+ Meer informatie

De oplegging der handen

12 minuten leestijd

Bij de bepalingen van onze Kerkorde die over de toelating tot het ambt van dienaar des Woords handelen, wordt ook gesproken over de kerkelijke ceremonie van de z.g. handoplegging, of beter uitgedrukt de oplegging der handen. Deze plechtigheid is een onderdeel van de toelating. De roeping,het examen, de toestemming van de gemeente en de openbare bevestiging vormen de vier momenten in de admissie der dienaren. Van die vier momenten is de openbare bevestiging er een. En van de openbare bevestiging wordt dan nog weer gezegd dat zij bestaat uit de bediening van het Woord, de lezing van het formulier en de oplegging der handen.

Voor het gemak neem ik hier deze Vierde alinea uit art. 4 der Kerkorde over: voor hen die het ambt nog niet hebben bekleed wordt vereist: ”Ten Vierde: de openlijke bevestiging die plaats heeft in de dienst des Woords met gebruikmaking van het daartoe opgestelde formulier en met oplegging der handen door de dienaar die de bevestiging verricht, aan welke handeling ook kan worden deelgenomen door andere predikanten die bij de bevestiging tegenwoordig zijn”.

Het is de moeite waard om hiernaast te lezen de tekst van de Kerkorde van Dordrecht, waarop ook onze Kerkorde teruggaat: ”Ten laatsten, in de opentlyke bevestiginge voor de Gemeente, dewelke met behoorlijke stipulatie en afvraginge vermaningen, Gebedt en oplegginge der handen van den Dienaar die de bevestinge doet (ofte eenige anderen, daar meer Dienaren zyn) toegaan sal, naar het Formulier daar van zynde. Wel verstaande, dat de oplegginge der handen sal mogen gedaan worden in de Classicale vergaderinge aan den nieuwe gepromoveerde Dienaar, die gesonden wordt in de Kerke onder ’t Kruyse”. In deze laatste formulering wordt de nadruk gelegd op hetgeen voor de bevestiging van wezenlijke betekenis is: de behoorlijke stipulatie en afvraging, d.w.z. op duidelijke wijze moet in het openbaar worden overeengekomen onder welke bepalingen, of onder welk beding de kandidaat aan de gemeente en de gemeente aan de kandidaat verbanden wordt. Indien men hier het woord contract zou gebruiken, zou dit te veel herinneren aan een sfeer die we in de kerken niet kennen. Maar wel is er sprake van een openlijke, plechtige en duidelijke overeenkomst tussen de te bevestigen broeder en de gemeente. Deze ligt niet alleen in de beroepsbrief schriftehjk vast, maar wordt ook onder vele getuigen gewettigd als een kerk-rechtelljke handeling met kerkelijke rechtsgeldigheid. Daarbij komt de vermaning d.w.z. in een onderwijzende en vertroostende bediening van het Woord zal in het bijzonder gewezen worden op de betekenis van het ambt. Deze Woordbediening is bediening der belofte Gods, waarin gezegd wordt dat Hij die roept ook getrouw is en het ook doen zal. In nauwe aansluiting daaraan volgt dan het gebed: de voorbede, die geschiedt krachtens de voorafgaande gepredikte belofte. In dit gebed om de hulp en bijstand van de Heilige Geest zoekt de gemeente haar grond in de belovende God zelf die roept, die getrouw is, en die het ook doen zal. Hierna volgt dan de oplegging der handen door de dienaar die de bevestiging doet, en wanneer er meer dienaren ter plaatse zijn, kunnen deze aan de oplegging der handen deelnemen.

Binnen de ruimte van dit artikel kunnen niet alle kwesties die zich hier voordoen, besproken worden. Met name moeten blijven rusten de vragen met betrekking tot de oplegging der handen in het Oude en Nieuwe Testament en ook de ontwikkeling van dit gebruik in de oude kerk, in de roomse kerk en in het oecumenische gesprek van vandaag. Het is zonder meer duidelijk, dat we te maken hebben met een belangrijk en interessant aspect van de theologie en van het kerkrecht. Hier dienen we ons te beperken tot enkele opmerkingen.

De eerste opmerking is dat alle reformatoren hebben afgewezen de gedachte dat de oplegging der handen een schakel zou zijn in de apostolische successie zoals de roomse kerk die opvat. Door de oplegging der handen die in de roomse kerk beschouwd wordt als een sacrament of ook wel als het eigenlijk belangrijkste sacrament, ontvangt de geördineerde priester een onverliesbaar kenmerk, dat hem in de ziel wordt ingedrukt. Hij ontvangt daardoor de ”potestas ordinis”, de ambtelijke macht om vooral in het sacrament van het altaar Christus naar zijn vlees en bloed te re-presenteren. Zó beschouwd hangt heel de roomse opvatting van de betekenis der sacramenten, van de kracht der genade, áf van deze oplegging der handen. Het is duidelijk dat wij deze opvatting restloos afwijzen. De kerk is niet meer verdeeld in geestelijken en leken. En de bevestiging in het ambt is geen mededeling van een bijzondere ambtelijke genade, waardoor een dienaar met meer kracht, met meer effect zou kunnen optreden dan een leek die het Woord Gods spreekt. Evenwel lijkt het soms alsof deze roomse gedachte van een onverliesbaar karakter dat in de ziel ingedrukt wordt, ook onder ons nog niet geheel is uitgebannen.

