+ Meer informatie

BIDDEN CHRISTENEN EN MOSLIMS TOT DEZELFDE GOD?

8 minuten leestijd

De relatie tussen christenen en moslims maakt roerige tijden door. Tot 11 september 2001 was het in brede kring gebruikelijk om de verwantschap tussen beide religies te onderstrepen. In dat verband spreekt men wel van een ‘Abrahimitische oecumene’, en duidt daarmee de historische en innerlijke verwantschap van jodendom, christendom en islam aan.

Inmiddels staan er andere thema’s bovenaan de agenda. In onze samenleving wordt de islam door sommigen als een ‘achterlijke religie’ bestempeld. Het christendom heeft een geschiedenis doorlopen, waarin vroegere intolerante trekken zijn verdwenen, maar de islam moet daar nog doorheen. Ook wordt wel naar voren gebracht, dat het monotheïstische godsdiensten — dat zijn: godsdiensten die het bestaan van slechts één God belijden — onvermijdelijk eigen is om intolerant te zijn tegenover andersdenkenden. Immers, als er maar één God bestaat, die alle mensen geschapen heeft, heeft Hij ook recht op de gelovige erkenning van alle mensen!

In de kerk kunnen we om deze vragen niet heen, vooral ook omdat nogal eens gesteld wordt dat godsdienst toch een positieve rol kan spelen in de samenleving (burgemeester Cohen van Amsterdam). Zou het geloof in de ene God geen basis zijn om toenadering te zoeken? Ruim twee eeuwen geleden schreef de Duitse Verlichtingsrepresentant Gotthold Ephraim Lessing zijn toneelstuk Nathan der Weise, dat speelde tijdens de kruistochten, met daarin de fabel van de drie ringen. Met die drie ringen zinspeelde hij duidelijk op de drie grote godsdiensten jodendom, christendom en islam. Een vader had drie zoons, maar slechts één ring, waaraan bijzondere kracht werd toegeschreven. Daarom liet hij er twee bij maken, zodat hij alle drie zijn zoons een ring kon nalaten. In de praktijk zou moeten blijken welke van de drie ringen de echte was. Bepalend daarvoor zou zijn welke van de drie zoons in moreel opzicht de kroon zou spannen. Daarbij liet Lessing de mogelijkheid open, dat de echtheid van de ring op zichzelf niets inhield, en dat het alleen aan de zoons — dat wil zeggen: aan de verschillende godsdiensten — was om zichzelf te bewijzen.

Het toneelstuk ademt de geest van het Verlichtingshumanisme, zoals dat vandaag nog altijd hoogtij viert. Aan christenen valt dan de opdracht toe om de aan het monotheïsme eigen intolerante trek te helpen uitzuiveren. Kunnen en moeten wij daarin meegaan?

VERKIEZING EN GENADE

Als we in een dergelijke manier van denken mee zouden gaan komen we op een onbijbels spoor. Je komt dan in de verleiding de schaduwzijden van de islam te onderstrepen, om zo tegen deze religie te kunnen opbieden. Het gesprek tussen de godsdiensten kan dan een welles-nietes-spel worden, met een overigens dodelijke ernst. Alle zich tegen elkaar afzetten is een miskenning van het christelijk geloof. Het verschil tussen het christelijk geloof en de islam zit dieper, en is fundamenteler.

Als we denken aan het Oude Testament, aan het eerste gebod, dan lijkt dat op het eerste gezicht misschien niet meer dan een uiting van geloof in de ene God. Kunnen we dan dus spreken van een overeenstemming op dit punt met Verlichtingsdenkers, die op filosofische gronden voor het bestaan van één God opkomen, of ook met moslims, voor wie Allah de enige is?

Dat kan alleen, als je aan de eigen inhoud van het eerste gebod, en de inleiding op de Tien Woorden voorbijgaat. Daar maakt de HERE Zichzelf bekend als de God, die Israël uit Egypte geleid heeft. Daarvóór heeft de HERE Zich al bekend gemaakt aan Mozes, als de God van de vaderen, Abraham, Izaäk en Jacob. Hij heeft het roepen van Israël gehoord, Hij heeft Mozes in het leven gespaard en uitgekozen om Israël uit Egypte te leiden. Hij heeft bij de Schelfzee laten zien, dat Hij in een menselijk gezien uitzichtloze situatie volkomen uitkomst kan geven.

Het eerste gebod zegt ons, dat we er geen andere goden naast Hem op na mogen houden, omdat iedere andere god per definitie een product van ons wensdenken is. Een God die zó ontspruit aan onze verbeelding is nooit een God van vrije genade, die ons al zocht, toen wij bevend voor Hem vluchtten. Anders gezegd: als christelijke kerk lezen we in het Oude Testament de verkondiging van Gods vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog. Die boodschap is in geen mensenhart opgekomen. Waar de Nederlandse Geloofsbelijdenis schrijft dat de HERE achter Adam aan ging, en zó Gods genade laat uitkomen, legt ons natuurlijk hart heel andere accenten. We vluchten in de prestaties, en spiegelen ons — zacht — aan anderen.

