+ Meer informatie

GELOOFSGESPREK OP HUISBEZOEK I

7 minuten leestijd

INLEIDING

Bij het jaarlijkse huisbezoek dient het gesprek over het geloof centraal te staan. Huisbezoek is immers het ambtelijk gesprek met de leden (gezinnen) van de gemeente. Het geloof verbindt de gemeenteleden aan elkaar en aan de Heere.

De Heere vergadert zijn gemeente in de eenheid van het ware geloof (HC Zond. 7). Artikel 27 NGB belijdt van de gemeente dat zij is “een heilige vergadering van ware Christgelovigen”.

Bij het doen van geloofsbelijdenis hebben we met een heilige eed voor God en zijn gemeente getuigenis gegeven. Bij het huwelijk, de doop van onze kinderen en andere plechtige gebeurtenissen herhalen we dit. De opvoeding van onze kinderen en heel onze levensstijl dient hiermee in overeenstemming te zijn.

Het Woord van God spreekt over het geloof op twee manieren namelijk: geloof als de inhoud van het geloof en geloof als het in praktijk brengen en beleven van het geloof. Deze zijn overigens niet van elkaar te scheiden.

Op huisbezoek gaat het met name over het laatstgenoemde geloof. Belijdende leden hebben van dit geloof belijdenis gedaan. Daaraan mogen we hen houden. Jonge leden van de gemeente (doopleden) dienen in dat geloof onderwezen te worden om tot het belijden van dit geloof met hart en mond geleid te worden.

Wanneer tijdens het huisbezoek blijkt dat men afwijkende meningen heeft betreffende het “objectieve” geloof maak dan een aparte afspraak om dit te verder bespreken.

INZET VAN HET GESPREK

In een vertrouwelijke sfeer en met pastorale betrokkenheid en bewogenheid dienen gesprekken over het persoonlijk geloof gevoerd te worden. Wij komen niet als inspecteur of rechter op huisbezoek.

Het is niet gepast om meteen aan het begin heel directe vragen over het persoonlijk geloof te stellen. Het lezen van een passend Bijbelgedeelte, vergezeld van een kort gebed kan ons op de juiste toonhoogte brengen om het geloofsgesprek aan te gaan.

DUIDELIJKHEID

Bij het spreken over het persoonlijk geloof is het van belang wederzijds het rechte zicht en het juiste beeld te hebben op wat persoonlijk geloven inhoudt.

In de Bijbel wordt de gemeente aangeduid als een gemeenschap van gelovigen. Dit houdt echter niet in dat ieder lid van de gemeente vanzelfsprekend een waar gelovige is. Een waar geloof houdt meer in dan lid zijn van en trouw meeleven met de gemeente, het aanvaarden van christelijke geloofswaarheden en het hebben van een christelijke levensovertuiging.

In het ware geloof gaat het vooral om de relatie met God en met Zijn Zoon Jezus Christus, gewerkt door de Heilige Geest. Deze relatie is het antwoord op het spreken van God door Zijn Woord. Geloven is: amen zeggen, amen zijn en amen doen. En verder: geloven is het overtuigd zijn en worden door het spreken van de Heere in de kracht van de Heilige Geest en ons hele leven in alles door die overtuiging laten leiden.

NOODZAAK EN HEERLIJKHEID VAN HET GELOVEN

Het spreken over het persoonlijk geloof is een heilige en ernstige zaak. Het wel of niet geloven is uiteindelijk het enige criterium voor het wel of niet behouden worden, zie HC Zondag 31.

Laat vooral ook doorklinken de heerlijkheid van het ware geloof. Het brengt levenslicht in onze donkerheid, en waarachtige vreugde en geluk in concrete ellende en verlorenheid. Te midden van een wereld vol onrust en onzekerheid biedt het ware geloof een uiteindelijk onverwoestbaar houvast. Naar Hebreeën 11:1 is het een vaste grond voor de dingen die men hoopt en een bewijs van de zaken die men niet ziet.

KOMEN TOT HET GELOOF

Het beleven en het in praktijk brengen van het persoonlijk geloof is belangrijker zijn dan het weten hoe en wanneer we tot geloof gekomen zijn. Toch is het spreken over het komen tot geloof om meer dan een reden niet overbodig.

Het gaan geloven is waarneembaar in innerlijke beleving en in uiterlijk levensgedrag. Geloof en bekering, oftewel bekering en geloof worden in de Bijbel heel direct aan elkaar verbonden als het werk van Gods Geest. Er is geen geloof zonder bekering en geen bekering zonder geloof.

