+ Meer informatie

FEESTDAGEN

6 minuten leestijd

De dagen, waarop de geboorte van Christus overdacht worden, zijn voor kerk en wer ld de feestdagen bij uitnemendheid. Nog meer dan bij de herdenking van de andere heilsfeiten horen we juist nu van feestdagen spreken. Sprekende advertenties in de kranten bieden een keur van geschenken aan „voor de feestdagen”. En zelfs zij, die geheel vervreemd zijn van Gods Woord, wensen elkaar „goede feestdagen” toe.

We merken hier twee dingen op. Enerzijds wil de wereld het feest van het Kind van Bethlehem meevieren. Anderzijds wil de kerkmens het feest met de wereld meevieren.

Met dit laatste bedoelen we, dat deze feestdagen voor zoveel kerkmensen gevuld zijn, niet met het wezenlijke, waarom het op dit feest gaat, maar met de genoegens, waar de wereld zich aan vergaapt. En vooral hieraan willen we aandacht geven.

Het Evangelie van de geboorte mag niet gemist worden. De kerkgang, althans op de eerste Kerstdag ’s morgens, mag niet voorbij gaan. De liederen, die zingen van dit grote wonder, mogen niet ontbreken. Maar verder blijkt dit maar een laagje vernis te zijn om deze dagen een godsdienstig tintje te geven. Immers, voor de rest wordt de dag doorgebracht onder het licht van de kerstboom, geeft men elkaar geschenken, eet en drinkt overvloedig en blijkt met dit al niets verstaan te zijn van de boodschap van de geboren Zaligmaker.

Is het zo vreemd, dat in de tijd van de Reformatie en daarna sommigen sterk tegen het houden, ook van deze feestdagen, gekant waren? De praktijk ook van vandaag doet het wel enigszins begrijpen. Daarom is het niet zonder nut om even naar de bezwaren van die tijd te luisteren. Zonder voor afschaffing van de feestdagen te pleiten, valt er toch uit te leren.

Nu is het niet zo, dat in de tijd van de Reformatie enkel de wereldse losbandigheid, waarmee ook toen de Kerstdagen gevierd werden, het bezwaar was. Er waren ook nog andere bezwaren. In de eerste plaats zag men de feestdagen als een menselijke instelling, die door de kerk van Rome was ingevoerd. En in de tweede plaats vreesde men, dat de zondag door deze bijzondere dagen verdrongen zou worden. Echter, deze beide bezwaren zijn toch niet geheel los te denken van de wijze, waarop deze dagen gevierd worden. In de kring van het gewone volk maakte men van de feestdagen, die door de kerk waren ingezet, een gretig gebruik om het vlees uit te leven.

Luther hield nog het meest aan de feestdagen vast. Hij had wel bezwaren tegen de roomse achtergrond en wijze van vieren, en heeft in dit verband eens gezegd: een christen zou op één en dezelfde dag alle kerkelijke feesten tegelijk kunnen vieren in de geest. Echter, hij zag in de telkens terugkerende feestdagen de mogelijkheid voor meer eenheid en verscheidenheid in de prediking.

In Genève ging men verder. Daar werden bovengenoemde bezwaren ernstig genomen en in de praktijk werd de viering van de feestdagen zoveel mogelijk teruggedrongen. Bekend zal het zijn, dat Calvijn op 25 december 1555 preekte over Deuteronomium 21, een gedeelte van de huwelijkswet. Dit gebeurde in een avonddienst, die Calvijn gewoon was telkens te houden. ’s Zondags tevoren had hij echter het Kerstevangelie gepreekt. Reeds voor de komst van Calvijn had de krachtige strijder voor de reformatorische beginselen, Willem Farel, geijverd voor de afschaffing der feestdagen. Ook John Knox in Schotland was tegen de feestdagen gekant.

In ons land besloot dan ook de synode van Dordrecht (van 1574 j, dat men met de zondag alleen tevreden zou zijn. De gewone stof van de geboorte van Christus moest men ’s zondags vóór de Kerstdag behandelen. Het volk werd van de feestdagen afgemaand. Te groot was echter onder het gewone volk de kracht van de gewoonte. Men wilde aan de feestdagen vasthouden. Daarbij: de dagen wél gehouden en geen dienst in de kerk bracht het tegenovergestelde van wat onze vaderen zochten. De ledigheid gaf gelegenheid tot vleselijke uitspattingen. Eén en ander deed uiteindelijk de bekende Dordtse synode (1618–16 9) de viering van de feestdagen weer in zoverre herstellen, dat de twee Kerstdagen opnieuw kerkelijk gehouden werden.

In de tijd na deze Dordtse synode horen we nog telkens van bezwaren. Jacobus Koelman preekte in Sluis, waar hij predikant was, op de tweede Kerstdag 1672 over Galaten 4: 4–11. In die lange tekst gaat het over de komst van Gods Zoon in de volheid des tijds, maar ook over het onderhouden van dagen, maanden, tijden en jaren. Het laatste bood overvloedig stof om te getuigen tegen het schadelijke en onbijbelse van het onderhouden van de feestdagen.

Jodocus van Lodensteijn dacht er al niet anders over. Hij zag vooral de vormelijkheid van het geesteloze naamchristendom in het onderhouden van hoogtijden. Van hem is de uitspraak: „een feestchristen is geen recht christen”, in zijn eerste gemeente, Zoetermeer, viel de tweede Kerstdag in het laatste jaar van zijn bediening daar op zondag. Van Lodenstein wist de kerkeraad te bewegen die dag Heilig Avondmaal te houden en tevens kreeg hij toestemming om een andere tekst te nemen dan gebruikelijk op de feestdag.

In de Kerstpreken, die hij toch gehouden heeft en later van hem uitgegeven zijn, horen we hem telkens op zijn bezwaren terugkomen. Van Lodenstein zoekt het feest houden binnen in het hart. Het feest van de ondoorgrondelijke liefde Gods, dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft, kan „menook wel op andere dagen houden, al was het op een eiland of in de zee”.

We zullen er goed aan doen de bedoeling van de bezwaren van de vaderen niet voorbij te gaan. t Zal een klein getal zijn, dat er voor is om de feestdagen af te schaffen, ’t Zou ook niet juist zijn, naar mijn gevoelen. ’t is nodig, dat de heilsfeiten gepredikt worden, telkens weer opnieuw. Daarvoor hebben ze te grote betekenis voor de kerk des Heeren. En zeker in onze tijd, waarin de kritiek op de waarheid van de heilsfeiten heus niet tot het verlden behoort.

Zeker is het waar, dat de persoonlijke doorleving van de vruchten van de heilsfeiten door Gods kinderen niet gebonden is aan een kalenderdatum.

Gelukkig niet. Het kan Kerstfeest in het hart zijn op een heel andere tijd. Maar toch gebruikt de Heere het gepredikte Woord en het is goed, dat telkens door dat Woord de komst van Christus en Zijn werk aan de orde wordt gesteld. Wij zijn immers niet zo geneigd om dat te doen en Gods kinderen zijn daarin ook zwak naar het vlees.

Laat dan echter de geestelijke viering van het feest van Christus’ geboorte gezocht worden. Arm zijn we als we het goed kunnen stellen buiten het wonder van de Kerstnacht. De komende feestdagen prediken, dat het heilsfeit gebeurd is, doch opdat we de beleving in eigen armoede door het geloof van het wonder Gods zouden zoeken. Dan gaat veel wijken, dat aan de buitenkant gezocht wordt en schenkt Gods Geest feest in het grootste Geschenk aan een verloren Adamskind.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.