+ Meer informatie

Deputaatschap voor hulpverlening in binnen- en buitenland

10 minuten leestijd

Onder deze naam wordt er in onze kerken gewerkt, althans op bescheiden schaal aangevangen te werken aan een veelbesproken en noodzakelijke activiteit, die iedere gelovige ter harte moet gaan, nl. de hulp aan de medemens die gebrek lijdt of anderszins in nood is.

De redactie van Ambtelijk Contact vroeg mij, à titre personel, iets over het werk van dit deputaatschap te vertellen.

Hieraan wordt bij deze, zij het met enige aarzeling vanwege het nog duidelijk in de beginfase verkeren van de werkzaamheden, gaarne voldaan.

Het deputaatschap is door de synode van ’68/’69 ingesteld en het zal de lezer daarom duidelijk zijn, dat het nog volop in de aanloopfase verkeert. Over „het” werk kan er dus nog niet veel verteld worden.

Trouwens, ook voor deputaatschappen geldt dat „het” werk nooit zal vaststaan. Het zich bezinnen op nieuwe ontwikkelingen en het antwoord daarop, de houding daartegenover blijft een eerste eis bij iedere activiteit!

Wat, waarom en hoe?, dat moet constant op alle agenda’s en in alle achterhoofden aanwezig zijn.

De naam „deputaatschap voor hulpverlening in binnen- en buitenland” doet nogal „neutraal” en geseculariseerd aan. Ongetwijfeld hangt dat samen met de visie die er tot nog toe op deze activiteit bestaat.

De opdracht van de generale synode luidt:

- voort te gaan met het lenigen van bijzondere noden binnen de grenzen van het eigen land;

- bezinning op de schriftuurlijke roeping van de kerken tot hulpverlening buiten onze grenzen en hiervan op de eerstvolgende generale synode rapport uit te brengen;

- intussen reeds middelen en wegen te zoeken tot hulpverlening buiten onze grenzen voorzover deze hulpverlening op de weg der kerken ligt;

- op de volgende generale synode een conceptinstructie in te dienen.

Voorts besloot de generale synode in dit verband:

- deputaten te machtigen een collecte te doen houden in de kerken, zo mogelijk met vermelding van het concrete doel;

- een A.D.M.A.-deputaat te benoemen in het deputaatschap voor hulpverlening (daarbij overwegende „het bevorderen van het verlenen van internationale hulp ten behoeve van de bediening der ambten niet op te dragen aan deputaten ADMA, maar dat te honoreren door de benoeming van een ADMA-deputaat in het nieuw ingestelde deputaatschap”);

- dat een algemene collecte in de kerken ten behoeve van plaatselijke of regionale belangen alleen mag worden uitgeschreven door deputaten voor hulpverlening.

De voorgeschiedenis, die uiteindelijk tot deze beslissingen van de generale synode leidde, mag als bekend worden verondersteld. Daarover nog het volgende:

Reeds is op enige synodes dit punt aan de orde geweest. Het deputaatschap „Bijzondere Noden” heeft vele jaren haar werk gedaan, doch de instructie daarvoor stamde uit tijden en achtergronden, die afweken van de huidige.

Vanuit de kerken kwam steeds meer de vraag naar voren, op welke wijze de kerk de gelovigen dient toe te rusten tot hun taak ten opzichte van de onoverzienbare nood en ellende waarin tweederde van de wereldbevolking moet „leven”.

Bij bepaalde omstandigheden, bijv. de acties voor hongerend India, gingen verscheidene van onze kerken ertoe over de opbrengst van acties over te maken aan bijv. het Werelddiaconaat van de Geref. Kerken.

Men zocht naar „wegen”!!

Hieruit bleek dat gelukkig het besef levendiger werd, dat de gelovige niet, genietend van welvaart, voorbij mag gaan aan de nood van de naaste, waar dan ook en van welke levensovertuiging dan ook.

De moderne communicatiemiddelen laten het niet meer toe dat we het niet zouden weten dat er ook dit jaar weer ongeveer 30 miljoen mensen door voedseltekort of eenzijdige voeding zullen sterven, terwijl het bij ons een belangrijk probleem is hoe wij ons gewicht binnen verantwoorde grenzen zullen houden!!

En hiertegenover is de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan duidelijk genoeg! Er was onbehagen in onze kerken; er kwamen vragen en discussies. Belangrijke instructies kwamen op de synodetafel.

A.D.M.A.-deputaten wijdden een paragraaf aan deze materie in hun rapport aan de generale synode van ’68/69.

Zij benaderden deze zaken vanuit het standpunt dat het verlenen van hulp door kerken als zodanig in relatie tot de woordverkondiging en verdere bediening der ambten dient te geschieden.

