+ Meer informatie

ZONDAGSHEILIGING IN EEN MODERNE SAMENLEVING

15 minuten leestijd

De titel zou kunnen doen vermoeden dat het in dit artikel gaat over de heiliging van de zondag in het algemeen en over de vervlakking van het besef onder christenen welke inhoud deze dag dient te hebben. Hoewel deze aspecten niet helemaal buiten beschouwing zullen blijven, richt wat hierna volgt, zich toch allereerst en vooral op de vraag wat wij als christenen aan moeten met een gecompliceerd maatschappelijk en economisch bestel, waarin de viering van de zondag steeds meer onder druk komt te staan.

Door de jaren heen heeft dit onderwerp in onze kerken brede aandacht gehad. Wie de Acta van de generale synodes sinds 1965 doorneemt, ontdekt dat deputaten voor algemene diaconale en maatschappelijke aangelegenheden voortdurend met de zich steeds sterker opdringende vragen en problemen rond dit onderwerp hebben beziggehouden. In de Acta van de generale synode van Zwolle 1965/66 vindt men op pag. 272 het ADMA-rapport „De christen, de arbeid en de rust”, waarin gesproken wordt over de wenselijkheid van voorlichting aan de kerken met het oog op het gevaar van uitslijting van het verantwoordelijkheidsbesef. In samenwerking met deputaten voor correspondentie met de hoge overheid, wilde men een poging doen enige bijsturende invloed in de maatschappij uit te oefenen, al stelde men zich van het resultaat niet al te veel voor. Men dacht aan intensivering van contacten met organen uit het bedrijfsleven, zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke. Op pag. 273 van de eerdergenoemde Acta staat te lezen: „De corporatieve ontwikkeling van onze steeds gecompliceerder wordende welvaartsmaatschappij, inclusief de voortschrijdende industrialisatie en de gigantische concernvorming in het bedrijfsleven maken het naar de indruk van deputaten steeds minder mogelijk om als persoon individueel de worsteling om de rustdag met succes te kunnen volbrengen. Ook onze kerkeraden zullen er goed aan doen te beseffen dat het niet meer aangaat de opdracht tot handhaving van de zondagsrust volledig op het kerklid persoonlijk af te wentelen, met nalaten van intensieve pogingen om als kerken invloed uit te oefenen op hen die de structuur van de maatschappij sterk beïnvloeden.”

Brief van een kerkeraad

Ruim twintig jaar verder, moeten we constateren dat de vragen van toen de vragen van nu zijn. In de tussenliggende periode lijken de problemen er eigenlijk alleen maar groter op te zijn geworden. Dat spreekt ook uit een brief die de redactie enige tijd geleden van een kerkeraad ontving.

In hun ambtelijke praktijk hebben de broeders van dit college kennelijk te maken met leden van de gemeente, die in verschillende sectoren van de samenleving, al of niet gedwongen, op zondag werken. Men vindt die ontwikkeling verontrustend en men vraagt zich af hoe men op dit punt geestelijke leiding aan de gemeente kan geven, zo, dat men de notities van Gods Woord geen geweld aandoet en tegelijk niet buiten de werkelijkheid van de hedendaagse samenleving gaat staan.

De voorbeelden die men noemt kunnen in drie categorieën worden verdeeld en wel als volgt:

a. mensen die in de verzorgende sectoren werkzaam zijn, bijvoorbeeld artsen, verpleegkundigen, ambulance-personeel;

b. mensen uit de toezichthoudende en dienstverlenende sectoren, zoals politie, brandweer, veiligheidsbeambten, postbeambten, telefonistes, service-monteurs voor de centrale verwarming;

c. mensen in dienst van de grotere industriële bedrijven met continuarbeid of werkzaam als chauffeur bij het internationale wegvervoer.

Met betrekking tot deze laatste sector stelt de kerkeraad een heel concrete vraag. Hoe te denken over een directeur van een transportbedrijf, die zijn chauffeur toestaat (en misschien zelfs aanmoedigt) om met een lading goederen nog op zondag te vertrekken, teneinde vroeg de grens te passeren en op die manier tijdige aankomst op de eindbestemming te waarborgen?

