+ Meer informatie

Zijn huwelijksvoorwaarden passend in goed huwelijk?

14 minuten leestijd

Het huwelijksvermogensrecht regelt de vermogensrechtelijke gevolgen van een huwelijk. Trouwen mensen met elkaar, dan treden deze gevolgen automatisch (van rechtswege) in. Willen de echtgenoten deze in de wet omschreven gevolgen van hun huwelijk niet, dan dienen ze zelf, voor of tijdens het huwelijk, een regeling te treffen. We noemen dat het maken van huwelijksvoorwaarden.

Men kan dit systeem enigszins vergelijken met ons erfrecht. Ook wat er na iemands overlijden met zijn nalatenschap gebeurt, is in de wet geregeld. Wenst men een andere regeling dan moet men daar zelf voor zorgen, in dat geval door het maken van een testament. Zowel voor het maken van een testament, als van huwelijksvoorwaarden, wendt men zich tot een notaris.

Terugkerend tot het wettelijk stelsel van huwelijksvermogensrecht, is als meest opvallend kenmerk daarvan te vermelden dat de vermogens van de echtgenoten samensmelten tot één gemeenschappelijk vermogen. Zowel wat bij het aangaan van het huwelijk aanwezig was, als al hetgeen staande het huwelijk verkregen wordt, zoals door het verrichten van arbeid, bijwege van schenking of krachtens erfrecht.

Men spreekt wel — niet geheel terecht — van een algehele gemeenschap van goederen. Tot de gemeenschap is iedere echtgenoot voor het geheel gerechtigd, onder respectering van het gelijke recht van de ander. Na ontbinding van de gemeenschap is ieder voor de helft gerechtigd.

Huwelijk
De wetgever heeft het niet gewaagd een definitie van „huwelijk" op te stellen. Desniettemin is niet onzeker wat hij zich in ideëel opzicht van het huwelijk voorstelt. Uit de regeling van de echtscheiding en alimentatie blijkt reeds dat gedacht wordt aan een duurzame levensgemeenschap, aan een samen-leven voor de (resterende) duur van het leven.

Echtscheiding kan immers in de visie van de wetgever alleen aan de orde komen indien er tenminste sprake is van een duurzame ontwrichting. Onderlinge overeenstemming alléén is — in theorie — niet toereikend. Eenzijdige opzegging komt zelfs in de praktijk niet aan bod.

Echtscheiding doet in beginsel een verplichting tot betaling van bedragen voor levensonderhoud ontstaan, indien voldaan is aan de vereisten aangaande behoefte en draagkracht en zich geen bijzondere omstandigheden voordoen welke met een recht op levensonderhoud niet te rijmen zijn. Het bestaan van die verplichting is niet aan tijd gebonden, hetgeen een argument oplevert voor de opstelling dat de wetgever bij huwelijk denkt aan levenslang.

Lotsverbondenheid
Het huwelijk is, anders dan bijvoorbeeld een maatschap, niet primair een samenwerkings-, maar een samenlevingsverband. Men deelt elkaars leven. Wat het huwelijksvermogensrecht betreft, manifesteert dit zich in het feit dat het doordrenkt is van de gedachte van lotsverbondenheid. Zo zijn daar regels van dwingende aard, o.a. betrekking hebbend op de woonplaatskeuze, de kosten van de huishouding, het huishoudgeld, de bescherming van de echtgenoten tegen zichzelf en de ander. (Zijn uit het huwelijk kinderen geboren, dan zijn weer een aantal regels tussen ouders en kinderen van toepassing).

In de praktijk wordt aan het bestaan van het huwelijksvermogensrecht nauwelijks gehecht, zolang de echtelijke verhouding de inhoud heeft welke daaraan in beginsel wordt toegekend. Wie uitgaat van goed functionerende huwelijken zou de stelling kunnen verdedigen dat aan het huwelijksvermogensrecht in het geheel geen behoefte bestaat.

