+ Meer informatie

Huisbezoekinstructie

8 minuten leestijd

n.a.v. Lukas 12:35–48

Nu het huisbezoek-seizoen weer voor de deur staat, kan het (opnieuw) een goede gewoonte zijn, met het oog daarop na te denken over een gedeelte uit de H. Schrift met de bedoeling het bezoek vanuit een bepaald gezichtspunt te benaderen. Voor deze maal lijkt het mij goed de christelijke toekomstverwachting nadrukkelijk aan de orde te stellen. Dat is niet onze sterkste kant. De (weder)komst van de Here heeft vaak — zo is mijn indruk — te weinig een plaats in veler geloofsleven. Dat heeft tot gevolg, dat het geloofsleven aan bloedarmoede lijdt of vaak niet zo krachtig is, als het wel kon zijn.

U kunt de broeders en zusters best op de man vragen of zij zichzelf herkennen in dat „mensen die op hun Heer wachten”, vs 36. Wachten is een van de kernwoorden voor het geloof. Niet in de zin van afwachten. Wie afwacht, stelt zich lijdelijk op en kent de spanning niet. In dit bijbelgedeelte wordt ons dan ook geen afwachten, maar verwachten aanbevolen. Sterker, we worden er toe geroepen. Zo leert het geloof hopen en wat dat betekent, kan b.v. Hebr. 11 ons wel leren. Hoop ontvang je door te letten op de toekomst. Wie bezig is met Christus’ komst, leert zingen: „Vol verwachting blijf ik uitzien”. In onze tijd zijn er genoeg mensen, die veel van de toekomst verwachten en die er aan werken, alsof hun heil in hun handen ligt. De christen ziet naar de toekomst uit, omdat de komst van de Here de volle openbaring van het heil inhoudt.

Intussen spreekt de gelijkenis van de afwezigheid van de heer. Het is duidelijk wat daarmee wordt bedoeld. Het is niet de bedoeling dat de slaven hun heer afschrijven, maar dat hij als afwezige toch de gang van zaken in huis bepaalt. De wijze van hun gedrag is van dien aard, dat rekening wordt gehouden met het feit, dat de heer onverwachts kan komen.

Daarom zijn de lendenen omgord en de lampen brandend. Nu moet u weten, dat men in die tijd „zich omgordde” voot drie dingen: als men zich klaar maakte voor de reis, voor de strijd en voor het werk. Het komt mij voor, dat alle drie betekenissen hier mee moeten spreken.

U zou op huisbezoek hierbij aan de orde kunnen stellen de vraag, of de afwezigheid en in hoeverre de afwezigheid van onze Here Christus ons leven bepaalt. Het zal bepalend zijn voor de wijze van zijn in de wereld.

Al te gemakkelijk bedreigt ons het gevaar, dat we ons volkomen laten leiden door het hiernumaals. Dan gaat de verwachting er uit en gaan we volledig op in de dingen van dit leven. Christelijke toekomstverwachting heeft oog voor de betrekkelijkheid van dit leven. Als we te veel gespitst zijn op het hier en nu heeft dat tot gevolg, dat ons geloofsleven steriel wordt. Verwijst u in dit verband eens naar Rom. 8 waar gesproken wordt van een „reikhalzend verlangen”. Alleen zij, die een band hebben aan de Here, kunnen en mogen zo naar de toekomst zien. De vraag klemt: kennen wij de band aan de Here of heeft deze wereld ons geheel (zie 1 Kor. 7 : 31).

U kunt ook wijzen op de verzoeking die er in de afwezigheid van de komende Christus ligt om Hem niet alle dagen voor ogen te hebben. De gemeente als geheel en ieder van ons persoonlijk bedreigt het gevaar, dat wij ons aanpassen aan het schema van deze wereld. Breng daarbij eens ter sprake wat — inhoudelijk — de „C” in ons leven betekent.

Wie in het heden vanuit de toekomst leeft, krijgt oog voor het „Gij geheel Anders”. De levensstijl wordt dan anders, de opvoeding wordt anders en ons oordeel over goed en kwaad wordt anders.

Het is natuurlijk niet de bedoeling, dat u op huisbezoek u verliest in de bespreking van wat nu „mag” en „niet mag”. Het gaat er veeleer om dat we wakende zijn. Wie waakt, is innerlijk bezig met datgene waarvoor hij waakt. In de bijbel blijkt, dat de Here onverwachts komt. Dat moet manen tot voorzichtigheid. De Here wil ons wakende vinden, klaar voor de ontmoeting. Van hieruit is er, dunkt mij, gelegenheid met de jongeren te spreken over de vraag, of zij overal waar zij gaan of staan, dat „waken” wel kennen. Er zijn plaatsen, waar je die wakende levenshouding geweld aan moet doen. Een christen moet daar niet (willen) komen. Dat is verraad aan zijn komende Meester.

Daarom moet er ook trouw zijn, vs 42. Trouw veronderstelt continuïteit van de relatie. Trouw betekent, dat men zich onder alle omstandigheden verbonden voelt aan de komende Here.

