+ Meer informatie

Ontstaan en wezen van het ouderlingenambt volgens Handelingen

8 minuten leestijd

Het woord „ouderling” of „oudste” komen we in Handelingen het eerst tegen in Hand. 11. 30, We lezen daar, dat de collecte, die in Antiochië gehouden was ten behoeve van „de broeders, die in Judea woonden” (vers 29), werd afgedragen aan de ouderlingen van de gemeente van Jeruzalem. Het is waarschijnlijk niet toevallig, dat voor het eerst in Hand. 11, 30 over de ouderlingen van de gemeente van Jeruzalem gesproken wordt.

De tijd, waarin het gebeuren van Hand. 11, 30 plaats vond, was een tijd van ernstige vervolging van de gemeente van Jeruzalem. In het begin van hoofdstuk 12 wordt beschreven, hoe Jacobus ter dood gebracht werd en Petrus gevangen genomen werd. Het overbrengen van de collecte vond — zo staat uitdrukkelijk in Hand. 12, 1 — in ongeveer dezelfde tijd plaats als de marteldood van Jacobus. We weten, dat de vervolging van de gemeente van Jeruzalem ook ten gevolge had, dat de apostelen uit Jeruzalem uitweken. In Hand. 12, 17 lezen we, dat Petrus na zijn bevrijding uit de gevangenis uit Jeruzalem vertrok, terwijl we uit datzelfde vers de indruk krijgen, dat op dat moment ook de andere apostelen uit Jeruzalem waren uitgeweken. Het is in ieder geval opmerkelijk, dat Petrus een opdracht gaf voor „Jacobus en de broeders”. De apostelen werden door Petrus niet meer genoemd.

Het ligt voor de hand om aan te nemen, dat het ouderlingenambt in de gemeente van Jeruzalem in diezelfde tijd opkwam. De ouderlingen waren dan — oorspronkelijk —- de mensen, die in de gemeente van Jeruzalem de taak van de leiding en verzorging van de gemeente overnamen van de apostelen, toen de apostelen door de vervolging uit Jeruzalem moesten uitwijken.

Wanneer we het ontstaan van het ouderlingenambt op deze wijze mogen verklaren, wordt ook begrijpelijk, dat in Hand. 15 en 16 herhaaldelijk de combinatie van de begrippen „apostelen” en „ouderlingen” voorkomt. (Zo in Hand. 15, 2.4.6.22.23; 16, 4). Wat hun taak in de gemeente betreft, hadden de apostelen en ouderlingen immers bijzonder veel gemeen, zodat ze ook in één adem genoemd konden worden. De Duitse nieuwtestamenticus G. Bornkamm meent evenwel, dat we een sterk onderscheid moeten maken tussen de plaatsen in Handelingen, waar over de ouderlingen van de gemeente van Jeruzalem alléén gesproken wordt (Hand. 11, 30; 21, 18) èn de plaatsen, waar over die ouderlingen in één adem met de apostelen gesproken wordt (de plaatsen in Hand. 15 en 16). In het eerste geval traden, volgens Bornkamm, de ouderlingen slechts op als vertegenwoordiger van de plaatselijke gemeente van Jeruzalem. Als vertegenwoordigende instantie hadden zij geen verdere bevoegdheden. Van een werkelijke leidinggevende taak was geen sprake. De raad van ouderlingen was te vergelijken met de raad van een Joodse synagoge. Bornkamm verwijst daarbij naar Hand. 21, 18, waaruit blijkt, dat Jacobus in elk opzicht de leiding had bij de ontmoeting met Paulus — die in dit hoofdstuk beschreven wordt — en niet de ouderlingen. Anders staat het, volgens Bornkamm, in het tweede geval, wanneer de ouderlingen samen met de apostelen genoemd worden. Apostelen en ouderlingen samen fungeerden als een hoogste juridische instantie. Deze instantie kon bindende besluiten opleggen aan de gehele kerk. De raad van apostelen en ouderlingen samen was gevormd naar analogie van het Joodse sanhedrin.

Wanneer evenwel uitgegaan mag worden van de gedachte, dat de raad van ouderlingen in het leven werd geroepen _bij het uitwijken van de apostelen uit Jeruzalem en dat die raad veelszins de taak van de apostelen overnam, is te stellen, dat Bornkamm met betrekking tot de ouderlingen enerzijds te weinig en anderzijds te veel zegt. Hij zegt te weinig, wanneer hij in Hand. 11, 30; 21, 18 de ouderlingen slechts wil zien als een vertegenwoordigende instantie zonder bepaalde bevoegdheden. Hij zegt te veel, wanneer hij in Hand. 15 en 16 de ouderlingen wil zien als deel van een christelijk „sanhedrin” met juridische bevoegdheden voor de gehele kerk. Doordat veelszins de taak van de apostelen op de ouderlingen overging, konden de ouderlingen zowel de plaats van de apostelen overnemen (Hand. 11, 30; 21, 18), als naast de apostelen genoemd worden (Hand. 15 en 16).