Ik denk dat in deze door de kerkeraad beschreven situatie zich voluit de problematiek, die ons in dit artikel bezighoudt, aftekent. Het lijkt goed er iets dieper op in te gaan, alvorens er een oordeel over te geven.

Model voor het hele economische gebeuren

Binnen het economische bestel van vandaag is de positie van het internationale transportbedrijf (over de weg) niet gemakkelijk. De concurrentie is groot. In de moeilijke economische machtsverhouding tussen verladers en vervoerders moet men als transportbedrijf op het punt van prijs en kwaliteit het uiterste bieden om bestaande relaties te behouden en nieuwe aan te trekken. Wie als wegvervoerder uit het grensoverschrijdende goederenvervoer op ons continent zijn graantje wil meepikken, zal op het punt van de tijdige aflevering van goederen voortdurend attent moeten zijn. Dat geldt al zeer sterk wanneer het gaat om het vervoer van consumptieve en bederfelijke goederen, die veelal onder temperatuursvoorwaarden moeten worden vervoerd en met het oog op vaste markttijden op afgesproken tijdstippen ter plekke moeten zijn. Grensformaliteiten en douaneprocedures kunnen daarbij belemmerend werken. Dat alles staat dan nog eens onder extra druk vanwege een voor alle Westeuropese vervoerders geldende dwin-gend-rechtelijke aansprakelijkheidsregeling, die van de wegvervoerder, ook ten aanzien van tijdige aflevering, redelijke zorg eist. De afvoer van goederen van hieruit naar de omliggende of verder weg gelegen landen in Europa en de aanvoer van goederen van daaruit naar ons land, begint dan ook niet zelden al op zondag. Ook christenimporteurs en -grossiers worden met groenten en fruit bevoorraad uit vrachtwagens, die in Spanje, Griekenland, Italië en andere landen op zondag vertrokken.

Dit voorbeeld kan model staan voor het hele economische gebeuren van vandaag. De structuur van dat gebeuren is in deze zin complex geworden, dat in de keten van handelingen en processen in veel bedrijven continuïteit gewaarborgd moet zijn. In de grote chemische industrieën kunnen processen op zaterdagavond niet worden stopgezet. Wat in de intensieve veehouderij door de week gebeurt, kan op zondag niet achterwege worden gelaten, zij het dat de christenveehouder de werkzaamheden op die dag zal beperken tot de allernoodzakelijkste handelingen van voederen en melken. Voor eventuele storingen in de temperatuursregulatie-systemen van de grote koel- en vrieshuizen moeten monteurs beschikbaar zijn. In een tijd van terrorisme, vandalisme en van georganiseerde diefstallen op grote schaal, dienen controles van beveiligingsdiensten ook op zondag plaats te vinden. Het op zondag niet beschikbaar zijn van de brandweer zou in de particuliere sector mensenlevens kunnen kosten en voor het bedrijfsleven met omvangrijke goederenvoorraden in opslag rampzalig kunnen zijn.

Als in het koude seizoen in het bejaardentehuis de centrale verwarming, waarop we tegenwoordig collectief aangewezen zijn, uitvalt dan mag het aan de beschikbaarheid van een servicemonteur niet ontbreken.

En wat te zeggen van de Wegenwacht op de autosnelwegen? Hoeveel dominees hebben door de jaren heen, met hun preken onderweg van noord naar zuid, bij autopech op zondag niet de hulp van dit instituut ingeroepen? Ik zou voorbeelden kunnen noemen. Er zou meer te noemen zijn. De complexiteit van het economisch en maatschappelijk gebeuren is vandaag niet alleen groot, als christenen zijn we er op allerlei manieren, direct of indirect, ook nauw mee verweven. We profiteren mee van alle gerief dat een ge-industrialiseerde en technisch perfect georganiseerde maatschappij ons continu verschaft. Ook op zondag. En we weten, als we nadenken over de vraag hoe de samenleving in al haar technische verbanden functioneert, dat in veel sectoren de ononderbroken waarborging van dat gerief zondagsarbeid onontkoombaar maakt.

