+ Meer informatie

Een hart voor elkaar

13 minuten leestijd

Vriendelijk zijn en elkaar helpen, in en buiten de christelijke gemeente. Het lijkt een eenvoudige opdracht, maar de praktijk is soms weerbarstig. Hoe gaan de leden van reformatorische kerken met elkaar en de omgeving om, binnen de bible belt en daarbuiten, in de stad en op het platteland? „Liefde tot elkaar is niet hetzelfde als lief zijn voor elkaar.

Iedere zondag bij het begin van de dienst staat ouderling/ kerkrentmeester Gerard Schaap (60) bij de ingang van de Maranathakerk, midden in Rotterdam-Zuid. „Je groet de mensen. De eigen gemeenteleden én nieuwkomers. Iedereen moet weten dat hij of zij welkom is.”
Het is geen uitzondering dat ‘derden’ voor de eerste maal het kerkgebouw betreden. Ongeveer vijf procent van de kerkgangers is van buitenlandse afkomst, schat hij. Verschillenden van hen zijn vaste bezoekers die meestal één dienst bijwonen. We kijken niet raar op als hier iemand in een trainingspak de dienst bijwoont. Ze zijn door het Woord geraakt. Daar gaat het om.”
De karakteristieke, in een kruisvorm gebouwde Maranathakerk dateert uit 1929. Het is de enige hervormde kerk van de Gereformeerde Bondsrichting in deze omgeving, die in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw is overspoeld door mensen van Turkse en Marokkaanse afkomst. Later kwamen daar grote groepen Surinamers en Antillianen bij. Schaap: „Veertig procent van de bewoners hier in de omgeving is islamitisch.” Ongeveer 80 procent van de 33.000 mensen in de omgeving is van allochtone afkomst én arm. Het gemiddelde inkomen per huishouden bedraagt ruim 15.000 euro, aanzienlijk lager dan het Rotterdamse gemiddelde.

Jongeren
Al vele jaren schommelt het aantal bezoekers van de zondagse diensten rond de 400.
Doordat veel ouderen met de komst van de allochtonen de wijk hebben genomen naar omliggende plaatsen, stond de omvang van de kerkelijke gemeente jarenlang onder druk.
De laatste tijd is daar verandering in gekomen. Rob Plomp (64), oud-ouderling en geboren en getogen Rotterdammer, ziet dat de laatste jaren steeds meer jongeren het Godshuis bezoeken. „Op een doorsnee zondag is nu meer dan de helft van onze bezoekers beneden de dertig jaar.” Ze zijn volgens hem uit allerlei windstreken en van allerlei kerkverbanden afkomstig en vestigen zich in Rotterdam voor studie of voor hun eerste baan. Plomp en Schaap hopen dat er een tijd komt dat ze niet meer, zoals vroegere generaties, bij het klimmen op de maatschappelijke ladder de stad alsnog de rug zullen toekeren.
Ondanks de uiteenlopende samenstelling van de kerkelijke bezoekers, zijn de gemeenteleden sterk op elkaar betrokken. „Dat heb je als stadsbewoner, je voelt je in sommige opzichten soms de enige in een straat of een hele wijk.” De trouwe leden ontmoeten elkaar voor en na de dienst op het pleintje voor de ingang. Eé keer per maand drinken ze na afl oop gezamenlijk koffi e. Schaap is een warm pleitbezorger van het versterken van het gemeenschapsgevoel. „raag zou ik dat samen koffiedrinken uitbreiden tot iedere zondag en verder denken we ook na over gezamenlijke maaltijden.” De jeugdvereniging - ook een niet onbelangrijke ontmoetingsvorm - telt tussen de 40 en de 50 trouwe bezoekers.
Om de ontmoeting te versterken, is het de bedoeling bij een komende verbouwing de mensen niet meer via twee toegangen de kerk te laten ingaan. Verbouwingen gebeuren altijd in eigen beheer. „Financieel kunnen we net rondkomen. Het gebouw vergt veel onderhoud. Daarom houden we een speciale collecte bij de uitgang. Tot op heden werkt dat goed, ondanks het feit dat we niet veel rijken en edelen in ons midden hebben.”