Nu wil dat nog al wat zeggen: alle omstandigheden. U kunt dit op bezoek toespitsen op de specifieke situatie van het gezin of de persoon waaraan en aan wie u een bezoek brengt. De Here vraagt ten alle tijde Trouw.

Trouw is de door de Here zelf gewerkte binding aan Hem, zij het met handhaving van onze verantwoordelijkheid. Deze trouw wordt ook beloond en in de vs. 37 en 42 leest u daar iets van. In dit verband is er dan ook een goede gelegenheid te spreken over het woord „zalig”, dat in vs 37, 38 en 43 voorkomt.

In het N.T. is dit een geweldig woord. Het is de samenvatting van de vreugde over al het heil, dat de christen mag genieten door het deel hebben aan het Rijk van God (zie doopsformulier: erfgenamen van het Rijk van God).

„Zalig” is een woord vol toekomstmuziek. Het is ook een lokwoord, een blij vooruitzicht. U kunt hierbij vragen of men iets van die vreugde kent.

Vooral mensen die moeite hebben met de toeëigening van het geloof, kunt u trachten van hieruit te bereiken,. „Zalig” is een belofte-woord en als zodanig voedsel voor het geloof, dat immers leeft van Gods beloften? Ook de volharding der heiligen kan in dit verband ter sprake komen (Zie D.L. hoofdstuk V). Tijdens de afwezigheid van de Heer moeten de slaven volhouden met het verwachten. Vaak zal men klagen op huisbezoek dat het zo moeilijk is om vol te houden. Trouwens, gaat ons aller geloofsleven niet op en neer? Met het oog daarop is het dan ook van belang, dat ons leven in het teken staat van „toebereidselen maken”. Dat geeft een werkend wachten en een wachtend werken. In die weg zal men aan Gods tafel worden bediend. Dat wordt men hier al in principe. Het H.A. is het sacrament, dat ons oog wil openen voor het grote heil dat komt en dat vaak in de H.S. onder het beeld van een maaltijd wordt voorgesteld.

Er is echter ook een keerzijde aan het „zalig”. Die mag niet verzwegen worden. Gemis aan waakzaamheid en aan vanuit de toekomst gestempelde werkzaamheid wordt als schuld aangemerkt, vs. 46 en 47. Tegenover het heil staat het gericht. Ons natuurlijk hart wil daar liever niet aan. Bovendien zijn schuld en straf woorden, die in het woordenboek van vandaag niet voorkomen. Dat betekent echter niet dat ze verzwegen mogen worden. Tegenover zalig staat nog altijd rampzalig.

Wel blijkt er variatie te zijn in de straf, vs 47 en 48. M.i. staat dat in verband met de ontvangen inzichten in de wil van de Here. Het is echter geen verzwakking van het gericht, nog minder biedt het ruimte voor de gedachte aan een z.g.n. alverzoe-ning. Wij kunnen er niet onderuit op huisbezoek de ernst van deze dingen te noemen. Bij gemis aan waakzaamheid staat het licht op rood!

Laat echter het spreken over het gericht zo zijn, dat de broeders en zusters iets merken van de pastorale bewogenheid, zoals dat b.v. in Jer. 13 : 15–17 merkbaar is. De verkondiging van het oordeel staat in de H.S. in dienst van de nodiging tot het heil.

Laat ook vooral uitkomen, dat het verwachten van de Here geen luxe is bij het geloof, maar essentieel is voor het geloofsleven. Zonder verwachting leven is verloochening van het door Christus verworven heil. Het is ook ondankbaar. Deze ondankbaarheid moet duur betaald worden. Want er is dan geen andere toekomst dan de „vele slagen”, vs 47. Vgl. ook de sterke verwantschap van dit gedeelte met Matth. 25 : 1-10.

U dient tenslotte het „wien veel gegeven is” uit vs 48 concreet te maken. B.v. door te wijzen op de veelvuldige verkondiging en de pastorale begeleiding. Zegt de Here niet d.m.v. Jesaja: „Wat is er meer aan mijn wijngaard te doen, dat Ik niet gedaan heb?”, Jes. 5 : 4.

De Here is het waard dat wij waken. Hij heeft er ook recht op en . . . er ligt een stage vreugde in.

Nog een enkele aanwijzing:

1) Het bovenstaande is niet bedoeld oro van het huisbezoek een bijbelstudie te maken, maar om de inhoud van uw gesprek wat te structureren.

2) Het gaat in het huisbezoek niet alleen om wat u aan de orde wilt stellen, er dient ook gevraagd te worden of men behoefte heeft over iets te spreken, waarmee men zit.

Laat altijd doorklinken dat er vreugde is als een zondaar zich bekeert en dat er droefheid is, als men zich verhardt.

4) Als er reden voor is, geeft dan een bezocht gezin of broeder of zuster nadien enige tijd een plaats in uw persoonlijke voorbede.

5) Vergeet nimmer, dat u slechts gezondene bent van de grote Opperherder. Aan Hem mogen aardse herdertjes zich met het oog op het te brengen huisbezoek, toevertrouwen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.