Hoe moet in dit alles de handelwijze zijn van een kerkeraad, die pastoraal te maken heeft met broeders en zusters die regelmatig op zondag moeten werken? Hoe ligt de verantwoordelijkheid ten opzichte van de gemeente? Kunnen aan broedereen zusters, die buiten de medische sector en de veehouderij zondagsarbeid verrichten, zonder enige beperking alle kerkelijke rechten worden gegund?

Geen standaard-antwoord

Ik zou mij niet aan een standaardantwoord op deze vraag willen wagen. Het meest directe en eenvoudigste antwoord zou zijn: het vierde gebod „zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen,…….”. laat over Gods wil met betrekking tot de zondag geen onduidelijkheid bestaan. En zondag 38 van de Heidelbergse Catechismus is al even duidelijk als het gaat om de vraag hoe de zondag in het leven van de christen ingericht dient te zijn. Al wat aan zondagswerk buiten de sfeer van de medische verzorging, verpleegkundige hulp en de allernoodzakelijkste voorzieningen in de verzorging van vee ligt, dient door de kerk en haar leden, als zijnde tegen Gods gebod, te worden afgewezen. In een maatschappelijk bestel als wij kennen, is de beschikbaarheid van politie, brandweer, beveiligingsbeambten en servicemonteurs (om maar enkele voorbeelden te noemen) op zondag weliswaar noodzakelijk, maar christenen moeten de waarneming van deze functies maar aan buitenkerkelijken c.q. ongelovigen overlaten.

Met zo’n simpel antwoord zijn we natuurlijk niet klaar. Behalve simpel zou het ook een beetje hypocriet zijn. Direct of indirect wel van allerlei zondagsarbeid profiteren, maar er geen verantwoordelijkheid voor nemen is iets, dat evenmin met de boodschap van het Evangelie correspondeert. Met dit antwoord zijn we er dus niet helemaal uit. Wat evenmin als een goede oplossing kan gelden is de nogal eens gehoorde opvatting dat Gods Woord, dus ook de daarin vervatte aanwijzingen voor de viering van Gods dag, geschreven is in een tijd, waarin men er nog geen enkele notie van had tot welk hoog ontwikkeld en ingewikkeld peil de menselijke samenleving door de eeuwen heen zou evolueren. Zo op de manier van; met wat God toen heeft laten vastleggen, kunnen wij in onze tijd niet meer uit de voeten, althans niet in absolute zin.

Deze oplossing brengt ons ook niet verder. Wij geloven immers dat naar zijn bedoeling Gods gebod rond de rustdag van toen, zijn betekenis en opdracht voor nu niet heeft verloren. Doordat dit gebod in zijn naleving voor ons als nieuwtestamentische gemeente in de viering van Christus’ opstanding er alleen nog maar een diepere dimensie bij heeft gekregen, zou men zelfs kunnen stellen dat ons, uit dankbaarheid voor wat Christus voor ons deed en verwierf, aan de viering van die dag extra veel gelegen moet zijn.

Dan is er ook nog de stelling dat het helemaal niet zo zeker is dat de viering van de zondag als specifiek christelijke feestdag ook werkelijk teruggaat op een bindend gebod van God daartoe. Wie de ontstaansgeschiedenis van de zondag natrekt, zo weten sommigen, stuit op meer menselijke initiatieven tot de instelling van die dag dan op Goddelijke aanwijzingen daartoe.

Zondag was oorspronkelijk de eerste dag van de joodse week, die met de sabbat eindigt. Voor de christenen was deze dag heilig als de dag van de opstanding des Heren, niet als specifieke rustdag. Justinus Martyr sprak van een plechtig vieren van deze dag des Heren, die hij de „dag van de zon” noemde, wat waarschijnlijk een toespeling is geweest op de „dag van de onoverwinnelijke zon”, die in de Mithras-religie werd gevierd. In de Romeinse keizertijd is het christendom met deze heidense religie in heftige concurrentie geweest en dat zou sterk hebben bijgedragen aan het accentueren van de zondag als christelijke feestdag.