Maar daarmee is gelijktijdig tot uitdrukking gebracht dat het huwelijksvermogensrecht het overgrote deel van zijn belang ontleent aan de realiteit dat de affectieve relatie aan spanningen onderhevig kan zijn en zelfs kan verkeren in een vijandige betrekking. In die situatie schiet de wet te hulp bij het afbakenen van de rechtsposities. Dat is ook meer in het algemeen de functie van de wet; hij moet zijn waarde, net als een contract, bewijzen in moeilijke situaties, waarin niet alles „vanzelf loopt".

Enig land
Vermeldenswaard is dat Nederland als enig land in Europa het wettelijk stelsel van de algehele gemeenschap van goederen kent. Hoe komen wij aan zo'n uniek stelsel? Over de historische oorsprong zijn vele theorieën opgesteld, maar de bronnen zijn niet overtuigend. De oorsprong van de algehele gemeenschap is niet na te gaan. Door sommigen is wel beweerd dat deze gemeenschap christelijk geïnspireerd zou zijn, maar bewijzen zijn daarvoor uit de wetsgeschiedenis niet bij te brengen.

Overigens moet ook in gedachten worden gehouden dat de gemeenschap niet altijd dezelfde gedaante gehad heeft. Zo werd in 1957 de handelingsbekwaamheid van de gehuwde vrouw ingevoerd en kwam in 1970 de thans nog geldende, nogal ingewikkelde verdeling van het bestuur over de gemeenschap tot stand.

Met name die bestuursverdeling heeft veel kritiek opgeroepen. In feite zijn er twee kapiteins op het schip (één vermogen, twee eigenaren). Wij kunnen hier nu niet diep op de zaak ingaan. Slechts het volgende: het bestuur van de gemeenschap is gesplitst volgens het beginsel der bestuursverdeling, dat die echtgenoot bestuursbevoegd verklaart, die het betrokken goed volgens de regels der eigendomsverkrijging voor de gemeenschap heeft verworven. Dit beginsel wordt echter op vele wijzen doorkruist. Beide echtgenoten kunnen los van elkaar de gemeenschap met schulden belasten; ook hier gelden echter weer beperkingen.

Gebrekkig stelsel
Wonderlijk is ook de sanctie op overtreding van de ingenieuze bestuursregels. Bij negatie der bestuursverdeling door de andere echtgenoot, die onbevoegd daartoe — bijvoorbeeld onroerend goed van de daartoe wél bevoegde echtgenoot verkoopt, is de overeenkomst rechtsgeldig, tenzij laatstgenoemde tijdig de nietigheid inroept. Doet hij dit niet, dan is deze — hoewel hij aan het gebeuren part noch deel gehad heeft — als partij naast de onbevoegde echtgenoot mede gebonden.

Een regel dat de echtgenoten te zamen besturen en slechts te zamen algemene schulden aangaan zou beter zijn. Opmerkelijk is ook nog dat de sanctie — het uitroepen van de nietigheid — niet werkt bij een beroep op de goede trouw door de wederpartij, dat in rechte erkenning heeft gevonden.

Deze regeling maakt het bijvoorbeeld ook mogelijk dat, in het zicht van een echtscheiding, de ene echtgenoot de gemeenschap zodanig — want onbeperkt — met schulden belast dat de andere met lege handen achterblijft.

Een apart probleem bij echtscheiding is nog dat de gemeenschap pas ontbonden wordt door inschrijving van het vonnis in de registers van de burgerlijke stand. Dat zou moeten gebeuren op het moment dat de procedure tot echtscheiding wordt ingeluid. Dan is er minder gelegenheid tot chicanes. Op z'n minst zou een boedelbeschrijving plaats moeten vinden.

De crediteuren van de ene echtgenoot kunnen zich nu immers verhalen op het vermogen van de andere echtgenoot. Is dat zo billijk? Zowel ten opzichte van elkaar als ten opzichte van derden is dit de vraag. Het gaat toch niet aan dat een privéschuld van één der echtgenoten verhaalbaar is op alle goederen van de gemeenschap en dat bij ontbinding van die gemeenschap een echtgenoot voor de helft privé aansprakelijk wordt voor een door toedoen van zijn partner ontstane gemeenschapsschuld?