Lekkage
Afkomstig uit Huizen, woont Schaap zelf al meer dan dertig jaar in Rotterdam-Zuid. Hij verlaat zijn post niet gemakkelijk.
„Deze kerk staat niet voor niets op deze plaats. We hebben hier een taak, namelijk het brengen van de Bijbelse boodschap.”
Om het missionaire aspect te versterken, wordt er iedere veertien dagen op zondagmiddag een laagdrempelige dienst belegd. Voorleven is belangrijker dan voorpraten, benadrukken Plomp en Schaap. „Als we horen van materiële nood, verwijzen we naar de interkerkelijke maatschappelijke hulpverlening in de omgeving, House of Hope. Maar wat je zelf kunt doen, moet je niet nalaten. Veel mensen adopteren via hun kennissenkring of in de buurt een of meer zwakkeren. Ze helpen bij de opvoeding en ondersteunen allochtonen bij het oplossen van voor hen soms ingewikkelde vraagstukken.”
Bij acute problemen kan de koster een beroep doen op vrijwilligers uit de gemeente. „Hij heeft er een uitstekend oog voor.
Zo is er iemand geholpen die met een grote lekkage kampte, maar worden er ook meubeltjes bezorgd bij gezinnen die op van die witte tuinstoeltjes bivakkeren. Onze hulp maakt die mensen nieuwsgierig naar het Woord.”
Rechtzinnigheid alleen is niet voldoende, benadrukt Gerard Schaap. „Je moet ook je medemens zien staan. Dat betekent echt niet dat je steeds meer humanistische wegen gaat bewandelen. Maar je kunt het Woord niet los zien van de mensen die het horen. Als je nood ziet, moet je daar wat aan doen. Voor de individualisering zoals we die om ons heen zien, laat de Bijbel geen ruimte.”
Plomp voegt eraan toe dat voor de binding aan de Bijbelse boodschap niet hoeft te worden gevreesd. „Je kunt niet zonder broodhuis.”

Betoverd
De situatie in Friesland is niet te vergelijken met Rotterdam. De omgeving van dorpjes als Wouterswoude, Driesum en Damwoude is de voorbije decennia razendsnel geseculariseerd.
Doeke van der Zee, ouderling van de hersteld hervormde gemeente van Wouterswoude, weet er alles van. Zelf afkomstig uit Wierum, een klein dorpje aan de rand van de Waddenzee, zag hij hoe de ontkerkelijking om zich heen greep. „In één generatie is vrijwel alles verdwenen. ‘Wie heeft u betoverd?’, vraag ik wel eens aan mensen die in de vorige eeuw de vele kerkjes in de regio vulden.”
De garnalenvisser vestigde zich na zijn trouwdag in Wouterswoude.
Daar kreeg hij te maken met de scheuring binnen de hervormde kerk. De foto aan de schoorsteenwand van de woonkamer is een stille getuige van de pijn die hij nog heeft over het uiteenvallen van zijn kerk. Op de afbeelding staat het oude hervormde kerkje van Wouterswoude, op de grens van een stukje niemandsland tussen het noordelijke en het zuidelijke deel van het dorpje.
De klap dreunt volgens Van der Zee nog na en was niet zonder gevolg voor de wijze waarop de gemeenteleden met elkaar en de omgeving omgaan. „Eigenlijk zijn we opnieuw als gemeente begonnen, met leden van Wouterswoude en van de naburige gemeente Driesum, die ook niet mee konden. De saamhorigheid onderling is alleen maar groter geworden, evenals de hulp voor elkaar. De nood heeft ons naar elkaar toe gedreven.”