ALLAH

Als het zó scherp ligt, spreken we dan nog over dezelfde God? Christenen in arabische landen gebruiken voor God, de Vader van onze Here Jezus Christus, het woord Allah. Zouden ze dat beter niet kunnen doen misschien? Wekt het geen verwarring?

Ik denk, dat er niets anders op zit. Als wij met een moslim spreken, hebben we het toch ook over God? We beseffen dan heel goed, dat de vraag daarmee niet is beantwoord, wie Hij is. We begrijpen elkaar als we het woord ‘God’ gebruiken: we hebben het over Hem, die de wereld en ons erbij geschapen heeft. Op dat punt is er een zekere overeenkomst in godsbeeld. Maar we passen er wel voor op om met een moslim op zo’n manier over de HERE te spreken, dat de gedachte kan postvatten dat we hetzelfde geloof delen.

Er lijkt mij dus weinig tegen in te brengen, als christenen in arabische landen het woord ‘Allah’ gebruiken. Wij menen — bewust of onbewust — in het woord ‘Allah’ Gods bijzondere Naam horen, te vergelijken met de naam HERE. Maar dat is dus niet het geval.

Een eerste antwoord op de vraag of we als christenen en moslims tot dezelfde God bidden is: ja. De HERE is niet een God voor een beperkte groep ‘aanhangers’, de God van een stam of de God van het Westen. Hij is de Schepper van hemel en aarde. Iemand die in zijn gebed een God voor ogen heeft die de wereld geschapen heeft en regeert, richt zich tot die God, die zich in de Bijbel heeft geopenbaard. Er is geen ander.

Kunnen we nu dus gezamenlijke gebedsdiensten organiseren en overeenstemming zoeken?

IN CHRISTUS’ NAAM

Het antwoord op de vraag is wat mij betreft: nee. In de vorige alinea zijn we uit het oog verloren, dat we over de HERE nooit anders kunnen en mogen spreken dan als die God die Zich in zijn genade aan ons doet kennen.

Bidden is omgaan met de HERE, Zijn aangezicht zoeken. In zijn Naam geeft de HERE aan hoe Hij aangeroepen wil worden. Daarom heet het ook: Naam. Hij wil niet anders aangeroepen worden dan als die God, die ons zoekt langs de weg van verzoening en genade. Iedere andere gedachte, met de daarbij behorende toegangsweg tot Hem, is een miskenning van deze centrale boodschap van de Schrift. Wij mogen Hem niet anders aanroepen dan Hij Zich aan Israël en in Christus te kennen heeft gegeven.

De vraag of wij tot dezelfde God bidden is dus geen theoretische vraag, die we kunnen beantwoorden door een aantal criteria af te vinken. Het gaat in de Schrift steeds tegelijk om wie de HERE is en wie wij zijn. De kennis van God en die van onszelf hangen onlosmakelijk samen, is de opening van Calvijns Institutie. De Heidelbergse Catechismus legt de eerste bede van het Onze Vader als volgt uit: ‘Geef ons allereerst dat wij U op de rechte wijze kennen’.

De Here Jezus Christus heeft zijn leerlingen opgedragen in zijn Naam te bidden. Dat is niet hetzelfde als: ‘om Christus’ wil’. ‘Bidden in de naam van Christus’ is hetzelfde als ‘bidden op grond van Gods openbaring in de komst en het werk van Christus’. Het houdt in, dat zijn komst, zijn werk en zijn voorbede de inhoud en de aard van ons gebed bepalen en dragen. Er is immers ‘geen andere Naam onder de hemelen, waardoor wij behouden moeten worden’! (Hand. 4,12)

OOTMOED

Eindigen we zo niet heel intolerant? Lopen we niet het gevaar in de uiterst gespannen relatie van christenen en moslims de tegenstellingen aan te wakkeren? Het is ontegenzeggelijk waar: er kan en mag geen sprake zijn van enige onduidelijkheid, waar het gaat over de vraag tot Wie wij naderen. Wie God niet in Christus zoekt, zoekt Hem op de verkeerde wijze, zoekt een andere god.

Maar als wij met de Heidelbergse Catechismus leren bidden: ‘Geef ons allereerst dat wij U op de rechte wijze kennen’, is duidelijk dat we er niet van uitgaan dat wij gelijk hebben en ‘goed zitten’. Nee, wie de HERE echt leert kennen zal erkennen en beseffen dat Hij bij machte is ‘uit stenen kinderen van Abraham te verwekken’ (Matt. 3,9; Luc. 3,8). Jezus stond versteld over het geloof van een Romeinse hoofdman, en voegde eraan toe dat velen uit oost en west zullen komen en aanliggen met Abraham, Izaäk en Jacob, terwijl kinderen van het Koninkrijk buitengeworpen zullen worden (Matt. 8,11v).

Wie deze dingen beseft, zal zich niet boven moslims — of wie dan ook — verheven voelen. Hij leeft niet van zijn eigen gelijk. Nee, hij beseft dat moslims ons kunnen voorgaan. Wie de HERE op de rechte wijze leert kennen wordt nauw voor zichzelf en gunnend voor anderen. Het is van levensbelang voor de toekomst van onze westerse wereld, dat er mensen zijn die zó niet mét, maar wel vóór moslims bidden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.