+ Meer informatie

De schriftuurlijk bevindelijke prediking leidt niet tot een eenzijdig leven

8 minuten leestijd

Eenzijdigheid komt in de menselijke samenleving nog wel eens voor. Het zich pinnen op een bepaalde zaak. Het zich beperken tot een bepaalde zaak. En voor andere zaken geen oog hebbend, of willen hebben. Het zich eenzijdig opstellen in de samenleving. In gezin en het kerkelijke leven. In onze tijd wordt dit ontdekt. Hierdoor valt de samenleving in verschillende groepen uiteen. Die groepen worden ook gezien in het kerkelijke leven. Nu kan men zichzelf bij een bepaalde groep indelen, of de ander plaatsen bij een bepaalde groep. Openlijk wordt wel eens gezegd tot welke groep men behoort of tot welke groep men de ander rekent. In het kerkelijke leven zijn bepaalde woorden „in”. Men speekt over ouderwets, nieuwerwets. Conservatief, progressief. Links of rechts. De laatste tijd wordt er ook gesproken over oude of nieuwe christenen. In al deze woorden en benamingen die men elkander geeft komt duidelijk uit de grote verwarring en gescheidenheid, die er heerst onder de mensen en in de kerken. En dit is wel het allerergste, dat men graag behoort tot een bepaalde groepering. Men is graag conservatief, of progressief. Ouderwets, of nieuwerwets. Men stelt het op hoge prijs, die naam te dragen. Men ijvert er voor die naam te behouden. Echter wordt veelal één zaak voorbijgezien: staat mijn naam in de Bijbel. Heeft de Heere mij een nieuwe naam gegeven. Een eeuwige naam, die niet uitgeroeid zal worden. Daar komt het op aan voor leven en sterven. Wie conservatief is zonder de Geest des Heeren, staat buiten het leven Gods. Wie progressief is zonder de stuwende kracht des Geestes wordt beheerst en geleid door de geest van beneden. Wie conservatief of progressief is zonder de Geest des Heeren, kent een leven, een levensijver die niet naar de wil van God is. Wie alleen maar conservatief of progressief is, mist de werking des Geestes. Het leven des Geestes. Gods Woord leert ons duidelijk, dat de Geest des Heeren de mens maakt tot conservatieve en progressieve mensen. Men wordt conservatief en progressief in de bijbelse zin van het woord. De wil des Heeren gaat het leven beheersen. De levensvraag wordt deze: „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal”? Er ontstaat door de genade Gods een hartelijke begeerte om Gods getuigenis te bewaren, maar ook een hartelijk verlangen, dat het hele leven door, de gedachten, woorden en werken alzo geschikt en gericht worden, dat Gods Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worden. Cat. Zondag 47. Door Gods genade en goedheid zijn er in ons vaderland nog mensen, die conservatief en progressief willen leven. Zo te leven is hun leven geworden. Deze mensen hebben de schriftuurlijke, bevindelijke prediking van harte lief. Nu wordt wel eens opgemerkt, dat deze prediking een eenzijdige prediking is. Dat is zij inderdaad maar dan zo. In die prediking komt uit het souvereine genadewerk des Heeren. Het werk van de Drieënige God. Vader, Zoon en Heilige Geest. Verheerlijkt in de zondaar. Dat werk wordt door een begenadigd zondaar bewonderd en verheerlijkt. De doorwerkende kracht van dat werk wordt hartelijk begeerd. De noodzaak daarvan en de profijtelijkheid daarvan wordt gevoeld. Daardoor alleen zal er zijn de beleving van de waarachtige bekering tot God. De afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens. Daardoor alleen zal er zijn de beleving van het christen zijn in deze wereld. In Zondag 33 van de Heidelbergse Catechismus staat dat er door het nieuwe leven uit God ontstaat een lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven.