Daarnaast wordt dan gewezen op de strijd tussen christendom en jodendom rond de betekenis van de sabbat. Vanuit de christelijke optiek werd de sabbat gezien als een deel van de zogenaamde ceremoniële wet, die met Christus' komst haar kracht had verloren. En zo kreeg de dag des Heren het karakter van een christelijke rustdag. Als belangrijke factor in de geschiedenis van de zondag wijst men ook wel op Constantijn de Grote, die heiliging van de zondag nastreefde door op die dag verschillende economische, juridische en politieke activiteiten te verbieden.

Naar middeleeuwse opvattingen werd de zondag als een christelijke sabbatdag beschouwd. Het was Thomas van Aquino die stelde dat de kerk Goddelijke volmacht heeft gehad om de sabbat door de zondag te vervangen. Luther onderscheidde scherp tussen sabbat en zondag; de eerste zag hij als een joodse, voor de christenen voorbije ceremonie, de tweede als een kerkelijke instelling, nodig om het Woord Gods te horen. Calvijn, die het nodig vond dat de gemeente op één dag onder de Woordverkondiging zou samenkomen, zat op hetzelfde spoor. Nog weer later wilde men de zondag toch weer als de christelijke sabbat zien en bracht men (Amesius en Voetius b.v.) het gebod tot de sabbat op de zondag over. Dat werd dan weer bestreden door Coccejus, die het sabbatsgebod voor de kerk niet bindend achtte.

Met een beroep op de ontstaansgeschiedenis van de zondag en vooral ook op het argument dat wij de zondag in elk geval niet wettisch moeten vieren, wordt door mensen, die bij zondagsarbeid zijn betrokken, de betekenis van de zondag nogal eens gerelativeerd. Men wijst er dan bovendien ook nog graag op dat in ons Nederlandse cultuurpatroon de zondagsviering wel een erg streng karakter heeft in vergelijking met de omliggende landen, zoals Duitsland, waar men ’s morgens ter kerk gaat en ’s middags zo nodig hooit of gras keert.

Met de stelling dat de opvattingen rond de zondag in de geschiedenis van de kerk niet altijd even overtuigend zijn geweest, kunnen we het wel eens zijn. Toch is het geheel in de lijn van Gods Woord om te stellen dat de Here God Zijn kerk van het Nieuwe Testament evenzeer een rustdag gunt zoals Hij Zijn volk van de oude bedeling gaf, nu om in het bijzonder Christus' opstanding te vieren en nu reeds te anticiperen (vooruit te grijpen) op de vrede van Gods volk aan het einde der tijden. Daarom moet die dag de kerk heilig zijn en voorzover het in haar vermogen ligt, is het haar roeping invloed op de samenleving uitte oefenen om de viering van de zondag ook voor de toekomst veilig te stellen. De kerk mag en kan dat natuurlijk nooit doen als machtsinstituut, maar wel als draagster van het Woord van God, dat met recht invloed en heerschappij in de samenleving opeist. Met de boodschap van het Evangelie en de daarin vervatte aanwijzingen voor een heilig leven, ook op het punt van de zondagsheiliging, mag de gemeente van Christus zich nooit aanpassen aan een geseculariseerde wereld. „Als de kerk de secularisatie aanvaardt, seculariseert ze zelf. Dan verliest de openbaring van God haar plaats in de samenleving. Immers, als de kerk de openbaring niet meer voluit eerbiedigt, hoe zal de samenleving dan nog Woord van God horen?” (dr. W.H. Velema, Midden in de maatschappij. 1979).

Christelijke beroepskeuze

En nu staan we in de spanning tussen dit gegeven en de werkelijkheid van de samenleving zoals deze zich aan ons voordoet en waarvan we in alle sferen van ons bestaan deel uitmaken.

