+ Meer informatie

TOBBENDE DOMINEES

11 minuten leestijd

In- en aanleiding

In het Kerkblad voor het Westen schreef ondergetekende voorjaar 2000 een aantal artikelen onder de titel ‘Tobbende dominees’. Ze brachten nogal wat reactie teweeg. De redactie van ons blad dacht dat het dienstig kon zijn de hoofdzaak van deze artikelen in Ambtelijk Contact te laten verschijnen. Het betreft immers een onderwerp waar op kerkenraadsniveau onderling gesprek over moet komen. Voorkomen is nog altijd beter dan genezen.

In de bedoelde artikelen noemde ik, behalve de zorgpunten, ook een aantal vreugdevolle aspecten van het predikantswerk. Die aspecten laat ik nu bewust achterwege, vanwege de lengte van dit artikel én om het belang van het onderhavige onderwerp scherp voor het voetlicht te laten komen.

In het afgelopen halfjaar heeft men in de (kerkelijke) pers meermalen over predikanten kunnen lezen die hun werk niet meer ten voile kunnen doen en die te maken hebben met verschijnselen van overspanning of ‘burn-out’. Zo was er in februari een onderzoek binnen de Geref. Kerken; daaruit bleek dat niet minder dan een kwart van de gemeentepredikanten daar het na kortere of langere tijd niet meer volhoudt. Oorzaken: de zwaarte van het werk, uitkomend in (vaak diep ingrijpend en ingewikkeld) pastoraat, moeizame catechese, afname van betrokkenheid van andere gemeenteleden, stress, conflicten met kerkenraden, ‘rol-onzekerheid’.

In juli meldde de Volkskrant een onderzoek onder priesters en predikanten: ‘Het predikantswerk staat hoog op de stressladder (…) meer dan 10% heeft last van emotionele uitputting.’ Het spreekt voor zichzelf.

Onze kerken

Hoe staat dat er in onze kerken voor? Nee, bij ons haalt gelukkig meer dan 3/4-deel van de predikanten de eindstreep van het emeritaat. Dat rekensommetje is gemakkelijk te maken. Maar is daar alles mee gezegd? Hoe halen sommigen van hen die ‘eindstreep’? En komt het ook onder ons niet meer en meer voor dat predikanten in grote moeite raken bij de uitoefening van hun werk? Ook in onze kerken zijn er pastoriebewoners (expres noem ik ze alle twee!) die het bij tijd en wijle zwaar voor de kiezen krijgen. Soms een poosje. Soms ook zodanig dat het breekpunt heel dichtbij komt…

Het is een dringend probleem, dat ons bepaald niet voorbij gaat. Kerkenraden dienen dat heel serieus te nemen. Soms lopen predikanten in hun werk helemaal vast. En vroeg of laat (hopelijk zijn er oplettende kerkenraadsleden en/of gemeenteleden) komt dat aan het licht. Wat dan?

Doe er iets bij!

Eerst maar een paar opmerkingen over de ‘buitenkant’ van de problematiek. Een legitieme vraag aan een predikant die het ‘niet meer ziet zitten’ is: doe je er al iets bij? Dat lijkt een wonderlijke benadering. Toch is het dat niet. Als een predikant ál de tijd van zijn werkzame bestaan besteedt aan de (directe kring van de) eigen gemeente, en de dingen lopen daar uit de hand - door welke oorzaak dan ook - dan liggen de mogelijkheden om overspannen te worden maar voor het oprapen. Wie naast de gemeente nog eens de gelegenheid heeft zich met andere dingen bezig te houden, krijgt meer evenwicht, zowel geestelijk als emotioneel.

Soms denken predikanten (en dat is heel nobel) dat ze dat hun kerkenraden niet kunnen vragen. Toch kan in alle redelijkheid niemand er kwaad van denken wanneer de dominee van de 60-65 uur wekelijkse arbeid (dat is het vaak) er pakweg zes van besteedt aan ander werk. Er blijven er nog steeds 54-59 over; en waar vindt men dat vandaag de dag, uitzonderingen daargelaten?

Daar zit nog een ander aspect aan: wanneer een predikant zich - met mate uiteraard, voeg ik erbij - oriënteert buiten de directe kring van de gemeente, verbreedt dat zijn blikveld. Hij ziet eens in de keuken van een organisatie, merkt iets van de zwaarte van sommige andere beroepen (!), krijgt door dat alles een meer open oog voor dat wat zijn eigen gemeenteleden meemaken. En dat zal - via die ‘omweg’ - ongetwijfeld te merken zijn in pastoraat en prediking!

Dus: een paar uur godsdienstonderwijs, een ochtend verpleeghuispastoraat, een bestuur of een deputaatschap… en laten we als kerken in algemeen kerkelijke taken, zoveel als mogelijk is, proberen de lasten over vele schouders te verdelen.

Doe er iets af!

