+ Meer informatie

HEBBEN WIJ EIGENLIJK NOG AMBTSDRAGERS NODIG?

11 minuten leestijd

Achtergrond

Voor we proberen een antwoord op de vraag te formuleren, trachten we de vraag te begrijpen. Zij zal ongetwijfeld weergeven wat in het algemeen speelt in onze eigen tijd. Het is niet gemakkelijk om onze eigen tijd te analyseren. Eerst na verloop van veel jaren, soms een enkele eeuw, is de mensheid in staat om de geest of de sfeer van de eigen eeuw te verstaan.

Maar wat er ook onduidelijk is, wanneer het er om gaat de eigen dagen te karakteriseren, zoveel is wel duidelijk, dat de gebinten die de samenleving in stand plachten te houden, aan waarde en betekenis hebben verloren. In deze algemene devaluatie valt ook het kerkelijke ambt ten prooi aan afnemende waardering. Een ontbrekend inzicht in wat ooit geleid heeft tot een kerkelijke structuur zoals onder ons gangbaar was, bracht ook met zich mee, dat onze mensen niet meer weten hoe zij vandaag zich de dingen hebben voor te stellen. Invloeden vanuit de evangelische beweging, vanuit de charismatische hoek hebben dit gevoel versterkt. Wellicht moeten we hier mede een oorzaak zoeken van de moeiten die zich voordoen bij kandidaatstelling voor ambtsdragers in de gemeente. De vragen rondom het ambt in de kerk liggen voor ons, alsof er nog nooit goed over gedacht was. Het zal iets te maken hebben met het feit dat een geheel nieuwe generatie zich de dingen eigen moet maken, en dat zij er, gezien de ervaringen van het voorgeslacht, niet goed raad mee weet. Kortom, de vraag boven deze bijdrage weerspiegelt min of meer een verlegenheid, die hier en daar ernstige vormen aanneemt.

Bijbelse oriëntatie

Het is evenwel niet te ontkennen dat de zaken in de bijbel er anders voorstaan. Ook wanneer we toegeven, dat met name in het Nieuwe Testament, verschillende lijnen zijn waar te nemen, is er op een belangrijk punt volstrekte duidelijkheid. Dát er van een zekere ontwikkeling binnen de nieuwtestamentische gegevens sprake is, lijkt zonneklaar. Het evangelie spreekt over de kerk op een manier die laat zien, dat de structuur van de synagoge met haar ambtelijke inrichting, model heeft gestaan. De oudste van de synagoge keert in de gemeente op een bepaalde manier terug. Tegelijk zijn er andere lijnen aan te wijzen, die iets te maken hebben met de inrichting van maatschappelijke vormen in de griekse wereld. De brieven laten ons iets daarvan zien. En dan is er ook een zekere voortgaande ontwikkeling op te merken, zoals deze zich presenteert in de pastorale brieven.

We hebben met al die gegevens rekening te houden. Zij laten zich bij tijden op een verschillende manier interpreteren. Wellicht is het goed om op te merken dat met name de gereformeerde traditie het meest er in geslaagd is, om binnen de verscheidenheid en vele verschijningsvormen van het Nieuwe Testament die lijnen aan te wijzen en naar voren te halen, die nog het meest recht doen aan deze verscheidenheid.

Dit alles nu daargelaten: op één punt is er een onloochenbare eenheid van spreken in de Heilige Schrift. Men zou kunnen zeggen, dat in het licht daarvan de hierboven geformuleerde vraag niet vanzelfsprekend ook de eerste vraag is, die wij inzake het kerkelijke ambt mogen stellen. “Hebben wij eigenlijk nog ambtsdragers nodig?” In zekere zin kunnen we de kwestie van tafel vegen, of in ieder geval corrigeren. Blijkbaar heeft Christus, als Hoofd van de gemeente, het nodig geacht om in de gemeente ambten, diensten, functies, of hoe men de zaak ook verder zou willen aanduiden, in te stellen. Er zou terecht kritiek kunnen worden uitgebracht, wanneer ik zou formuleren dat Christus ambtsdragers nodig heeft. Hij kan ze best missen. Nu wij echter de overtuiging hebben dat Hij het nodig geacht heeft om aan de gemeente zulke diensten of ambten te geven, kunnen wij geen steekhoudend argument bedenken, om te zeggen dat wij ze wel kunnen missen.