Streekgemeente
De hersteld hervormde gemeente van Wouterswoude telt 260 leden. „Belijdende leden, doopleden èn geboorteleden”, aldus Van der Zee. De gemeente heeft zeventien geboorteleden, nakomelingen van mensen die niet lieten dopen uit vrees voor de doopbelofte. De grootste groep gemeenteleden woont in de dorpen Wouterswoude en Driesum zelf maar verschillende anderen zijn afkomstig uit plaatsen als Ulrum, Oosterwolde, Wierum en zelfs Tolbert. „n die zin kun je echt spreken van een streekgemeente. Sommige gezinnen moeten wel een halfuur of drie kwartier rijden en blijven hier soms over tussen de diensten.”
Het gemeenteleven is de voorbije jaren sterk gestempeld door het gebrek aan een eigen kerkgebouw.
De leden van de HHK maken al verschillende jaren gebruik van het Godshuis van de Gereformeerd Vrijgemaakte kerk. „We huren dat voor de zondagse diensten en voor het verenigingswerk, zoals catechisaties, jeugdverenigingen, mannenvereniging en vrouwenvereniging. In de praktijk gebeurt dat best vaak. Deze week bijvoorbeeld hebben we iedere avond een bijeenkomst.”
Daardoor merkte hij ook hoe belangrijk een eigen ontmoetingsplek is voor alle activiteiten in de gemeente. „We hebben gezorgd voor een pastorie en voor de opbouw van de verenigingen. Recent is ook een 21-plus-vereniging van start gegaan. In feite ben je daardoor een gemeente-in-opbouw. Dat kost veel energie. Bovendien maken we voorzichtige plannen voor een eigen kerkgebouw.”
Ds. IJ.R. Bijl, sinds vorig jaar verbonden aan Wouterswoude, onderstreept de woorden van Van der Zee. „In mijn vorige gemeente, Moordrecht/Waddinxveen, werd er evangelisatiewerk verricht. Het is ons verlangen om dat ook hier te gaan doen, maar tot op heden is dat nog niet gelukt.”
Wel worden er regelmatig acties ondernomen, zoals voor de familie Van de Haar, die in Ethiopië werkzaam is. Van der Zee: „Dat werd een keer op de jeugdvereniging voorgesteld. Er was een datum geprikt, maar niemand meldde zich. Sommigen deden zelfs een beetje cynisch. Je hoorde niets, maar toen het zover was, was iedereen present. Zelfs de vergunningen bleken te zijn aangevraagd, alles was tot in de puntjes geregeld. Dat is tekenend voor de mentaliteit hier.”

Saamhorigheid
Van der Zee noemt de saamhorigheid „heel groot”. Mede onder leiding van zijn vrouw Folkje, vice-presidente van de vrouwenvereniging, wordt er jaarlijks een kerstfeest georganiseerd, krijgen ouderen een kerstmandje en een dagboek, worden ouderen bezocht en is er, toen ds. Bijl en zijn zus overkwamen, een welkomstmiddag geregeld. „p zondag komt werkelijk iedereen, voor zover mogelijk, naar de kerk. Er is voor mensen van ver een overblijfadres en tijdens de diensten is er oppas. De eerste zondagavond van de maand hebben we een psalmzangavond met bovenstem. Dat trekt ook belangstellenden uit andere kerken.”
Maatschappelijke omstandigheden hebben eveneens invloed op de onderlinge hulp. Was het met de werkgelegenheid in dit deel van het land altijd al magertjes, de crisis heeft dit nog verergerd. Ds. Bijl weet in de relatief korte tijd dat hij in Wouterswoude staat van de noden en zorgen. „Er zijn kostwinners die hele weken van huis zijn om voor hun gezin te zorgen. Anderen zijn langdurig zonder werk. Ik heb verschillende mensen hierover gesproken. Men helpt elkaar, maar ziet er ook de hand van de Heere in.”
Net als Van der Zee benadrukt hij dat het gemeente-zijn in eigen kracht geen toekomst heeft. „Met zelfwerkzaamheid en activisme lukt het niet. Het is alles alleen genade. Dan is er een verbondenheid in Hem.”

Vriendelijkheid
„Liefde tot elkaar is niet hetzelfde als lief zijn voor elkaar.” Ds. A. Schot formuleert bedachtzaam een antwoord op de vraag hoe leden van de christelijke gemeente zich ten opzichte van elkaar dienen te gedragen. „ief zijn voor elkaar kan ook een grote dosis onoprechtheid bevatten. Echte liefde is eerlijk, kan soms scherp zijn en vereist dat dingen eerlijk worden uitgesproken. Dat wordt ons opgedragen in 1 Korinthe 13. We moeten ons verblijden in de Waarheid.”
Vredelievend, zachtmoedig, barmhartig en vriendelijk zijn voor elkaar. Het staat letterlijk in de Catechismus. De predikant van de Gereformeerde Gemeente van Nunspeet hekelde enige tijd geleden tijdens een preek over het zesde gebod het feit dat sommige mensen in kerkelijke gemeenten elkaar niet of nauwelijks groeten. „Dat mag dus niet. Net zomin als het ontbreken van gastvrijheid als vreemden een dienst bezoeken. Dat heb ik eens in een ledenvergadering benoemd. Gelukkig hebben we in Nunspeet het besluit genomen om de zitplaatsen vrij te geven.”
Dat niet tot de reformatorische gezindte behorende bezoekers soms opvallen, is volgens hem niet altijd te voorkomen. „Als ik naar het ziekenhuis ga in een driedelig zwart pak, word ik ook nagekeken. Het is wel belangrijk wat je van thuis hebt meegekregen. De wijze waarop je met je naaste omgaat, wordt vaak bepaald door wat je ouders je hebben geleerd over de omgang met en het spreken over elkaar.”