Er is een andere kant aan de zaak: niet iedere predikant neemt het nauw met het vierde gebod, dat hij niettemin ‘s zondags wel de gemeente voorhoudt (die meestal gedurende maximaal 5 dagen in de week haar arbeid verricht). Hij haalt vervolgens zelf ternauwernood op zaterdagmiddag de eindstreep voor diezelfde week… Er worden indrukwekkende redenen opgesomd, maar het is uitstel van executie: vroeg of laat houdt de wagen stil. Heel eerlijk: vraagt de Here God dat inderdaad van ons als predikanten? Vraagt de gemeente het van ons? Of… vragen we het van onszelf? Roepingsbesef is goed, overdreven roepingsbesef is fnuikend. Ik vond deze gedachte onlangs nog weer bevestigd in De Waarheidsvriend: Is het zo gezond als predikanten per automatisme jaar in jaar uit werkweken van meer dan 60 uur maken?

En als er dan teveel werk is om in zes dagen af te hebben? Dan zal een kerkenraad samen met zijn predikant in goed overleg moeten komen tot prioriteitenstelling én dat aan de gemeente luid en helder duidelijk moeten maken.

Voor alle duidelijkheid: ik pleit niet voor luiheid in onze beroepsgroep. Dat zal - zoals in alle beroepen - helaas ook wel eens voorkomen. Ik veronderstel dat het probleem waar wij het in deze artikelen over hebben bij die broeders minder voorkomt. Tevens veronderstel ik dat we het dan over zeldzame uitzonderingen hebben.

Inhoudelijk: de veranderde kijk op de predikant

We bezien vervolgens de ‘binnenkant’ van de problematiek Wat heeft het predikantswerk toch zo onder druk gezet de laatste tijd?

In ieder geval moet dan genoemd worden de veranderde kijk in de samenleving op de predikant. Van notabel in het dorp werd hij eerst gewoon dominee, vervolgens meneer (hetgeen overigens letterlijk hetzelfde is) en daarna soms ook nog ‘Jan’. Daar zit een lastige kant aan: het natuurlijk gezag - althans uiterlijk, zolang je met die dominee te maken had - van de predikant is afgebroken. En niet iedere dominee is daarin meegegroeid… Wie gewend is om per definitie niet tegengesproken te worden, beleeft vandaag moeilijke tijden. Wie als ‘alleenleider’ in de kerkenraad en de gemeente wil staan, krijgt fors tegenwind. Maar… is die wijze van werken goed te praten? Slechts op één moment kan een voorganger eisen dat hij niet tegengesproken wordt, namelijk dan wanneer hij moet zeggen: ‘Alzo spreekt de Here’. Daar past het buigen van ieder. Juist dat strikte gegeven moet ons ertoe brengen zorgvuldig te overwegen waar dat wél, en waar dat níet geldt. In veel gevallen, op pastoraal gebied en op kerkenraadsniveau, is redelijk overleg mogelijk.

Ook hier weer: anderzijds

Zoals aan alles zit ook hier een keerzijde aan de medaille: in een goede verstandhouding tussen predikant enerzijds en kerkenraad/gemeente anderzijds weet men de goede, geestelijke toon te treffen waarmee men elkaar benadert. In het boek der Spreuken staan niet voor niets woorden over beslistheid in gesprekken, gepaard gaande aan de goede toon en de zuiverheid van woorden waaraan dat gekoppeld gaat. Leest u in dat kader Spreuken 15 eens; de Heilige Geest geeft daarin onderwijs, dat door geen enkele moderne counselor te verbeteren is.

Soms hoort men van kritiek op het pastorale optreden of de prediking van de predikant, op zich genomen terecht, maar zo ongezouten voorgeschoteld, dat er emotioneel heel veel op te ruimen is voordat het inhoudelijke aspect aan de orde kan komen. En soms is er wel heel weinig begrip voor de spankracht van de predikant, die behalve zijn werk ook nog zijn eigen persoonlijk en gezinsleven heeft (dat loopt soms op een wonderlijke wijze door elkaar) en die niet altíjd de emotionele en geestelijke soepelheid heeft om ‘bouwen en niet te breken’.

Kerkenraad en predikant

Van groot belang, niet in het minst voor de uitstraling naar de gemeente toe, is een goede verhouding tussen predikant en kerkenraad. Bij zo’n goede verhouding kunnen vele situaties van zorg in en rond de gemeente het hoofd geboden worden. In de beroepsbrief staan daarover mooie dingen: ‘Zijnerzijds zegt de kerkenraad u toe, onder biddend opzien tot de Here, u in broederlijke trouw en in gemeenschap des Geestes ter zijde te staan en met u de gemeente des Heren aan deze plaats te weiden’. Woorden die alle hun wortel hebben in het heilig Evangelie. Soms - kennis nemend van de kloven die sommige kerkenraden samen met hun dominee bijkans doen splijten - heeft men de neiging om te zeggen: ‘Laat die broederlijke liefde blijven!’ (naar Hebr. 13:1).

Te vaak zijn in onze kerken in het recente verleden gemeenten al door een diep dal gegaan, omdat hun kerkenraad en predikant niet alleen hooglopende meningsverschillen hadden, maar ook omdat er nergens iemand was die daar boven stond en geestelijk overwicht had en door ieder gerespecteerd werd.