Door Gods genade krijgt men de ganse wet lief en al kan men deze geboden niet volkomen houden, er is toch een ernstig voornemen om niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods te leven. Cat. Zondag 44. Deze zaak van het begeren te leven naar de geboden Gods is in het verleden geen vergeten zaak geweest. Dat zij wel eens vergeten werd, daarvan is de oorzaak niet te wijten aan de schriftuurlijke bevindelijke prediking. In die prediking komt naar voren wat het leven der genade is en het leven in de vreze des Heeren. In die prediking gaat het over leer en leven. Vele theologen uit het verleden hebben deze beide zaken in hun prediking en geschriften uitgewerkt. Op de beleving van het christen zijn op alle terreinen des levens werd herhaaldelijk gewezen. Wie de werken van Calvijn en Luther bestudeert komt duidelijk tot de overtuiging, dat zij gewezen hebben op de noodzaak en het grote belang van het christen-zijn in de samenleving. De dagelijkse arbeid, het maatschappelijke leven, de politiek lagen niet buiten hun gezichtsveld. Wie de preken en theologische werken van de mannen der nadere reformatie bestudeert komt onder de indruk van de heilige ijver, die hen bezielde om het gehele leven onder beslag te brengen van het gebod des Heeren in al Zijn majesteit. Door hen werd benadrukt de ware praktijk der godzaligheid. Hoe vurig heeft men gebeden en hoe ijverig heeft men gestreden om land en volk op de knieën te krijgen voor de Heere en Zijn gezaghebbend Woord. We denken aan twee personen uit die tijd.

In zijn tijd drong Willem Teelinck met ernst en kracht aan op de hervorming van het leven. In prediking en geschriften wees hij op de praktijk der godzaligheid. Het leven van elke dag belichtte hij van uit de Schrift. In de sleutel der Devotie schrijft hij: „Naar zijn ordinantiën heeft God ons tweeërlei plicht voorgesteld, die betrekking heeft op God, op onze naaste en op ons zelf. De plichten, die de dienst van God aangaan zijn de publieke vergaderingen op de dag des Heeren en het behoorlijk nakomen van al die plichten, waartoe wij dan van God geroepen worden, benevens het aanroepen van de naam Gods in onze huizen, tot meerdere uitwerking van de godzaligheid. De plichten jegens onze naasten zijn die der barmhartigheid, liefde, vriendelijkheid en de verzorging van de behoeftigen naar lichaam en ziel. De plichten jegens ons zelf zijn die nodig zijn voor de onderhouding van ons tijdelijk leven. Wij mogen niet toegeven aan het vlees tot luiheid en onze tijd niet verkwisten en moeten waken voor onze gezondheid, opdat wij niet onbekwaam worden voor onze roeping. Wij hebben trouw te zijn in ons dagelijks beroep, want die zijn eigen huis niet recht verzorgt is erger dan een ongelovige. Dat is een plicht, die ons niet ten keuze gezet is, maar daaraan zijn wij verbonden. God de Heere eist dit van ons in Zijn Woord. Niemand mag zich gaan onttrekken aan de burgerlijke handelingen zo sommigen uit groter devotie (zo zij menen) plegen te doen. Heel ons leven moet ingericht zijn naar de ordinantiën Gods. En wijl God is de oorsprong van alle dingen, het liefste Wesen, moeten wij Hem in alles dienen. Hem liefhebben boven alles. Door de genade des Geestes wordt dit bewerkstelligd. Daardoor wordt ontvangen verlichting des verstands, heiliging van de wil en nieuwe kracht om godzalig te leven en het goede te doen”. Naast Teelinck denken we aan Voetius. Onderwijzende lessen geeft hij in zijn: „De godsvrucht, vereiste tot de wetenschap en in zijn „De practycke ofte Oefeninge der godsalicheyt”. Zijn protest ging ook uit tegen allerlei bederf, dat in de kerk en het maatschappelijk leven was ingeslopen. Hij wilde de reformatie des levens bevorderen. Het christendom met de daad is dus geen uitvinding van onze tijd.

Echter het streven naar en werken voor het christendom met de daad in onze tijd is bij velen niet in overstemming met wat onze vaderen beoogden. Er was bij hen een hartelijke relatie tussen leer en leven. Tussen beleven en belijden. Belijden en beleven. De beleving van Gods genade en de beoefening van de Godsvreze in het leven. Het leven van elke dag. Op de plaats, waar God de mens heeft gesteld.

Vandaar dat we het niet eens zijn met de geponeerde gedachte, dat de schriftuurlijke bevindelijke prediking alleen maar spreekt over het werk Gods in het hart en niets zegt over het leven en wat het leven naar Gods Woord moet zijn. In die prediking worden beide gehonoreerd: leer en leven. Vandaar dat deze prediking alleen, door Gods genade, tot zegen is. Die zegen blijkt, o.m. in de hartelijke bede:


Leer mij, o Heere, de weg, door U bepaald;
Dan zal ik dien ten einde toe bewaren;
Geef mij verstand, met Godd’lijk licht bestraald;
Dan zal mijn oog op Uwe wetten staren;
Dan houd’ ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt;
Dan zal zich ’t hart met mijne daden paren.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.