Hier volgt een citaat (met excuus voor de lengte):

„Deputaten zijn van oordeel, dat de financiële hulp steeds in relatie dient te staan tot één van de ambten. Het gaat hier om financiële hulp ter bevordering van een juiste bediening van de ambten. Concreet gesteld betekent dit materiële hulp bijv. voor kerkbouw, theologische scholen, zen-dingsatbeiders etc. maar vervolgens ook materiele hulp ten behoeve van een goede uitoefening van de dienst der barmhartigheid, het diaconale ambt dus. Een terrein waar hetzelfde uitgangspunt reeds in het verleden een grote rol heeft gespeeld is dat van onze buitenlandse zendingsarbeid, waarin eveneens materiële hulpverlening ter bevordering van een juiste functionering van alle ambten is terug te vinden. Er is dus alle aanleiding voor onze kerken om op die wijze een plaats te gaan innemen in de geheel nieuwe stormachtige acties ter verbreiding van het Koninkrijk Gods zoals deze vooral gedurende de afgelopen tien jaar tot ontplooiing zijn gekomen. Deze activiteiten kunnen niet worden gekenschetst met het ons vertrouwde begrip „zending”; terwijl een uitsluitend diaconale kwalificatie van bedoelde activiteiten (zoals thans in brede kring gebruikelijk: bijv. de term werelddiaconaat) als te beperkt moet worden beschouwd wanneer behalve diaconale projecten ook projecten op het programma staan, die op de bevordering van een goede bediening van de andere ambten betrekking hebben.”

Tot zover enkele momenten en gedachten uit de voorgeschiedenis.

Het nieuwe deputaatschap staat voor de niet geringe taak de bovengenoemde opdrachten van de synode uit te voeren. Er moet enerzijds veel bezinningsarbeid verricht worden; anderzijds zijn deputaten van mening dat er onmiddellijk een aanvang gemaakt moet worden met het bieden van daadwerkelijke hulp, ergens, in de onvoorstelbare hoeveelheid van noden in de wereld van vandaag.

De bezinningsarbeid zal moeten uitmonden in een rapport aan de generale synode, dat de schriftuurlijke fundering van het werk en een concept-instructie voor de taken van deputaten zal dienen te bevatten. Daarbij kunnen vragen aan de orde komen als deze:

- Wat is de taak van de kerk als zodanig, mede i.v.m. de taak van de gelovigen? De kerk is de vergadering van gelovigen! Hoe moet de kerk de gelovigen „toerusten”? Waar nodig ook „kanalen” organiseren?

Of volstaan met bijv. via de prediking te wijzen op de christenplicht?

- Verhouding, evt. integratie, van ambtelijke bediening (zending) en hulpverlening.

- Is er verschil tussen de taak van de kerken t.a.v. bijzondere noden in het binnenland en die t.a.v. de nood in andere landen? Kan een (toevallige) staatsgrens iets aan die taak veranderen?

- Wat zijn de criteria bij hulpverlening?

Uitsluitend via kerken? Welke criteria dan daarbij hanteren? Het helpen van de naaste in nood nalaten omdat er toevallig geen kerk in de buurt is die aan de criteria voldoet?

- Wat is en blijft de verhouding tot ADMA vanwege de aanrakingspunten op het diaconale vlak?

(Er is nu een wederzijds „contactlidmaatschap”).

In de brief aan alle kerkeraden van maart 1969 zijn er over enkele van deze punten reeds opmerkingen gemaakt. Gaarne verwijs ik daarnaar.

Het valt licht in te zien dat er punten bij zijn waarvan niet te verwachten is dat er in onze kerken geheel gelijkluidend over gedacht zal worden. Hopelijk is dat dan niet de oorzaak van uitstel of afstel van hulp. Iedere dag sterven er menselijk gesproken, 100.000 mensen, die, bij voldoende hulp, hadden kunnen blijven leven. Wie het „voorrecht” heeft gehad, de ontstellende problemen met eigen ogen te zien, die betreurt iedere dag die onnodig verloren gaat.

Om een aanvang te kunnen maken met daadwerkelijke hulpverlening, moet er veel voorbereidend werk worden verricht.

Hierbij komt o.m. aan de orde:

- Het zou onpraktisch zijn om zelf een organisatie te stichten voor het uitvoeren van de hulpverlening. Deputaten willen daarom het liefst gebruik maken van bestaande goede „apparaten”. Er is reeds goede samenwerking met de organisatie van het Geref. deputaatschap voor Algemene Diaconale Arbeid.