De tweede opmerking die hier gemaakt wordt is, dat de reformatoren zelf zich vrij terughoudend hebben opgesteld wanneer het gaat om de oplegging der handen. Martin Bucer is op dit punt het uitvoerigst geweest. In verschillende traktaten en geschriften heeft hij zich over de kwestie uitgelaten. En zo veel is wel duidelijk, dat voor hem de roomse sacramentsopvatting geen enkele ruimte meer krijgt. Spreekt hij in het begin over de oplegging der handen, die dan plaats heeft bij de openbare belijdenis, bij het huwelijk en bij de openbare bevestiging van ambtsdragers, als over een kerkelijke ceremonie, in later jaren heeft hij voorzichtig als van een sacrament gesproken, maar dan altijd zo dat hier geen sacrament is in de roomse zin van het woord, en vooral zo dat hij, als hij die oplegging der handen een sacrament noemt, niet eist dat ieder het met hem eens zal zijn op dit punt. Het is voor hem geen zaak die tot het wezen behoort. Vragen we naar de zin die deze sacramentele nandeling bij Bucer heeft, dan zijn er drie momenten aan te wijzen. Het eerste is dat zij dient om in het, openbaar te deputeren tot een kerkelijke dienst. In de tweede plaats dient de oplegging der handen om tot uitdrukking te brengen dat de dienaar die zó bevestigd wordt, bereid is’ om zich als een offer geheel aan de dienst des Heren te wijden. En in de derde plaats wordt zo uitdrukking gegeven aan de vastheid van Gods belofte van de Heilige Geest die de dienaar in zijn gehele ambtsbediening wil leiden en bekwamen. Zó gezien is de kerkelijke of sacramentele ceremonie zinvol.

Verder is het bekend, dat Calvijn zich bij Bucer heeft aangesloten op dit punt. Interessant is het om te weten dat Calvijn, toen hij na zijn verbanning uit Genève dacht aan de terugkeer naar de stad, hij daarvoor verschillende voorwaarden heeft gesteld. Onder de veertien punten die hij noemt, vinden we ook als tiende aangegeven: dat bij de roeping van de dienaren de wettige orde in acht zal worden genomen, omdat niet op de oplegging der handen die behoort tot de bevoegdheid der dienaren, door de macht van de overheid zal worden opgeheven. Blijkbaar speelt bij Calvijn de gedachte mee dat de oplegging der handen een uitdrukking is van het feit dat de dienaren der gemeente niet als overheidsdienaren zijn te beschouwen. Het gaat hem in de kwestie voornamelijk om de bevoegdheid van de kerk om haar eigen dienaren te ordenen. Het zou te ver voeren, wanneer we hier verder ingingen op het standpunt van Calvijn. Ik wijs er nu slechts op, dat hij in zijn ontwerp van de kerkorde wel spreekt over de oplegging der handen, maar dat in de eigenlijke kerkorde, zoals die met medewerking van de overheid in Genève tot stand kwam er geen sprake van is. Het argument, zeer plausibel overigens, was dat de tijden zich er niet toe leenden omdat er zo veel bijgelovigheid was onder de mensen. En zo is het in de gereformeerde traditie ook wel gebleven. De kerk in Nederland heeft zich van meetaf nogal aarzelend over de oplegging der handen uitgelaten. Het convent van Wezel (1568) laat de kwestie over aan de vrijheid der kerken. De synode van Emden (1571) schrijft de handoplegging voor ”doch sonder superstitie ende nootsae-ckelijckheyd”.

De Dordtse synode (1574) besluit om de handeling na te laten, omdat zij in de ’jongheid der kerk’ tot bijgeloof en bespotting zou kunnen leiden. Rotterdam (1575) besluit om ’in deze tijd’ de oplegging der handen niet te gebruiken. In 1578 zegt de synode van Dordrecht dat de bevestiging zal plaats hebben met oplegging der handen, waar het met stichting geschieden kan, of anders met het geven van de rechterhand der gemeenschap. Zo blijft het doorgaan. Er bestaat grote aarzeüng op dit punt en altijd weer vreest men bijgeloof. In Friesland heeft het zodoende tot in de 17e eeuw geduurd voordat men er toe overging bij de bevestiging gebruik te maken van deze plechtige handeling. De oudste Nederlandse druk van de Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft in art.31 wél de oplegging der handen genoemd, maar in de later officieel vastgestelde tekst van de Geloofsbelijdenis is dit weggelaten. De Nederlandse kerken stonden hierin niet alleen; Ook de Schotse gereformeerde kerken hebben onder leiding van John Knox zich zeer terughoudend opgesteld. In de Schotse kerkorde van 1560 (Book of Discipline) wordt de oplegging der handen zelfs uitdrukkelijk afgewezen: ”Een andere ceremonie dan de publieke approbatie van het volk en de verklaring van de hoofd-dienaar (chiefe minister), dat de persoon die gepresenteerd wordt is aangewezen om die kerk te dienen, kunnen we niet toestemmen”.

