+ Meer informatie

„Hongerdoek" valt als het voorhangsel in de Tempel

Paasei ook symbool van het graf van Jezus?

5 minuten leestijd

Paaseieren eet u ook? Dan realiseert u zich niet, mee te doen aan een overoud, van oorsprong wel heidens, ritueel om ontwakend leven en vruchtbaarheid, de hergeboorte der natuur ook, symbolisch uit te beelden. Het paasei is maar één van de oude volksgebruiken, vaak van een heidense achtergrond. De palmpaasstok is een ander voorbeeld, teruggrijpend op de meiboom als levensteken. Heel wat van de oude gebruiken zijn wel gekerstend, zodat de vroegste betekenis verloren of nauwelijks meer te achterhalen is.

Een gebruik, dat in bepaalde rooms-katholieke streken vroeger en misschien nog wel voorkomt met Pasen is het „laten vallen" van de zogeheten „hongerdoek". Dat gebeurde bijv. in Westfalen, maar ook elders. Dat laten vallen van de hongerdoek ging dan soms gepaard met het dichtklappen der koorboeken en met het trommelen op de kerkvloer met behulp van een houten hamer.

De oorsprong daarvan is niet, zoals bij het Nieuwjaarsschieten, het verjagen van boze geesten. Nee, het is binnen het geheel der christelijke riten en symbolen, waaraan de RK Kerk en de Oosterse Orthodoxe kerken in tegenstelling tot de reformatorische zo rijk zijn, een nabootsing van de aardbeving die op Goede Vrijdag de graven deed openen en het voorhangsel in de Tempel liet scheuren.

Zeldzaam
Die hongerdoek nu is een afschaduwing van dat voorhangsel. Er zijn in ons land slechts twee van zulke oude „hongerdoeken"; in museum Het Catharijneconvent te Utrecht en in Rijksmuseum Twenthe te Enschede, dat deze doek in 1976 verwierf. Dat doek meet drie bij drie meter, is versierd met een afbeelding van de kruisiging, van de vier evangelisten en van vier familiewapens. Blijkens het erin verweven onderschrift is het doek gemaakt door of voor Maria, gravin van Limburg en Bronkhorst, Freule van Stirum en Borculo, anno Domini 1624.

Deze grote lap is geweven volgens de zogeheten filet-techniek: een netwerk dat bestaat uit geknoopte mazen. Zulke hongerdoeken zijn in de roomse kerken al in gebruik vanaf de elfde eeuw. Zij dienen ertoe om in de veertigdagen- of vastentijd het altaar te verbergen voor onze ogen. Het sacrament is dan in deze rouwperiode der kerk a.h.w. verhuld, terwijl vroeger ook kruisen en heiligenbeelden met kleden waren omwikkeld in de kleur van de lijdenstijd, het paars.

Voorhangsel
De hongerdoek heette oorspronkelijk ook wel „velum Templi"; de verwijzing naar het voorhangsel in de Tempel, dat op het tijdstip van Christus' kruisiging van boven naar beneden scheurde, is duidelijk. Vanaf het begin der veertiende eeuw echter komt de benaming „hongerdoek" in zwang, ook in ons land. Men vermoedt, dat dè verbreiding van dit attribuut over Europa plaats heeft gehad vanuit Bourgondië. De doeken, aanvankelijk ongetwijfeld zeer sober bedoeld en uitgevoerd, werden later juweeltjes van weef- en borduurkunst, vervaardigd in kloosters.

De meer eenvoudige vorm is een grote linnen lap, die uit twee delen bestond en waarop een kruis was geborduurd. Tegen het einde van de vastentijd werd zo'n doek, dat als een gordijn voor het altaar hing, weer opengeschoven. Die verwijdering gebeurde veelal al op woensdag vóór Pasen, de dag vóór Witte Donderdag dus. Als zo'n hongerdoek uit één stuk bestond werd hij niet uiteengeschoven, maar dan liet men hem met stang en al voor het altaar op de grond vallen: „de hongerdoek is gevallen" werd zo een vaste uitdrukking. In Westfalen kende men tegen 1600 ook de term „aan de hongerdoek knagen", wat dan betekende: m zeer kommervolle omstandigheden verkeren.

Het doek in het Twentse museum is afkomstig van kasteel Millendonck bij  Mönchengladbach en bestemd geweest voor de kerk van Korschenbroich. De vier wapens erop zijn van de vier kwartieren van gravin Maria, die ook vrijvrouwe van Wisch, Stirum en Borculo was.

Van de vier evangelisten zijn er twee, Marcus en Johannes, in spiegelschrift af gebeeld — hun namen ook — en de reden daarvan is onbekend. Opmerkelijk vind ik ook, dat bij Mattheüs de aanduiding „sanctus" (stüs, S., sets) ontbreekt; bij de rest niet. Zat er een foutje in het telpatroon?

Kortom, zo'n voorhangsel vol van symboliek is een tamelijk zeldzaam voorwerp geworden. De naam „hongerdoek" moet verband houden met de bijna afgelopen vastentijd.

Hele eieren
Van dit hongerdoek nog even terug naar de aan het vasten tegenovergestelde gewoonte om zich vol te proppen met paaseieren. Dat eieren-schilderen of althans volop eieren eten met Pasen vinden we nog op diverse plaatsen in ons land als oud gebruik, terwijl het mede dank zij de nijvere middenstand en onze zucht naar nostalgische zaken ook door moderne jonge stadsgezinnen in „ere" wordt hersteld. Of de scharrelkippenindustrie er blij mee is, weet ik niet.

Je zou het eieren-eten een oud gebruik met dubbele bodem kunnen noemen. Het ei is, ook in de heidense culturen, niet alleen voedsel in de profane zin, maar tevens kern van al het leven — denk aan het wereldei — en basis van alle kiemkracht. Zo wijst het ei op het lentefeest dat in ons christelijk paasfeest is ,,verwerkt"

Jozefs graf?
Maar een kenner van onze folklore wijst erop, dat voor de christen het ei nog een extra betekenis had (heeft?): in het ei zag men het witte graf in Jozefs tüitif waaruit het nieuwe leven (Christus) oprijst. Bovendien werden in de RK Kerk de eieren na de vastentijd als eerste spijze gewijd, waardoor ze genezende en zelfs onheilafwerende kracht kregen. Hier en daar leefde in het volksgeloof ook de kinderlijke gedachte, dat de Paasklokken op de woensdag vóór Pasen, „schortelwoensdag", naar Rome gingen om daar de eieren te halen, die dan overal in huis en tuin werden verstopt en door de kinderen opgezocht.

Ik hou het er op, dat nog een andere bijgedachte een rol speelt bij dat naar hartelust eieren eten. Dit, dat de levenskracht van het ei op de eter overgaat, of, om het wat profaner te zeggen, dat veel gekookte eieren eten een potentieverhogend middel is. En dat heeft dan weer veel te maken met de lente (van het leven) en het uitbotten van het gewas.

In elk geval is er van een aanvaardbare, christelijke basis voor dat paaseiergedoe beslist geen sprake, evenmin als van de kerstboom en andere heidense bijverschijnselen bij onze christelijke feesten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.