+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

5 minuten leestijd

22

De volgende paragraaf van het boek van prof. Oosterhoff heeft tot opschrift: De werkelijkheid in Genesis 2 en 3.

„Het gaat bij de symbolische beschrijving niet minder om werkelijkheden dan bij de exakthistorische. De profeten beschrijven gebeurtenissen, feiten. Daar gaat het ook om in Gen. 2 en 3. Het gaat om „historie”.

Wanneer men echter onder historie verstaat gebeurtenissen in het verleden, die dateerbaar zijn en verifieerbaar door wetenschappelijk onderzoek, dan geven deze hoofdstukken geen historie in die zin. De feiten, die Gen. 2 en 3 ons meedelen, zullen door de wetenschap nooit gevonden worden. Ze rusten op openbaring en kunnen alleen door het geloof geweten worden. Daarom mag men er de resultaten der wetenschap ook niet op toepassen of daardoor er aan tornen of trachten ze daarin in te passen.”

Aldus de schrijver. En verder: „Gen. 2 en 3 bieden historie, die verleden en tegelijk nog elke dag hoogst aktueel is. Daarom is het woord historie voor waar het in Gen. 2 en 3 om gaat eigenlijk veel te zwak. Maar het kan wel aanduiden dat het gaat om geschiedenis, feiten, werkelijkheid.

We mogen niet zeggen, dat Gen. 2 en 3 ons slechts de geschiedenis geven van elk mens in zijn afval en opstand tegen God. Dat doen ze ook. De geschiedenis van Adam en Eva is de geschiedenis van ons allemaal. Er zijn nauwelijks hoofdstukken in de bijbel die ons zó duidelijk zeggen wat onze zonde is dan deze eerste hoofdstukken uit de bijbel. Ons aller zonde is opstand en ongehoorzaamheid tegenover God. We grijpen allemaal naar de verboden boom om als God te zijn en zelf te bepalen wat goed is en wat kwaad. Geen God boven ons is de wil van ieder mens zoals hij van nature is. Die vijandschap jegens God is het bedenken van ons aller vlees, zoals de apostel Paulus daarvan spreekt (Rom. 8:7).

Maar de hoofdstukken zeggen meer. We krijgen maar niet de projektie van het heden in een ver verleden, maar het heden wordt doorlicht met wat eens in het ver verleden is geschied.”

We citeren nog een en ander: „De hoofdstukken laten ons heel reëel zien wie de mens is en hoe zonde en dood in de wereld gekomen zijn. Ze wijzen ons heen naar diep ingrijpende werkelijkheden aan het begin van de mensheidsgeschiedenis. Het gaat om wat „in den beginnen” is geschied. Toen is maar niet alleen de hemel en de aarde geschapen (Gen. 1 :1), maar heeft ook plaats gehad wat we lezen in Gen. 2 : 4. Eerlijke exegese kan er niet om heen, dat het de schrijver om feiten gaat, die aan het begin van de mensheidsgeschiedenis hebben plaats gehad.”

„De mens wordt getekend als schepsel Gods (Gen. 2 : 7).

Er wordt niet precies gezegd hoe God de mens geschapen heeft. Wat we daaromtrent te horen krijgen is symbolische taal.”

We lezen verder en komen telkens weer de opvattingen van de schrijver tegen, ingevlochten als het ware in de onder ons als vaststaande waarheid. B.v.: „God bedoelde voor de mens het leven. Het leven in de volle zin van het woord. Het leven in zijn gemeenschap. Dat wordt getekend door de boom des levens waarvan de mens vrij stond te eten. Hij stond dan ook midden in de hof. Dat is in de oud-oosterse wereld, tegen de achtergrond waarvan wij Gen. 2 en 3 voortdurend moeten lezen, iets unieks. De levensboom was overal bekend. Maar hij was alleen voor de goden bestemd. In het bijbels paradijsverhaal mag de mens er van eten.”

En: „In het paradijsverhaal wordt dat uitgedrukt door de boom van het kennen van goed en kwaad. Bepalen wat goed is en wat kwaad is iets dat alleen staat aan God. Daarom is die boom verboden aan de mens. Dat is een absoluut verbod. Van een op de proef stellen van de mens is geen sprake.”

Eveneens: „In de slang komen demonische machten openbaar. Het verhaal vertelt niet dat de slang de duivel of de satan is. Daar heeft de schrijver waarschijnlijk niet eens aan gedacht. Hij moet bij de slang gedacht hebben aan de funktie die deze had in zijn tijd en in zijn omgeving. De slang was in de oud-oosterse wereld wijsheids- en levensdier. De slang werd goddelijk vereerd.”

Verder: „De slang is in Gen. 3 een dier en niet de duivel. Maar wij moeten in het oog houden, dat in de oud-oosterse wereld de slang maar niet een dier was zoals wij hem kennen als een dier. Voor de Egyptenaar, de Babyloniër en de Kanaaniet was de slang een goddelijke incarnatie, maar voor de schrijver van Gen. 2 en 3 was hij een anti-goddelijke incarnatie, de incarnatie van een demonische macht.”

Deze en nog meer gedachten van prof. Oosterhoff zijn we al eerder in onze artikelen tegengekomen. Toen hebben we er in het kort bij stilgestaan. We behoeven er nu niet opnieuw op in te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.