Waarom zouden crediteuren aan een feit dat hen in beginsel niet aangaat, te weten het huwelijk en de algehele gemeenschap, het recht moeten kunnen ontlenen om zich te verhalen op het vermogen van een ander dan de schuldenaar? Gaat één van beide echtgenoten failliet dan sleept hij/zij de ander mee.

Afschaffing of aanpassing
Op grond van bezwaren als deze en andere tegen de algehele gemeenschap en de wettelijke regeling daarvan, hebben sommigen gepleit voor afschaffing van het stelsel, anderen voor aanpassing daarvan.

Over de vraag of dan gekozen zou moeten worden voor een stelsel van beperkte gemeenschap of uitsluiting van iedere gemeenschap lopen de meningen sterk uiteen.

Hoe het ook zij, een echtpaar dat deze — en andere — problemen wil vermijden, is gedwongen huwelijksvoorwaarden te maken. Sinds 1970 kan dat ook tijdens het huwelijk nog.

Het percentage huwelijken met huwelijksvoorwaarden is in de laatste vijfentwintigjaar verdubbeld en bedraagt thans 15. Ongeveer de helft daarvan kiest voor de uitsluiting van elke gemeenschap, de andere helft voor één van de velerlei tussenvormen.

Bewuste keuze?
Uit de genoemde cijfers valt af te leiden dat voor 85 procent van de aanstaande echtgenoten de wettelijke gemeenschap van goederen een vanzelfsprekende zaak is. Of er ook sprake is van een bewuste keuze valt voor het merendeel van de gevallen te betwijfelen, maar het staat vast dat ook mensen die nauwkeurig op de hoogte zijn van de betekenis van de algehele gemeenschap, daarvoor kiezen.

Nu mag echter niet gedacht worden dat huwelijksvoorwaarden wél altijd bewust door de a.s. echtgenoot gekozen worden. Vaak gaat de stimulans „om eens met de notaris te gaan praten" van de ouders uit, die het moeizaam vergaarde vermogen het liefst in de familie houden of daarin terug zien keren bij (kinderloos) overlijden van één der echtgenoten. Ook zonder huwelijksvoorwaarden tussen echtgenoten kunnen een aantal activa buiten de gemeenschap vallen, doordat erflaters of schenkers dat bepalen.

Andere motieven
Andere, met de bezwaren tegen het gemeenschapsstelsel samenhangende, motieven kunnen zijn dat de man die een zaak heeft, het vermogen van zijn vrouw buiten de risicodragende sfeer wenst te houden. Nu naast de NV de rechtsvorm van de BV op grote schaal z'n intrede gedaan heeft, worden de huwelijksvoorwaarden soms opgeheven.

Of het huwelijk is (nog) kinderloos. Men wil niet dat bij overlijden van één der echtgenoten diens vermogen bij de familie van de andere echtgenoot, als ook die overleden is, terecht komt. Huwelijksvoorwaarden gaan dan gepaard met een „langstlevende testament" waarbij de langstlevende (slechts) het vruchtgebruik van de nalatenschap vermaakt wordt. Worden er later kinderen geboren dan worden de huwelijksvoorwaarden (soms) opgeheven en maken de ouders een (nieuw) testament waarbij zij een boedelverdeling tot stand brengen, zodanig dat op het moment van overlijden de gehele nalatenschap naar de langstlevende verhuist en de kinderen vruchtgebruik krijgen.

In de derde plaats is de situatie van een tweede huwelijk, waarbij reeds van één of beide kanten kinderen aanwezig zijn. Is bijvoorbeeld de hertrouwende weduwnaar een vermogend man terwijl de weduwe armlastig is, dan heeft de echtverbintenis tot gevolg dat de helft van 's mans vermogen reeds op het stadhuis verhuist naar de vrouw, zulks ten nadele van de kinderen van de man, nu deze zondermeer niet van vaders echtgenote erven.

Huwelijkse voorwaarden verdienen dan terdege overweging, waarbij men echter moet laten meewegen dat de natuurlijke plicht van de man om te voorzien in de verzorging van zijn echtgenote na zijn overlijden, het gewenst kan maken met opzet geen huwelijksvoorwaarden te maken. Kinderen kunnen geen enkel verweer voeren tegen het niet aangaan van huwelijksvoorwaarden.