Naar een heling van mensen

Daarmee is gezegd - en dat is een pijnlijke zaak - dat bij ons onderwerp niet alleen predikanten (en hun gezinnen) betrokken zijn. Soms wel, maar vaak worden kerkenraadsleden mede zwaar belast, met de beruchte olievlekwerking als gevolg.

Vergis ik mij als ik zeg dat men vaak heel lang ‘de vuile was niet buiten wil hangen’? Daar zit iets goeds en geestelijks in; wanneer men echter té lang wacht, is het des te moeilijker naar oplossingen toe te werken. Op een symposium onlangs ging het over het besiechten van kerkelijke geschillen. Daar werd het pleit gevoerd voor het zogenaamde ‘mediating’: het zoeken naar iemand die vertrouwen naar beide kanten geniet, en die in Staat mag worden geacht om, al luisterend naar beide partijen, een weg te zoeken in bemiddelende zin, een weg die beide partijen willen gaan.

Op die bijeenkomst waren enkele rechters, die opmerkten dat men die ‘mediaters’ dan wel buiten de kring moest zoeken van hen die geroepen zouden kunnen worden zich in juridische zin met het probleem te moeten bezighouden te eniger tijd. Geen rechter die op een gegeven moment zijn toga uittrekt en vervolgens gaat bemiddelen, want op enig moment moet hij weer naar de rechtszaal terug!

Naar de kerken toe zou dat kunnen betekenen dat er breeders en/of zusters gevonden worden waarvan gezegd mag worden dat de Heilige Geest ze de gave heeft gegeven van het luisteren, van het spreken, van het onderling bruggen bouwen, en dat alles zonder aanzien des persoons. Wellicht buiten classisverband - want daar kan het immers op een gegeven moment een ‘zaak’ worden! Of binnen classisverband, maar dan met inachtneming van de noodzakelijke grenzen: adviserend, zonder van datgene dat je hoort nog eens later een oneigenlijk gebruik te maken.

Natuurlijk moeten dat broeders of zusters zijn die naar beide kanten vertrouwen hebben, zowel van de predikant als van de kerkenraad/gemeente. Ik hecht eraan dat het geven van dat vertrouwen bepaald niet samen hoeft te vailen met de geestelijke grenzen die in onze kerken helaas maar al te vaak onderling opgeworpen worden en waar classes onder kunnen lijden.

Het probleem van het predikant-zijn op zichzelf

Soms ligt de problematiek meer op het terrein van het werk van de pastor op zichzelf, los van mogelijke verwikkelingen. Het is niet te ontkennen dat dit werk, waartoe men zich in alle oprechtheid door de Here geroepen weet, soms erg zwaar is. En het geloof dat de Here kracht geeft - dat zeggen wij toch vaak? - weegt niet altfjd op tegen dat gegeven. De Here heeft niet aan ieder van ons tien talenten gegeven. Gelukkig maar ook. Dat betekent dat de gemeente slechts díe talenten naar voren mag halen die we wél ontvangen hebben - de Here vraagt dat ook van ons. En van onszelf hoeven we óók niet meer te vragen.

Daarnaast zijn er veel mogelijkheden tot bijscholing op allerlei gebied. Het Gereformeerd Vormingsinstituut te Zwolle en de afdeling Contractactiviteiten van de Chr. Hogeschool Ede geven elk jaar een overzicht van de te geven cursussen. Duur? Alles heeft zijn prijs inderdaad, maar laat de kerkenraad eens becijferen hoe veel het gaat kosten als de dingen eenmaal goed uit de rails gelopen zijn…

De pastor pastorum

Het volgende: Soms komen predikanten in de problemen, terwijl er voor hun gevoel niemand is met wie ze eens van hart tot hart kunnen spreken. Maar ze krijgen toch jaarlijks huisbezoek? Inderdaad, maar juist wanneer er problemen liggen rond de verhouding predikant-kerkenraad kan ook dat huisbezoek belast zijn. En afgezien daarvan: vaak willen predikanten hun ouderlingen ook niet nog eens met hun eigen problemen lastig vallen: die ouderlingen hebben immers al genoeg te verwerken in hun wijk…

Wie is er dominee voor de dominees? Voor beginnende predikanten is er in de classis de mentor, met grote zorg uitgezocht. Maar… soms gaan predikanten pas in hun derde gemeente ‘onderuit’.

Ik pleit voor een onderling ‘op elkaar toezien’ in de sfeer van meeleven, aandacht, onderling dienstbetoon. En laten we niet verlegen zijn als collega’s om elkaar te laten zien dat we kwetsbare mensen zijn, net als onze gemeenteleden. Nog mooier is het wanneer er iemand in de gemeente is, helemaal geen kerkenraadslid (dat kan soms net zo veilig zijn), die zich voor deze taak geroepen ziet door de Here zonder dat gezocht te hebben, tot heil van zijn dominee, tot behoud van de eenheid in de gemeente, tot eer van God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.