Als we in onze ambtelijke praktijk met de beoordeling van zondagsarbeid bij leden der gemeente te maken krijgen, zullen we - dunkt mij - om te beginnen onderscheid moeten maken tussen arbeid die gericht is op de voortgang, verzorging en beveiliging van het leven van mens en dier, en werk waarbij het gaat om optimalisering van produktie-processen, om het verkrijgen van het hoogste rendement en waarborging van concurrentieposities; arbeid dus die duidelijk het winstelement bedoelt te bevorderen.

Om concreet te zijn: de directeur van het transportbedrijf, die zijn chauffeur adviseert al op zondag te gaan rijden om sneller grenzen en douanes te kunnen passeren, miskent Gods gebod en bedoeling met betrekking tot de zondag en verdient een pastorale correctie. Vraagt hij dit als ongelovige van zijn christelijke chauffeur, dan zal deze laatste het recht en in elk geval de plicht hebben zijn principaal erop te wijzen dat uitvoering van dit verzoek (of opdracht) niet in zijn christelijke levenspatroon past.

Wie kiest voor een betrekking in een bedrijf dat winst beoogt te maken en waaraan de voorwaarde van regelmatige zondagsarbeid is verbonden, zal als christen op zijn of haar gebondenheid aan het gebod van God moeten worden aangesproken. Dat moet dan overigens wel zorgvuldig en liefdevol gebeuren. In de beoordeling van broeders en zusters, die bij zondagsarbeid betrokken zijn, zal bijvoorbeeld niet mogen worden voorbijgezien aan de vraag hoe men kerkelijk en geestelijk praktizeert. Als men in het algemeen trouw is in de waarneming van de samenkomsten der gemeente en in alle dingen blijk geeft het leven volgens het Evangelie in te richten, dan mag dat voor een kerke-raad een indicatie zijn dat men te maken heeft met gemeenteleden die over hun verantwoordelijkheid op het punt van de zondagsarbeid niet luchtig heenleven. Maar men mag en moet verantwoording vragen.

Verder zou er aan te denken zijn dat bij het catechetisch onderwijs of in de prediking over zondag 38 van de Heidelbergse Catechismus ook het onderwerp beroepskeuze meer aandacht krijgt. In beginsel staan alle eerzame beroepen voor christenen open, maar het kan in deze tijd goed zijn zich bij het maken van een keuze rekenschap te geven van de mogelijkheid dat men in een bepaald beroep of vak tot werken op zondag kan worden verplicht. Ik denk in dit verband aan een jongen uit onze kerken die politieagent wilde worden. Hij moest daarbij dienst op zondag incalculeren. Op zichzelf leverde die gedachte hem geen problemen op. Ook de kerkelijke gemeente waartoe hij behoorde niet. Terecht. „Goed dat er politie is, ook op zondag”. Maar de jonge broeder, die het in zaken van geloof en leven serieus nam, kwam in moeite toen tot zijn zondagse diensten ook behoorde de surveillance in en langs de voetbalstadions. Hij stond en liep zijn (rechtvaardige) ziel daar voortdurend te kwellen. Wie journalist voor een van de grote dagbladen wil worden, dient te bedenken dat hij ook gevraagd kan worden bij grote evenementen op zondag aanwezig te zijn. Wie denkt aan stuurman of machinist op de grote vaart, weet dat het schip ook op zondag doorvaart en dat alleen als de machines draaien. Aan de functie van hostess en informatrice bij de VVV zijn in het hoogseizoen zondagse diensten verbonden. Een functie bij de douane idem dito. Beroepsmilitair zijn betekent ook van tijd tot tijd dienst op zondag. Wie voor de marechaussee kiest kan te eniger tijd op Schiphol ook zondag achter de terminal terecht komen om de in- en uitgaande luchtreizigers te controleren. Deze voorbeelden zijn nog met een x-aantal aan te vullen.

De kerk heeft tot taak haar leden op het punt van de beroepskeuze in deze zin geestelijke leiding te geven dat mensen, die voor de keuze van een beroep staan waaraan zondagsarbeid is verbonden, de aard van het werk goed overwegend, in persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover de Here een beslissing kunnen nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.