beweegt! Alsof God de Heere slechts één doel heeft, n.1. te vragen, wat voor de mens goed en aangenaam is! Alsof de glorie van de Naam des Heeren eigenlijk maar iets bijkomstigs is; iets, dat er niet zo nauw op aan komt!

Maar de Schrift leert het ons wel anders! En het hart, dat door Gods Geest is levend gemaakt, spreekt ook wel anders! Want is dit niet de grote levensles, die elk van Gods kinderen leren moet, dat God er niet is om de mens, maar dat de mens er om God is?

Hoe duidelijk zegt ons Gods Getuigenis, dat de mens slechts leem is in de hand van de grote Pottenbakker. Dat de zaag zich niet heeft te beroemen, tegen degene, die haar trekt. Dat de bijl niet heeft te pochen, tegen hem, die haar hanteert. Dat zijn allemaal beelden en gezegden, die er ons van doordringen willen, dat de uitverkiezing gaat om wat God als doel bereiken wil, en niet om wat wij er door zijn of worden zullen.

Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat des mensen gelukstaat hiermede ook niet gemoeid is. Integendeel: Gods werk is zó heerlijk en groot, dat Hij door de verheerlijking van Zijn Naam, tegelijk aan Zijn schepsel het grootste geluk en de uitnemendste zaligheid toebeschikt. Alleen maar, dat is geen hoofdzaak, doch bijzaak. Evenals de engelen in de hemel er niet zijn om zelf een blij leven te hebben, doch om Gods glorie te bezingen, en er dan tegelijk zelf hun zaligheid in te vinden. Als we zó het „waarom" der uitverkiezing beschouwen, valt de mens weg, en wordt God de Heere het grote Middelpunt, waarom heel Zijn raadslag en inzonderheid het besluit der verkiezing zich beweegt.

Nu weten we heel wel, dat we hiermede slechts in vage trekken hebben kunnen aangeven, wat de beweegredenen Gods bij dit besluit geweest zijn. Ten volle doorgronden kunnen wij dit nimmer. Al Gods werken en besluiten gaan zó ver boven onze menselijke bevatting, dat wij er slechts iets van stamelen kunnen en er nooit de volle diepte van kunnen peilen. Want als we nog verder in dit geheimenis willen doordringen, komen we altijd in een cirkelgang terecht, waar we nimmer kunnen uitkomen.

Immers, als we verder vragen: „Waarom heeft God uitverkoren? ", dan moeten we antwoorden: „Omdat het alzo Gods welbehagen is geweest!" En als we dan vervolgens vragen: „Maar waarom was het Zijn welbehagen? ", dan luidt het antwoord: „Omdat Zijn Goddelijke wil het aldus bepaalde!". En vragen we dan voorts: „Waarom heeft Zijn wil het alzo bepaald? ", dan antwoorden we weer: „Omdat Hij handelt naar Zijn vrijmacht. En als we dan nogmaals vragen: „Waarom handelt God naar Zijn vrijmacht? ", dan komen we weer bij het eerst gegeven antwoord uit: „Omdat het Zijn welbehagen is geweest!"

En zo bemerkt ge, dat we nooit uit die cirkelgang van Gods wil en welbehagen en vrijmacht kunnen komen, en er geen afdoende oplossing voor kunnen vinden. Want hier komen we op een terrein, waar God Zijn sluier niet heeft opgelicht, en wij dus komen te staan voor een ondoordringbaar geheimenis. De diepe achtergrond van al Gods doen is voor het menselijk verstand ten enenmale verborgen. En dat kan ook niet anders, omdat God: God is!

Maar voor het kind des Heeren ligt dan ook hier juist het grote geloofsstuk: n.1. het stuk der aanbidding. Terwijl de ongelovige bij dit geheimenis ertoe komt God van onrecht te betichten, zinkt Gods kind in aanbidding voor Hem neer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.