+ Meer informatie

De Deugden Gods (p.)

,,Zijt heilig, want Ik ben heilig!"

4 minuten leestijd

, , Zijt heilig, want Ik ben heilig!"

We noemen nu vervolgens de heiligheid Gods, als een mededeelbare eigenschap Gods, behorende tot Zyn wil.

Het woord „heilig" betekent afgezonderd van het overige; bestemd tot iets, waar het overige niet toe bestemd is.

Gewoonlijk verstaat men onder „heilig" alleen „zonder zonde", en al is het waar, dat het woord heilig in sommige gevallen ook werkelijk deze betekenis heeft, toch beduidt het in het algemeen, dat iets of iemand afgezonderd is van en tot iets (iemand).

Zo lezen we van de heilige profeten, heilige priesters, heilige apostelen, heilige verrichtingen, en heilige tijden, waarmede stellig niet bedoeld wordt, dat die profeten, priesters, apostelen, enz. zonder zonde waren, maar wel, dat ze afgezonderd waren tot iets bijzonders, dat de Heere met hen beoogde.

Wordt er nu in de Heilige Schrift van God gezegd, dat Hij heilig is, ja, zelfs, dat Zijn naam „de Heilige" is, dan wordt daarmede bedoeld, dat Hij afgezonderd is van al het eindige en beperkte en al het geschapene. Hij is daar ver boven verheven. Maar inzonderheid ziet het begrip „heilig" bij God op Zijn afgezonderd-zijn van al wat zondig en onrein is. Met al het geschapene heeft God de Heere, hoewel Hij er verre boven verheven is, toch nog gemeenschap. Zijn verbondsgemeenschap met Zijn volk is daarvan het bewijs. Doch die gemeenschap is toch alleen mogelijk in en door tussenkomst van de grote Hogepriester. Maar met de zonde, met het kwaad, met de onreinheid kan de Heilige geen gemeenschap hebben. De afzondering daarvan is bij Hem volkomen. Zo zien we dus, dat het woord „heiligheid" veel meer omvat dan alleen zonder zonde te zijn. Want God de Heere is niet slechts zonder zonde, maar houdt eveneens niet de minste gemeenschap met hen, die zondig zijn.

Spreken we alzo over de heiligheid des Heeren, dan noemen we daarmede de grootst mogelijke afstand tussen Schepper en schepsel, tussen God en wereld.

Die hoge verhevenheid is voor de zondaar een verschrikking; een onoverkomelijke scheidsmuur; een kloof, die niet te overbruggen is. Maar voor de zondeloze engelen en de gezaligden door het bloed des Lams is diezelfde heiligheid een voorwerp van lof en aanbidding. In het visioen van Jesaja 6 komen de Serafs voor, als bedekkende hun aangezichten voor de heiligheid Gods; en hoewel zijzelf ook zonder zonde en onreinheid zijn, en alle kwaad verfoeien, roepen ze toch in tedere schuchterheid uit: „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen!"

Van die heiligheid Gods zijn aan Zijn volk de uiterste delen geopenbaard. Reeds onder het Oude Verbond kwam de Heilige op de Sinaï Zijn grondwet geven, onder de geduchte tekenen van donder, bliksem en aardbeving. In die Goddelijke Wet vinden we de proclamatie, de afkondiging van de heiligheden des Heeren, die van Zijn volk vei^mgt en eist, dat het in heiligheid voor Zijn aangezicht zal wandelen. En niemand komt tot een verzoende betrekking met de Heilige, of hij moet eerst onder het vonnis der Wet zwichten, en voor de heiligheid des Heeren zijn eigen onheiligheid belijden en bewenen.

Een tweede openbaring van Gods heiligheid is de verschijning van Zijn Zoon in het vlees. En vooral op Golgotha is die heiligheid Gods ontbrand in toorn tegen de Zoon Zijner liefde, in Wie God het zondige, doch uitverkoren volk aanzag. Zo juist zegt het Avondmaalsformulier hiervan: „Dat de toorn Gods tegen de zonde zó groot is, dat Hij die (eer Hij ze ongestraft liet blijven) aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke dood des kruises gestraft heeft". En ook die openbaring van Gods heilige wrake moet innerlijk in het hart van de zondaar geschieden, zal hij een open oog krijgen voor de waardij van Christus' werk, en zal hij als een onheilige in zichzelven zijn heiligheid door het geloof in die enige Borg en Middelaar vinden.

En voorts zal door de toepassende werking des Heiligen Geestes de heiligheid des Heeren steeds meer plaats moeten krijgen in de harten van Gods kinderen. Ze mogen zichzelven al onheiliger achten, niettemin zal het door God geplante nieuwe leven, dat niet zondigen kan, zich naar de heiligheden des Heeren uitstrekken, en verlangen naar het ogenblik, dat alle zonden zullen zijn afgelegd en een heilig bestaan eeuwig hun deel zal wezen.

Geeft dan eeuwig' eer Onzen God en Heer Klimt op Zion, toont Eerbied, waar Hij woont, Waar Zijn heiligheid Haren glans verspreidt; Heilig toch en t' eren v Is de Heer der heren!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.