Hart op de tong
Zijn gemeente telt meer dan tweeduizend leden en doopleden.
De veelgehoorde opmerking dat de band met elkaar in grote gemeenten minder is dan in kleinere, onderschrijft hij niet. „Ik hoor altijd van veel meeleven met elkaar, in droeve en blijde dagen. Derden staan soms verbaasd van de vele reacties die gemeenteleden krijgen bij bijvoorbeeld een ziekenhuisopname. Dat geeft ook aan dat het een voorrecht is bij een kerkelijke gemeente te zijn aangesloten.”
In Nunspeet is vooral de kerkbode, die om de veertien dagen verschijnt, een onmisbare schakel. „Die heb je in een grote gemeente nodig om van elkaars welbevinden op de hoogte te blijven.”
In de wijze waarop mensen met elkaar omgaan, speelt ook de volksaard een rol. „Ik vind niet dat Veluwnaren geslotener zijn dan bijvoorbeeld mensen in het Westen van Nederland. Ze nemen wel een wat meer afwachtende houding aan, terwijl bijvoorbeeld een Rotterdammer het hart op de tong heeft.”
De predikant, die eerder de gemeente van Krimpen aan den IJssel diende, ziet wel een ander opmerkelijk verschil tussen stad en platteland. „Kerkelijke jongeren trekken in de stad meer met elkaar op en staan daardoor minder bloot aan het gevaar om door vrienden en vriendinnen meegetrokken te worden. De jeugdvereniging in Krimpen aan den IJssel werd door even veel jonge mensen bezocht dan die in Nunspeet, terwijl de gemeente van Krimpen de helft kleiner is.”

Kaf en koren
Het richtsnoer van de christelijke gemeente is het Woord, aldus de Nunspeter predikant. „Als het goed is, heeft dat een praktische uitwerking voor het leven doordeweeks. Maar we weten ook dat niet iedereen dezelfde wortel heeft. In iedere gemeente heb je kaf en koren. Je ziet dingen gebeuren die anderen van kerkmensen niet verwachten. Toch moet je je daarover niet al te zeer verbazen, want de Schrift geeft daar ook voorbeelden van.”
Over het algemeen is ds. Schot niet ontevreden over de wijze waarop de gemeenteleden met elkaar omgaan. „Praktisch vindt dat hier onder andere zijn vertaling in de werkgroep naastenhulp. Vrijwilligers helpen ouderen of mensen in moeilijke situaties en doen voor hen de noodzakelijke werkzaamheden of boodschappen. Vanuit de verenigingen worden ook bezoeken aan ouderen en eenzame mensen afgelegd. Nu de crisis zijn sporen in sommige gezinnen trekt, hoor ik steeds vaker over hulp aan elkaar.”
Doe wel aan allen, leert de Bijbel. In de praktijk is de directe hulp in zijn gemeente vooral naar binnen gericht, constateert ds. Schot. „Natuurlijk wordt er gul gegeven via kerkelijke kanalen, bij bijvoorbeeld rampen. Dan worden er duizelingwekkende bedragen opgehaald.”

Achting
Naar buiten toe is het volgens hem vooral belangrijk hoe iemand in het leven staat. „De wereld kijkt daar sterk naar. Als het goed is, dwingen Gods kinderen respect af, niet alleen door wat ze zeggen, maar ook door hun levenswijze. Ik weet nog goed hoe onze onkerkelijke buren veel achting hadden voor mijn onvergetelijke moeder. Wat ze zagen en hoorden, maakte indruk.”
Hij vindt dat ervoor gewaakt moet worden om niet in de sfeer van „goede werken te belanden. Dat zie je soms wel in meer evangelische kringen of bij interkerkelijke jongerenactiviteiten. Er is dan een sterke betrokkenheid op elkaar. Je hoort erbij, is het uitgangspunt. Maar of dat voldoende is? Tenzij je wederom geboren wordt, leert ons de Bijbel.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.