+ Meer informatie

Ter overweging

6 minuten leestijd

Dr. B. Rietveld, De geloofspraktijk. Theologie en gemeente 2. Kok, Kampen. 1972. 100 blz. Prijs f 7,90.

Vol verwachting begonnen we aan dit boekje. De serie wil een tegenhanger zijn van de „Cahiers voor de gemeente”, die ook bij Kok verschijnen. De schrijver, gereformeerd predikant in Den Haag, handelt in dit boekje over de omgang met God. Slechts in het laatste, vierde hoofdstuk, gaat hij wat dieper in op de geloofspraktijk. In de eerste drie hoofdstukken gaat het over het actuele van een accent op de geloofspraktijk. Daarna wijst hij op de gevaren van zulk een accent. In de derde plaats behandelt hij de mogelijkheid van de geloofspraktijk.

De auteur wil optornen tegen de twijfel die de gemeente verlamt. Hij doet dat met overtuiging. Daarom is zijn boekje ons sympathiek. Doet hij het ook met voldoende middelen? Op die vraag kan ik niet volmondig ja zeggen. Daarin ligt voor ons de teleurstelling. Hij legt veel nadruk op de ontmoeting met God. Godsdienst is meer dan een kwestie van kennis. Het is persoonlijke beleving. Zo lezen we met instemming. Hoe komt die ontmoeting tot stand en waar vindt ze plaats? Het gaat „via de dingen”, of „in de weg van Gods handelen”. Naar ons oordeel krijgt de Schrift in dit geheel een te weinig centrale plaats. Dat spijt ons, omdat de huidige geloofscrisis voor een niet onbelangrijk deel samenhangt met de onderwaardering van de Schrift.

Uit reactie tegen intellectualisme dreigt de schrijver nu door te slaan naar een subjectief gekleurde aanpak vanuit de geloofservaring. De mogelijkheid tot de ontmoeting met God „is alleen te aanvaarden in de eigen ondervinding van de ontmoeting” (blz. 80). Men zie soortgelijke uitdrukkingen op blz. 40, 53, 56 en 73. Bovendien is ons bezwaar, dat het onderwerp de geloofspraktijk breder is dan een bespreking van de mogelijkheden en de moeilijkheden om tot de ontmoeting met God te komen.

W. H. VELEMA

Leven en sterven met verwachting

De pastorale handreiking van de generale synode der Nederlandse Hervormde Kerk, aanvaardt in haar vergadering van 21 februari 1972 naar aanleiding van de discussie over „dood-is-dood”, is thans bij het Boekencentrum n.v. te ’s-Gravenhage in druk verschenen onder de titel „Leven en sterven met verwachting” (prijs f 2,—).

Het stuk wekt de indruk te zijn geschreven met de bedoeling mensen van deze tijd een aanknopingspunt te bieden bij het denken over de mogelijkheid van een leven na-hetaardse. De opwekking van Christus staat bij dit pogen centraal. Christus is als eersteling ingegaan in het leven-na-dit-leven, de Geest „verbindt ons zo met Christus, dat wij aan Zijn weg deel krijgen en ontdekken, dat het behoud van ons leven zich daarin voltrekt, dat wij het aan God en de naaste verliezen” (pag. 9). Via dit „scharnier” worden de gedachten van de lezer teruggeleid naar Gods oorspronkelijk bedoelen met mens en wereld en wordt ook het perspectief geopend naar een eeuwige toekomst. Een benadering op deze wijze maakt het mogelijk controversiële zaken als de relatie dood en zonde, de vraag of de dood een natuurlijk- dan wel tegen-natuurlijk verschijnsel is en dergelijke in eerste instantie nagenoeg buiten beschouwing te laten, hoogstens in een bijbelcitaat even te duiden. Als gevolg van deze aanpak rijst telkens bij de lezing de vraag of men niet al maar heeft geprobeerd met behoud van alle ruimte voor een horizontaal-menselijke ratio toch nog zoveel mogelijk van de Goddelijke Openbaring overeind te houden. Die teneur te moeten proeven stemt verdrietig.

H. W. v. d. BRINK

„Apeldoornse Studies” - Dr. J. van Genderen, Christus in onze plaats (35 blz.), Kok - Kampen 1972; Dr. W. van ’t Spijker, Goddelijk recht en kerkelijke orde bij Martin Bucer (40 blz.), Kok -Kampen 1972.