Niet zelden meent men dat er een duidelijk moment aangewezen moet kunnen worden, gepaard gaande met een ingrijpende levenservaring. Dikwijls geldt dit voor hen die uit een god-loos wereldleven of uit een goddeloos vroom godsdienstig leven tot geloof komen. Maar doorgaans geldt dit niet zo voor hen die trouw en intens kerkelijk meeleven. Voor hen is het tot geloof en bekering komen veeleer aan een bepaalde periode gebonden.

In Mattheüs 5 (de zaligsprekingen) duidt Jezus de ware onderdanen van Zijn Koninkrijk aan. Zij die bij Hem behoren weten wat het is: zichzelf vernederen en verliezen. Zij kennen zich als zondaar en smeken om genade. Zij zoeken een gerechtigheid, maar dan wel meer dan die van eigen werken. Zij zijn schapen die de stem van de goede Herder kennen en Hem volgen. Art. 29 NGB noemt niet alleen de merktekenen van de ware kerk maar ook de merktekenen van de ware christenen. Over deze zaken dient gesproken te worden. Zij die vrezen dat het komen tot het ware geloof bij hen ontbreekt, maar toch aan de merktekenen beantwoorden die Jezus Christus en in navolging van Hem de Kerk noemt, mogen er door vertroost, bemoedigd en aangespoord worden. Wanneer men zich echter ten onrechte voor een gelovige houdt, dient hierover in alle ernst te worden doorgesproken, opdat het schijngeloof zal worden ontdekt en tot het kennen van het ware geloof, tot de noodzaak en heerlijkheid daarvan zal worden aangedrongen.

GROEIEN IN HET GELOOF

Het groeien, niet van het geloof in ons maar van ons in het geloof, is een zaak die op huisbezoek zeker aandacht dient te krijgen.

Het Woord van God spoort op vele plaatsen daartoe aan. Als Petrus in zijn brieven eerst gesproken heeft over het wedergeboren zijn door het levende en eeuwig-blijvende Woord van God getuigt hij daarbij aansluitend: “En als nieuw geboren kinderen zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat u daardoor moogt opwassen”. Zoals hij elders spreekt over een opwassen in de genade en kennis van Jezus Christus. Paulus spreekt in zijn brieven over jonge kinderen en volwassenen in het geloof. De brief aan de Hebreeën getuigt van melk en vaste spijs. Op tere wijze spreekt Calvijn hierover in zijn Institutie III, 2,19.

Er kunnen oorzaken zijn die de groei belemmeren en in plaats van groei dorheid met zich meebrengen. Te noemen zijn onder andere: onbeleden zonden tegenover God en de naaste, nalatigheid en sleur in het gebed, egoïsme, ongehoorzaamheid en verslapping in het meeleven met de gemeente.

Tot het bevorderen van de groei in het geloof is voor alles nodig het besef van afhankelijkheid van de Heere en van Zijn Heilige Geest. Het vol blijven houden van en de volharding in het geloof berust op belofte van Christus betreffende de gave van de Heilige Geest. “Die zal bij u blijven in der eeuwigheid”.

Onzerzijds mag dan gebeden worden “Neem Uw Heilige Geest niet van mij”. Bij een gevoel van Godverlatenheid en verberging van Zijn aangezicht geldt van Gods kant dat Hij ook dan niet laat varen het werk dat Zijn hand begon. Zie hiervoor het leerzame en pastorale hoofdstuk 5 van onze Dordtse Leerregels.

ZEKERHEID VAN HET GELOOF

In de gelovige kan op veel manieren sprake zijn van onzekerheid en twijfel, maar voor het ware geloof door Gods Geest in ons gewerkt, geldt dit niet.

Het ware geloof heeft de zekerheid in zich. Denk aan de aanduidingen: een stellig kennen en een vast vertrouwen. Een andere zaak is dat een gelovige niet altijd op de hoogte van deze vastheid en zekerheid staat. In de weg van de geestelijke oefeningen wil de Heere door het gebruiken van de genade-middelen (met name Woord en Sacramenten) ons tot die vastheid en zekerheid brengen. Een hierbij veel gebruikte onderscheiding is die tussen een “toevluchtnemend geloof” en een “bevestigd geloof”. Hierbij dient bedacht te worden dat ook het toevluchtnemend geloof de zekerheid in zich heeft vanwege de zekere belofte van de Heere.

Van bevestiging van het geloof kan geen sprake zijn zonder beoefening van het geloof. Juist in deze weg wil de Heere ons van de zaligheid zeker doen zijn.

Tenslotte: laten we bij de zorg voor de leden van de gemeente, de zielszorg voor onszelf niet vergeten: “Gods Woord naarstig onderzoeken en onszelf gedurig te oefenen in de verborgenheden van het geloof”.

Ds. J. Brons is emeritus predikant sinds 1999 en woont op Urk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.