+ Meer informatie

Dagelijks verstoken van de bus

Openbaar vervoer op platteland in Friesland slecht geregeld

5 minuten leestijd

LEEUWARDEN

Het
staat er slecht voor met het openbaar vervoer op het Friese platteland. In 61 dorpen komt nooit een bus. In nog eens 246 kleine kernen is het publieke transport onvoldoende tot zeer slecht geregeld. Om de situatie te verbeteren, zijn aanpassingen in het bestaande busnet èn aanvullende vervoersmogelijkheden nodig. De kosten daarvoor bedragen jaarlijks 3 tot 6 miljoen gulden. Dat blijkt uit een onderzoek dat ir. B. Pijper in opdracht van het Friese provinciebestuur heeft uitgevoerd.

Aanleiding was de problematiek van de kleine kernen. Het voorzieningenniveau in veel dorpen neemt steeds verder af. Bewoners trekken weg naar andere (betere) oorden. Dat werkt weer averechts op het voorzieningenniveau: een vicieuze cirkel. De slechte kwaliteit van het openbaar vervoer was een extra stimulans om het platteland eens aan een uitgebreid onderzoek te onderwerpen.

Het Friese provinciebestuur had al eerder een minimumpakket aan eisen opgesteld waaraan elk dorp zou moeten voldoen: een paar winkels voor de directe levensbehoeften, een basisschool, een sportveld en een gymlokaal, een kruisgebouw en een huisarts, een één-uurs openbaar-vervoerverbinding en een postagentschap. De zogenaamde centrumdorpen voldoen aan alle eisen. Zij hebben een verzorgende functie voor de regio. De kleine kernen, onderverdeeld in basisdorpen (226) en overige dorpen (143), missen een of meer basisvoorzieningen (het verschil tussen basisdorpen en overige dorpen is dat alleen de eerste een lagere school hebben).

Verstoken

Voor zijn vervoersonderzoek hanteerde provinciaal medewerker ir. Pijper drie beoordelingscriteria: is er openbaar vervoer?, zo ja, met welke frequentie? en hoe is de verhouding tussen afstand en reistijd? De cijfers liegen er niet om. In 61 dorpen komt geen bus. Bijna 13.000 Friezen zijn daardoor verstoken van openbaar vervoer. In 246 dorpen komt de bus minder dan één keer per uur. Bij 75' procent van de kleine kernen is sprake van een slechte verhouding tussen afstand en reistijd naar het dichtstbijzijnde centrumdorp. Samenvattend: slechts 15 procent van de basisdorpen en 10 procent van de overige dorpen voldoet aan alle criteria.

De uitslag van het onderzoek valt Pijper tegen. „De situatie is ernstiger dan ik had verwacht. Ik moet er wel bij zeggen dat het een theoretisch verhaal is. Nuanceringen zijn mogelijk. In de praktijk komt het voor dat een dorp aan een bepaalde treinverbinding ligt, waardoor de bewoners sneller bij een verderop gelegen stad zijn dan met de bus bij het dichtstbijzijnde dorp. Dat soort situaties is niet meegenomen in mijn onderzoek".

Meerijden met huren

De slechte kwaliteit van het openbaar vervoer op het platteland dwingt de mensen volgens Pijper tot „het zelf bedenken van oplossingen, bij voorbeeld het meerijden met buren. Het opmerkelijke is dat het autogebruik in Friesland niettemin lager is dan in de rest van Nederland. Wel is het zo dat de Friezen gemiddeld langere afstanden rijden". Volgens Pijper worden de verschillen op dit gebied de laatste jaren kleiner. „We zijn bezig met een inhaalrace".

Hoewel Pijper niet pretendeert dè oplossing te hebben, geeft hij wel een aantal suggesties om de bereikbaarheidsproblemen op het Friese platteland te verminderen. Zijn voorstellen betreffen aanpassingen in het bestaande busnet èn aanvullende voorzieningen. Wat betreft het eerste denkt Pijper aan het vaker later rijden van bepaalde bussen en het verleggen van lijnen, zodat ook dorpen die nu van openbaar vervoer verstoken zijn, meegenomen worden. Hij wil in dit opzicht „heel voorzichtig" te werk gaan, omdat bepaalde aanpassingen in het bestaande net „meer vernielen dan verbeteren". „De reistijd bij voorbeeld wordt in een aantal gevallen langer".

Wat betreft aanvullende voorzieningen denkt Pijper aan bekende en beproefde alternatieven zoals belbus, buurttaxi, dorpsbus, streekbus en afroepbus. Daarnaast pleit hij voor invoering van het dorpspoolsysteem (een soort georganiseerde vorm van burenhulp) en een gemeenschapsbus (de gemeenschap krijgt een busje dat wordt beheerd door een plaatselijke vereniging). Ook de buurtbus naar rato behoort tot de mogelijkheden. „Dan komen ook gebieden met minder dan 850 inwoners -het wettelijke minimum— hiervoor in aanmerking". De subsidie zou dan volgens Pijper aangepast moeten worden.

Stervormige buslijnen

Pijper schat dat er jaarlijks 3 tot 6 miljoen gulden nodig is om zijn voorstellen uit te voeren. Voor de financiering moet allereerst naar het Rijk gekeken worden. Lukt het daar niet, dan moeten ook de provincie, de gemeenten, plaatselijke instanties en de bevolking in hun buidel tasten. Pijper vindt het „in ieder geval reëel" dat er geld beschikbaar komt. „Friesland doet erg z'n best om bedrijven en mensen te trekken, maar dan moet je wel zorgen voor goede voorzieningen. Dus ook voor goed openbaar vervoer".

Wanneer alleen gekeken wordt naar verbetering van de bereikbaarheid, zonder te letten op financiële consequenties, zijn volgens Pijper veel ingrijpender aanpassingen nodig. In zijn rapport oppert hij het idee om vanuit de centrumdorpen de buslijnen stervormig het achterland in te laten gaan. De centrumdorpen worden met elkaar verbonden door interregionale lijnen. Via korte overstappen moeten beide netten aangesloten worden op provinciale lijnen. Deze ingreep gaat echter „veel en veel meer dan 6 miljoen kosten". Om „financiële redenen" geeft Pijper dit voorstel dan ook „geen schijn van kans".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.