Moderne ontwikkelingen
Voorts moet er ook op gewezen worden dat huwelijksvoorwaarden niet, zeker niet in de laatste tientallen jaren, enkel ingegeven worden door bepaalde bezwaren tegen boedelmenging die bij het huwelijk anders op zou treden. Een drietal ontwikkelingen mogen genoemd worden.

De verontrustende stijging van het aantal huwelijken dat door echtscheiding wordt ontbonden. Het aantal huwelijkssluitingen daalt, terwijl het aantal echtscheidingen blijft stijgen. Als gevolg hiervan wordt het notariaat overstroomd met echtscheidingsvonnissen, waarin een notaris wordt aangewezen om de scheiding der ontbonden huwelijksgemeenschap tot stand te brengen.

Veelal betreft het hier minvermogenden, gehuwd in de wettelijke gemeenschap, die soms verbitterd twisten om een gefinancierde auto, tv-toestel en ander — al of niet intussen verdwenen — meubilair. De tragiek is vaak groot, de notariële taak onuitvoerbaar. Overigens geldt dat soms óók al waren er wel huwelijksvoorwaarden. Er zijn altijd goederen waarvan het bezit onduidelijk of dubbelzinnig is. Gezien de echtscheidingsfrequentie in andere westerse landen moet ermee gerekend worden dat de misère zijn volle omgang nog lang niet heeft bereikt.

De ook wettelijk in 1957 in gang gezette emancipatie van de gehuwde vrouw hield bij dat stadium geen halt. Vóór 1957 was de vrouw handelingsonbekwaam en bezat slechts een zekere — van de man afgeleide — autonomie op het huishoudelijk terrein en in haar beroep of bedrijf. De man alléén bestuurde de gemeenschap en was van dit bestuur geen rekening en verantwoording schuldig. Alleen de man kon — behoudens enkele uitzonderingen — de gemeenschap met schulden belasten.

Tegenwoordig wordt steeds sterker het pleidooi voor verzelfstandiging van de gehuwde — vooral de werkende —vrouw vernomen. Men vindt bijvoorbeeld ook dat de aard van het huwelijk er voor pleit dat beide echtgenoten, dus ook degene die het huishouden waarneemt, gelijkgerechtigd zijn ten aanzien van de inkomsten uit arbeid.

Verdient de man het inkomen dan heeft hij op grond van het gemeenschapsstelsel daarover het bestuur. De niethuishoudelijke echtgenoot kan er de oorzaak van zijn dat de helft van de gemeenschap, waarop de huishoudelijke echtgenoot in die visie per saldo recht heeft, ten prooi valt aan diens schuldeisers.

Huwelijkse voorwaarden worden nog altijd door de volksmond in verband gebracht met gefortuneerd zijn, het bezit van omvangrijke vermogens. Die voorstelling klopt niet (meer). Er kan al gegronde reden zijn voor het maken van huwelijksvoorwaarden als één of beide echtgenoten een onderneming drijven of in het geval dat men op beperkte schaal aan vermogensvorming (in eigen huis bijvoorbeeld) doet. De vermogensverhoudingen zijn gedurende de laatste vijftig jaar in ons land sterk gedemocratiseerd, zoals dat dan heet.

Bijbels verantwoord?
De kernvraag, die immers de aanleiding voor dit artikel vormde, nl. of het maken van huwelijksvoorwaarden op bijbelse gronden verworpen moet worden, is in feite niet rechtstreeks te beantwoorden. De Bijbel schrijft nergens de algehele gemeenschap van goederen voor, zeker niet in de vorm zoals wij die hier te lande thans kennen. Gegeven de positie van de gehuwde vrouw in het Oude Testament, hoeft het niet te verwonderen dat de zaak, ook in het bredere verband van het huwelijkvermogensrecht, niet aan de orde komt.