Onder het vignet „A.S.” — Wekker-lezers van voorheen wel bekend! — van „Apel-doornse Studies” zijn twee oraties verschenen, uitgesproken resp. door prof. Van Genderen bij de overdracht van het rectoraat op 8 okt. 1971 en door prof. Van ’t Spijker bij zijn inauguratie als hoogleraar. Het initiatief om in de vorm van een serie, naar we aannemen, min of meer regelmatig de resultaten van de Apeldoornse studie in breder kring beschikbaar te stellen, kan met grote waardering verwelkomd worden.

In de eerste oratie, die van prof. Van Genderen, wordt een zeer actuele zaak aan de orde gesteld: de plaatsbekleding van Christus, zoals die in de laatste tijd opnieuw in discussie is. Voorheen was er in allerlei kring verzet tegen de reformatorische leer van de plaatsbekleding, in onze dagen wordt ook in gereformeerde kring verzet tegen de reformatorische belijdenis in dezen aangetekend (dr. Wiersinga). Onder de mom dat het Evangelie „verstaanbaar” gemaakt dient te worden voor de mens van vandaag, veroorlooft men zich wezenlijk deze belijdenis te ontkennen. Het is dan niet de vraag of de mens „aangepast” moet worden aan het Evangelie door hartgrondige bekering, maar de „aanpassing” van het Evangelie beheerst theologie en prediking. Duidelijk laat prof. Van Genderen zien hoe dan de Bijbelse gegevens worden „uit”-geïnterpreteerd om eigen ideeën een schijn van theologische geldigheid te geven — blijkbaar wordt dat nog wel nodig geacht! Tevens wordt duidelijk dat de pretentie waarmee men eigen inzichten als „nieuw” etiketteert, in de meeste gevallen ook niet meer dan pretentie is. Het zal wel enige moeite kosten, maar de lezers van ons blad die zich de moeite getroosten deze rectorale oratie te bestuderen, zullen er geen spijt van hebben.

Dat geldt zonder twijfel ook van de tweede oratie die hier wordt aangekondigd. Er ligt een lange weg „tussen het moment waarop Christus aan zijn discipelen volmacht verleend tot de prediking van het evangelie, de bevoegdheid om op aarde zonden te vergeven”, en de tijd waarin wij als ambtsdragers onze dienst vervullen. Vaak is onderweg dat evangelie bedolven „onder een menigte van voorschriften en menselijke bepalingen”. Prof. Van ’t Spijker laat in een duidelijk betoog zien hoe Bucer het pleit heeft gevoerd voor het kerkrecht als recht van de gemeente, als recht van Christus, en zo als goddelijk recht. Omdat mensen zich de geestelijke regering over de kerk aanmatigden, werd dat evangelie zovaak bedolven, maar dat strijdt met het regiment van Christus. En alle kerkelijke recht dat daarmee strijdt, dient afgewezen te worden. Kerkrecht is gemeenterecht!

Goddelijk recht en kerkelijke orde vormen geen tegenstelling. Spanningen daartussen ontstaan wanneer zij die verantwoordelijk zijn voor de kerkelijke orde, zich gezag aanmatigen dat tegen het gezag van Gods Woord ingaat. Dan wordt kerkelijke orde een verzameling van bindende voorschriften en verliest die orde de pastorale opzet en bedoeling om steeds de geestelijke wasdom van de gemeente op het oog te hebben. Intensieve bestudering van de principia van Bucer, zoals prof. Van ’t Spijker die uiteen zet, lijkt me een probaat medicijn om de heel menselijke verleiding ook in de kerk misbruik te maken van „gezag” en zo „macht” te „oefenen” (!) te weerstaan. De laatste alinea op blz. 35 zou voor de behandeling van menige zaak op kerkelijke vergaderingen overwogen kunnen worden om pastoraal werkzaam te blijven! En te beleven (blz. 36): „Wanneer de dienaren alleen die ordeningen uitvaardigen, dit tot opbouw dienen, en dus ordeningen van God zijn, en daarbij, zoals Paulus deed christelijk en schriftuurlijk argumenteren, en niet maar alleen „mandamus, praecipimus, interminamur”, wij bevelen, gebieden en verbieden donderen, daar zullen de christenen ongetwijfeld de zin van Christus in dergelijke ordeningen erkennen.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.