Een kwestie van bijbeluitleg

Er kan geen misverstand over bestaan dat Christus aan zijn gemeente zulke ambten en diensten heeft gegeven. De klassieke tekst daarvoor is Efeze 4. Een eenvoudige lezing van het eerste gedeelte van dit hoofdstuk voert tot enkele gezichtspunten, die we altijd moeten vasthouden. Ik noem dit Schriftgedeelte, omdat het in onze eigen traditie sinds de Reformatie een beslissende rol heeft gespeeld.

Het gaat hier allereerst om de eenheid van de gemeente. De band van de vrede dient binnen het éne lichaam bewaard te worden. Wie over de ambten wil spreken, zal dit aspect van de eenheid moeten verdisconteren. Die eenheid is niet te zoeken in een hiërarchische structuur, zoals Rome die al eeuwen lang in stand heeft willen houden. Daar speelt het onderscheid tussen geestelijken en leken een beslissende rol. En zij wordt afgebeeld, en ook in stand gehouden in de leiding van paus en curie te Rome. Die vorm van statische eenheid wijst de Reformatie af. Ook strookt met de eenheid van de gemeente allerminst het optreden van de charismatische leider. De dwingende persoonsgebondenheid van deze vorm van eenheid garandeert geen werkelijke verbondenheid in de vrede waarvan Efeze 4 spreekt. Deze vorm van eenheid is al te labiel. Valt de leider weg, dan verdwijnt de gemeente zelf ook. De doperse geestesstroming laboreert aan deze kwaal, die ook onder ons niet geheel is genezen. De eenheid van de gemeente bestaat volgens Efeze 4 in de eenheid van de Geest, geobjectiveerd in roeping, doop en belijdenis.

In de tweede plaats: het ambt functioneert binnen de verscheidenheid der gemeente. De eenheid die wij nastreven heeft werkelijk niet zo veel van de bijbelse waardering van de verscheidenheid. Deze is gewoon, en natuurlijk, zoals in de schepping zelf blijkt. Zij is ook charismatisch, zoals blijkt uit het werk van de Geest. Onze eenheid van de gemeente dient gekenmerkt te worden door deze bijbelse karakteristiek van de menigerlei, veelkleurige genade van God. Uiterlijkheden spelen bij ons veelal een te grote rol. Daarop strandt een goede, degelijke, bijbelse ambtsopvatting. Er komt iets van een verkrampte toestand rond het ambt, waar de eenheid in verscheidenheid geen rol meer mag spelen. Het sectarische geeft dan de maat aan.

In de derde plaats: het ambt, als vrucht van de verhoging van Christus, is een gave aan de gemeente, het functioneert in de gemeente, en het staat in een “tegenover” ten opzichte van de gemeente. Apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars, en welke ambten en bedieningen er verder ook maar mogen zijn, functioneren als gaven aan het lichaam van Christus. Zij hebben een taak binnen de gemeente. En zij hebben krachtens hun opdracht vanwege Christus een roeping ten opzichte van de gemeente. Drie voorzetsels zijn het die de plaats van de ambtsdrager kenschetsen: aan, in en ten opzichte van. Elk van de drie hebben een eigen betekenis. Elk ervan onderstreept ook de onafscheidelijke relatie van ambt en gemeente op een eigen manier.

In de vierde plaats: Het ambt staat in dienst van de opbouw van het lichaam van Christus. Ook hier bepalen de voorzetsels de positie van de ambtsdrager. Opbouw is er slechts vanuit Christus. Groei betekent groei in Christus. Wasdom houdt ook in: groei naar Christus toe.

Ten slotte: het ambt in de gemeente, maakt zichzelf slechts dan overbodig, wanneer het lichaam van Christus zichzelf opbouwt in de liefde. Zo lang deze situatie nog voortduurt, hebben wij een ambt in de kerk nodig en zullen ook ambtsdragers in de gemeente van Christus nodig blijven.