Wat vanouds het wezen van het ouderlingenambt is, wordt ons duidelijk uit Hand. 20, 28. In Hand. 20, 18-35 wordt ons de toespraak weergegeven, die Paulus hield voor de ouderlingen van Efeze, die hij ontmoette in Milete op doorreis naar Jeruzalem. Dat er ook in de gemeente van Efeze ouderlingen waren, komt helemaal overeen met de praktijk, die Paulus bij zijn zendingswerk volgde. In iedere gemeente, die hij mocht stichten, was hij immers gewoon om ouderlingen aan te wijzen (vgl. Hand. 14, 23). In Hand. 20, 28 vinden we deze vermaning van Paulus voor de ouderlingen: „Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van Zijn Eigene verworven heeft”. Aan deze woorden zijn de volgende karaktertrekken van het ouderlingenambt te ontlenen:

1. Uitdrukkelijk worden de ouderlingen hier „opzieners” genoemd. De ouderlingen hebben het opzicht over de gemeente ontvangen. In het begrip „opzicht” zit — zoals blijkt uit het woord, dat in de oorspronkelijke taal, het Grieks, gebruikt wordt — zowel de gedachte van het toezicht op de gemeente als de gedachte van de verzorging van de gemeente. Het toezicht mag niet ontaarden in het aannemen van een autoritaire houding zonder meer. Het toezicht is toegespitst op de verzorging. Het gezag óver de gemeente moet beleefd worden in de dienst áán de gemeente. Waar wel toezicht is, maar de notie van de dienende verzorging ontbreekt, is van opzicht in de bijbelse zin van het woord geen sprake. Aan de andere kant is de verzorging van de gemeente, zoals die tot de taak van de ouderlingen behoort, geen vrijblijvende zaak. De verzorging staat in het kader van het toezicht. De dienst van de ouderlingen komt tot de gemeente met ambtelijk gezag.

Duidelijk wordt dat ook uit het beeld, waarmee de taak van de ouderlingen omschreven wordt, nl. het beeld van het weiden van de gemeente als een kudde. In dat „weiden” van de gemeente als „kudde” ligt eveneens die dubbele gedachte: zowel de gedachte van het toezicht als de gedachte van de verzorging. „Weiden” is voorgaan èn dienend voorgaan. Het een mag op geen enkele wijze in mindering komen van het ander. Ook elders in het Nieuwe Testament keert de omschrijving van de taak van de ouderlingen als het weiden van de gemeente terug (vgl. b.v. 1 Petr. 5, 2 v.).

2. Uitdrukkelijk wordt ook gezegd, dat het de Heilige Geest is, die de ouderlingen tot opzieners gesteld heeft. Niet mensen creëren het ouderlingenambt. Het is de Heilige Geest, die stelt in het ouderlingenambt. Daarmee is niet uitgesloten, dat de Heilige Geest ook menselijke middelen gebruikt om in dit ambt te stellen. Uit Hand. 14, 23 blijkt, dat Paulus en zijn reisgenoten zelf ouderlingen aanwezen in de verschillende gemeenten. Toch was het niet Paulus of wie ook, die in laatste instantie in het ambt stelde. In laatste instantie was het de Heilige Geest Zelf, die in het ambt stelde. Het ambtelijk gezag vond zijn grond in het stellen in het ambt door de Heilige Geest.

Zonder twijfel wordt hier ook een karaktertrek van het ouderlingenambt aangegeven, die zijn betekenis houdt in alle tijden. Wanneer ouderlingen door de gemeente verkozen worden, is het ook vandaag toch de Heilige Geest, die door menselijke middelen in het ambt stelt. Ouderlingen staan dan ook ten diepste. verantwoordelijk tegenover de Heilige Geest Zelf. Hij is het, die ook nu nog in het ambt stelt en in Hem is, ook nu nog, het gezag van het ambt gegrond. Ouderlingen zijn geen exponenten van de gemeente, laat staan van een bepaald deel van de gemeente.

3. Uitdrukkelijk wordt ook gezegd, dat ouderlingen geen opzicht hebben over iets, dat zij als het hunne kunnen beschouwen. Zij hebben opzicht over de gemeente, die Gods eigendom is, door Hem gekocht voor de prijs van het bloed van Zijn Eigene. De uitdrukking, die we in het Grieks voor die laatste woorden tegenkomen, is beter niet te vertalen met „door Zijn eigen bloed”, maar met „door het bloed van Zijn Eigene”. Gedacht wordt kennelijk aan het bloed van Christus, waarmee de kerk gekocht werd. Dat hield Paulus aan de ouderlingen van Efeze voor en dat dienen ouderlingen alle eeuwen door te beseffen: Aan het bestaan van de gemeente ligt het volbrachte werk van Christus aan het kruis van Golgotha ten grondslag.

Dat onderstreept aan de éne kant de grote verantwoordelijkheid van de ouderlingen. Een ouderling dient te weten, wàt de gemeente is, die hij dient. Hij kan met die gemeente maar niet doen wat hij wil. Hij kan met die gemeente ook maar niet doen, alsof die gemeente iets van hemzelf is. Hij dient met die gemeente om te gaan als iets bijzonder kostbaars. Er had voor die gemeente immers geen duurdere prijs betaald kunnen worden dan de prijs van het bloed van Christus. Aan een ouderling, die een gemeente dient, is de zorg toevertrouwd voor iets, waarvoor de hoogst denkbare prijs ter wereld betaald is.

Aan de andere kant bevrijdt dat ook van alle krampachtigheid. De gemeente, die een ouderling dient, is de gemeente Gòds. Een ouderling mag dan ook weten, dat God Zelf Zich voor de gemeente, die Hij zo duur kocht, zal inzetten. Het hangt uiteindelijk ook niet van de ouder lingen af. Dat ontslaat de ouderlingen niet van hun verantwoordelijk heid hinnen de gemeente. Dat doet wel de verantwoordelijkheid op de enig juiste wijze zien en beleven: in afhankelijkheid van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.