Wanneer we nu tegen de achtergrond van deze kerkordelijke traditie het artikel van de synode van Dordrecht lezen en zo ook trachten de oplegging der handen in onze Kerkorde te verklaren, dan zullen we ook vandaag moeten zeggen, dat we zeer bedacht dienen te zijn op superstitie of bijgelovigheid. Onze kerken stellen bij de doop van een kind in het midden van de gemeente de kwestie van gewoonte en bijgelovigheid uitdrukkelijk aan de orde voordat de vragen aan de ouders gesteld worden. Onze in vele opzichten a-religieuze tijd brengt dit gevaar met zich mee ook met betrekking tot een zo weinig duidelijke handeling als de oplegging der handen. Hier is grote terughoudendheid op zijn plaats.

Wellicht is het goed om in het onderwijs uit Gods Woord, dat in de bevestigingsdienst plaats heeft, de zin van de handeling te verklaren. Men kan daarbij argumenten vinden bij Bucer, zoals ik boven aanduidde. Maar het zal vooral zaak zijn hierbij elke vorm van roomse zuurdesem uit te bannen. De dienaar wordt niet in een aparte stand, in een hogere staat van geestelijkheid opgenomen. Maar hij ontvangt last en macht om een gemeente te dienen en hij verplicht zich onder handslag of onder oplegging der handen om zich bij de vervulling van zijn taak volkomen in te zetten en bereid te zijn zichzelf te offeren in de dienst des Heren.

De bevestiging is een zaak tussen een gemeente en haar dienaar. Zij worden aan elkaar verbonden. Het is niet een zaak van de kandidaat alleen. De roomse kerk kent de ordinatio vooral ook in het persoonlijke vlak van de ordinandus. Het is dé dag uit zijn leven. De gemeente ontbreekt daarbij. Wel is de familie present. Hoezeer we het belang van de bevestiging van de kandidaat ook waarderen als een zeer persoonlijke en onvergetelijke gebeurtenis voor hem en voor zijn familie, het gaat toch om de gemeente wier dienaar hij wordt. Daarom ware ook een bevestiging op een gewone zondag in de morgendienst en een intrede in de zondagnamiddag te prefereren boven een samenkomst in de week.

Het gaat om de gemeente die op zondag samenkomt. Indien de verplaatsing van een dienst van de zondag naar een doorde-weekse-dag nadelen zou betekenen voor de gemeente, zou men beslist voor de zondag moeten kiezen.

De vraag wie aan de handoplegging zullen deelnemen, is tegen de achtergrond van de gehele traditie niet zo moeilijk. Voor sommigen is dit moment het eigenlijke van de bevestiging. Maar dat is tegen over de traditie niet te bewijzen. Het is een oordeel dat niet alle accent moet hebben. De plechtige openlijke verbintenis, waarin een kandidaat voor Gods aangezicht ja zegt tegenover een gemeente (ik spreek nu niet over de enige mogelijkheid voor de mens om op zulk een ogenblik ja te zeggen), is het belangrijkste. Daarom mag de handoplegging ook niet overgeaccentueerd worden. Zij dient sober te zijn. En zij dient te geschieden door de dienaar die de bevestiging doet, zoals de Dordtse synode voorschreef.

Wanneer er op een plaats meerdere dienaren aan de gemeente verbonden zijn, kunnen zij ook aan de oplegging der handen deelnemen. Wie tegen deze achtergrond onze eigen Kerkorde naleest zal de zin voor soberheid terugvinden in de woorden: aan welke handeling ook kan worden deelgenomen door andere predikanten die bij de bevestiging tegenwoordig zijn. Er kàn worden deelgenomen.

Er staat niet: er moet of er zal worden deelgenomen. Natuurlijk is er principieel geen enkele bezwaar aan te voeren tegen deelnemen van alle predikanten, die maar zouden willen komen. Maar het ligt niet in de lijn van de kerkorde. En wanneer men ook maar zou vermoeden, dat zulk een massale handoplegging bij de gemeente de gedachte zou voeden: nu wordt hij, onze predikant, opgenomen in de kring van hogere ambtsdragers, dan zou men onmiddellijk met dit gebruik dienen te breken. Als men er iets van een gewoonte in zou zien evenzeer. En als het ook maar riekte naar bijgelovigheid radicaal. Soberheid is op zijn plaats in dit geheel. Ambtelijk denken vereist het.

Is dit anders dan kerkelijk denken? Een bevestiging van een kandidaat in onze Christelijke Gereformeerde Kerken is een zaak van een in die kerken wettig geroepen predikant. Handoplegging is geen vriendendienst, geen broederdienst, geen gemoedelijke vriendelijkheid ten overstaan van een ontroerde gemeente. Het is onderstreping van een verbintenis tussen een dienaar en een bepaalde kerk. Laat men daarom deze gelegenheid niet aangrijpen om binnen-, buiten-, of boven-kerkelijk oecumenisch te zijn. Het werkt verduisterend, vooral op zulk een moment dat om duidelijkheid vraagt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.