Reformatorische beslissingen

De gereformeerde reformatie heeft inzake de visie op het ambt beslissingen genomen, die niet dan tot grote schade voor de gemeente ongedaan kunnen worden gemaakt. Rome heeft een knoop doorgehakt, door de leek in zekere zin op non-actief te stellen. De dopersen hebben eveneens een knoop doorgehakt, door juist aan de leek, met uitsluiting van een regulier ambt in de gemeente, alle gezag toe te kennen. De gereformeerden hebben zulke rigoreuze beslissingen niet genomen. Zij hebben de relatie tussen Christus en de gemeente, de Geest en de gemeente en ook het ambt en de gemeente willen vasthouden. Daarom staan hier de zaken altijd onder een zekere spanning. Het is die tussen de structuur en het gebeuren, tussen het door Christus ingestelde ambt en het priesterschap van alle gelovigen, tussen de volmacht van de gemeente en het gezag van de ambtsdrager. De spanning tussen deze componenten treffen we al in het Nieuwe Testament aan. Er was ook in het Oude Testament, vooral tegen het einde van de oude bedeling, een spanning tussen tempel en synagoge. De ballingschap heeft daarmee iets te maken. In het Nieuwe Testament is de gemeente niets anders dan een tempel van de Geest. De priester heeft zijn plaats moeten afstaan binnen de overgang naar het priesterschap van alle gelovigen. Intussen blééf de structuur van de synagoge bestaan. En zo nam de kerk in haar gang door de eeuwen een factor van spanningen over. leder gelovige is een priester. Niet iedere gelovige is iemand die bekleed is met het bijzondere ambt, dat Christus in en aan en “tegenover” de gemeente heeft gegeven. Maar deze spanning wordt in zekere zin opgeheven in en door het Woord. Er is geen offer meer nodig. Daarom is het priesterschap ook opgeheven als een bijzondere functie. De gemeente is geen sacramentsgemeente, in de absolute zin van het woord. Zij is woordgemeente en de Schriften zijn het, waardoor ambt en gemeente verbonden worden. Wie de bijzonderheid van het ambt niet meer weet te plaatsen in het Woord van God, als uitgelegd en toepasbaar Woord, heeft ook geen plaats meer voor een ambt in de gemeente. En wie de gemeente niet meer ziet als onderweg naar de volle mate van een man in Christus, tot de maat van de grootheid van de volheid van Christus, zal ook spoedig zeggen, dat wij geen ambtsdrager meer nodig hebben. Het is dus een vooruitgrijpen naar de grote toekomst van Christus, wanneer men het Woord-ambt in zijn meervoudige gestalte voor de gemeente in déze bedeling niet meer nodig zou achten. Nog eens: de Reformatie heeft in het Woord-ambt in zekere zin de spanning weten op te vangen. Het Woord op de kansel verbindt ambt en gemeente. Het Woord in de zakbijbel verleent toegang voor de ouderling in de gezinnen. En het Woord in alle arbeid werkzaam, geeft initiatief aan het ambt der barmhartigheid, in en buiten de gemeente van Christus.

Confessioneel denken

Wie in het licht van het bovenstaande nog eens de belijdenisgeschriften opslaat, die in onze kerken voor vast en bondig zijn te houden, zal spoedig ontdekken dat de ambtsdragers in dit belijdend spreken naar het Woord van God een roeping houden, zo lang Christus zijn geestelijke bestuurswijze (letterlijk: pneumatische politiek) blijft hanteren. De vraag is niet wat wij denken over de manier waarop de kerk gestructureerd zou moeten worden. Het is alarmerend te noemen wanneer men het oor te luisteren legt naar de inzichten die vandaag opgang maken. Men moet van psychologie, sociologie, en andere anthropologische wetenschappen geen kwaad spreken. Men overvraagt ze echter, wanneer men aan de inzichten die hier opgeld doen, primair de maatstaf zou willen ontlenen voor de kwesties van ambt en gemeente. Zo lang Christus niet is teruggekomen, zal de gemeente van Christus ambtsdragers behoeven. Eerst wanneer Hij het regiment zal overdragen aan God de Vader, wanneer God zal zijn alles en in allen, eerst dan zullen alle ambtsdragers terug treden. Christus zélf treedt terug. Hoe dan ook. Hij zal zijn ambt vervuld hebben. Dán en niet eerder treden ook de ambtsdragers terug. Wie tegen deze achtergrond de vraag boven ons artikel nog eens leest, zou eruit een verlangen kunnen beluisteren. Hebben we eigenlijk nog ambtsdragers nodig? Het zou een gebed kunnen worden om de wederkomst van Christus. Dit gebed zou de gehele gemeente dienen te bezielen. Het zou de arbeid in de gemeenten door de ambtsdragers kunnen stimuleren. Maar wie op deze manier een eschatologische toon zou mogen opvangen, zou met meer ernst en dankbaarheid tegelijk overwegen, met welk een groot goed de Here Jezus Christus zijn gemeente heeft gezegend, toen Hij mensen riep om Hem in zijn lichaam, dat is de gemeente, te dienen, als zijn knechten. Want wij dienen niet ons zelf. En wij prediken niet ons zelf, maar Jezus Christus, de Here, en onszelf dat wij uw dienaren zijn, om Jezus’ wil ( 2 Kor. 4: 5 ).

Prof. dr. W. van ‘t Spijker is emeritus-hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.