Sedert een aantal jaren woont regelmatig een deputaat van ADMA, nu tevens deputaat „hulpverlening”, de vergaderingen daarvan bij. Voor deze mogelijkheden zijn wc dankbaar.

- Welke selectie moet er bij de beslissing omtrent toekenning van hulp toegepast worden? Ook hier biedt de samenwer-king met Geref. deputaten ons veel steun; echter, de verantwoordelijkheid blijft uiteraard geheel bij ons deputaatschap.

Soms komt hulp verkeerd terecht. Hoe dat te voorkomen?

- Op welke wijze kan deze zaak nog meer levend en gericht worden in onze kerken?

De diaconieën inschakelen? En de jeugdverenigingen? Die geven veelal blijk van een verheugende activiteit voor deze dingen.

- Wat is aan te bevelen: de acties centraliseren of juist proberen zoveel mogelijk projecten bij kerken of groepen van kerken (classes bijv.) „uit te besteden”?

- Naast de februari-collectes zullen er andere bronnen aangeboord moeten worden! Welke acties?

In andere kerken worden er bijv. wel „versoberingsacties” gehouden ten behoeve van dit werk.

- Voor sommige soorten projecten geeft de overheid belangrijke subsidie. Ook daarmee moet rekening worden gehouden, wat het nodige overleg eist met diverse instanties.

- Een inventarisatie is nodig van mensen uit onze kerken die vanwege hun werk of anderszins min of meer regelmatig in ontwikkelingslanden komen. Dit kan van groot belang zijn voor een mogelijk kon-takt met een project.

- Hoe verdelen we straks de middelen over de projecten? Uiteraard hebben onze zendingsgebieden grote aandacht nodig. Daar is goede controle op de noodzaak en besteding mogelijk.

Maar het werk mag niet (enkel) een verlengstuk lijken te zijn van „de zending”. Deze lijst is niet volledig. Er blijkt echter wel uit dat er nog veel moet gebeuren.

Zoals in de „opwekkingen” in de kerkelijke bladen voor de februari-collecte werd aangegeven, zijn er enkele projecten in voorbereiding.

Daar is allereerst een aanvraag voor een landbouwdeskundige in het zendingsgebied op Celebes. Er is daar een ontstellend voedselgebrek in enkele gebieden.

Er zijn mogelijkheden om de produktiviteit van de landbouw belangrijk te verbeteren. Daartoe zou een landbouwkundige eerst grondige studie ter plaatse moeten maken, experimenten uitvoeren, en vervolgens een begin maken met voorlichting aan de bevolking.

Nu bestaat er omtrent dergelijke problemen bij verscheidene instanties reeds veel kennis. Het zou niet wijs zijn om daarvan geen gebruik te maken.

Daarom is er overleg met bijv. de „agrarische commissie” van Geref. deputaten waar ervaren deskundigen zitting in hebben. Van deze en andere zijde wordt alle mogelijke medewerking verleend.

Wanneer er genoeg gegevens bekend zijn, volgt dan het zoeken naar een geschikte man voor uitzending. Geen eenvoudige zaak. Deze moet vervolgens een goede opleiding ontvangen.

Zulk een project kost veel geld. Aan salarissen en voorzieningen, reiskosten, allerlei benodigdheden en middelen ten behoeve van studie, voorlichting etc. moeten we toch gauw rekenen met ƒ 50.000,— à ƒ 100.000,— per jaar.

Deputaten hopen spoedig meer over dit project te kunnen publiceren.

Verder worden er nog enkele andere (vooralsnog kleinere) projecten geselecteerd. Het is nog in een te vroeg stadium om u er nu reeds iets over te kunnen vertellen. Het zullen bij voorkeur projecten zijn buiten onze zendingsgebieden.

Er is veel geld nodig. En onze kerken zijn, qua „zielental”, klein en doen vrij veel aan zending. Wanneer we echter zien dat er in de Geref. Kerken, die ongeveer 10 x zo groot zijn als onze kerken, jaarlijks 3 à 4 miljoen gulden voor dit doel gegeven wordt, dan zou dit bij ons 300.000 à 400.000 gulden betekenen. Daar kan, evt. aangevuld met overheidssubsidie, toch veel mee gedaan worden.

In het bovenstaande is vooral getracht u iets te vertellen over de vragen die momenteel de aandacht van deputaten vragen en over de werkwijze. Een en ander moet verder opgebouwd worden. Ook dit werk moet gedragen worden door het gebed van de gemeente.

Het is te hopen dat er in onze kerken veel bereidheid zal worden gevonden om ook in dit opzicht het voorbeeld van haar Koning te volgen, die overal rondging, goeddoende.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.