Toch kan de essentie van het huwelijk geen andere geweest zijn dan deze thans nog is. Dat acht ik op zichzelf al een bewijs dat de vormgeving van het huwelijk sterk cultureel bepaald is. Ik acht het ook een bewijs voor de stelling dat men onderscheid kan en mag maken tussen de ideële en de materiële kant van het huwelijk.

Het viel bij raadpleging van een groot aantal (oudere) handboeken van protestants-christelijke theologen over de ethiek op dat nergens gesproken wordt over een stelsel van huwelijksvermogensrecht dat speciaal bij de aard van het huwelijk zou passen.

Natuurlijk is het een voor de hand liggende gedachte dat echtgenoten, zolang de echtelijke verhouding de inhoud heeft die daaraan in beginsel mag worden toegekend — eenheid, genegenheid, trouw, harmonie —, geen strijd leveren om vermogensrechtelijke posities en een stelsel verlangen waarin zij de ideële en materiële eenheid beleven kunnen.

Zo kan het zijn dat voor veel echtelieden de algehele gemeenschap van goederen onlosmakelijk verbonden is met een goed huwelijk. Er werd hiervóór echter reeds op gewezen dat veruit het merendeel de terzake geldende wetgeving niet kent en de consequenties ervan niet overziet. Maar het zal hen ook een zorg zijn hoe de wetgever bijvoorbeeld de draag- en fourneerplicht regelt terzake van de kosten van de huishouding. Ook de andere, hiervóór genoemde bezwaren tegen het wettelijk stelsel, zullen in harmonie levende echtgenoten niet zwaar wegen.

Ik blijf echter bij die geuite kritiek. De wetgever zou daanin moeten voorzien. Ik bepleit echter niet de afschaffing van het stelsel als zodanig. Er is behoefte aan een eenvoudig stelsel dat in het gros van de gevallen toepasbaar en passend is. Maar zolang de wetgever niet aan de geuite bezwaren tegemoet komt, zullen degenen die deze bezwaren onderschrijven, aangewezen zijn op huwelijksvoorwaarden.

Toch goed huwelijk
In elk geval mag men nooit zo ver gaan dat uit het feit dat de echtgenoten huwelijksvoorwaarden maken, afgeleid wordt dat er geen sprake kan zijn van een goed huwelijk. Wie dat doet, onderkent niet dat een zakelijke benadering van de vermogensrechtelijke gevolgen van het huweiijk nog in het geheel niet tot verzakelijking van de huwelijksbetrekkingen behoeft te leiden. Er zijn in mijn ogen hiervóór een reeks van alleszins oirbare, uit zorg voor de ander voortkomende motieven opgesomd welke de waarde van zulk een gevolgtrekking sterk in twijfel kunnen doen trekken.

Evenzo zijn er een aantal veel minder achtenswaardige, om niet te zeggen minderwaardige en bedenkelijke motieven. De meeste ervan hebben het egoïsme en de hebzucht als wortel. Het zal geen betoog behoeven dat dit kwaad funest is in een huwelijk.

Vermoedelijk speelt echter de gevoelsmatig negatieve klank van het woord „voorwaarden" ons parten. Voorwaarden in relatie tot een huwelijk roepen de gedachte aan wantrouwen op. Het woord verwijst slechts naar een historie. Toen kon die sluiting van een huwelijk staan omvallen met de bereidheid tot het aangaan van overeenkomsten die de vermogensrechtelijke gevolgen voor de betrokken families regelden. Wie denkt daar vandaag nog aan?

Overigens lijkt mij duidelijk dat wanneer één van de (a.s.) echtgenoten het voorstel om huwelijksvoorwaarden te maken als een blijk van wantrouwen zou opvatten, men van zo'n overeenkoms moet afzien.

De wetgever moet op dit terrein niet voorschrijven, moet de vrije keuze laten, maar hij heeft wel de taak om te zorgen voor een regeling die z'n dienst en z'n ordenende kracht bewijst in situaties waar in het huwelijk onder spanning staat als één van de echtgenoten zich in onverantwoorde, althans riskante financiële avonturen stort. Een wetgever die dat niet doet, schiet tekort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.