+ Meer informatie

Het missionair karakter van de gemeente*

15 minuten leestijd

Wanneer we spreken over het missionair karakter van de gemeente is vandaag allesbehalve duidelijk, wat we daarmee bedoelen. Wat is de missionaire taak die tot het wezen van de gemeente behoort? In het denken over die vraag zien we de laatste jaren een bepaalde ontwikkeling. Het zijn vooral drie lijnen waarin die ontwikkeling zich aftekent. De eerste lijn is de lijn van de verkondiging naar de presentie. Velen stellen, dat de kerk in het verleden te veel gezegd heeft. De kerk moet nodig zwijgen. In plaats van „zending” en van „evangelisatie” wil men dan ook spreken van „christelijke presentie”. Die laatste uitdrukking klinkt wat meer bescheiden. Het bestaan van de gemeente op zichzelf moet voldoende missionair werken en als het bestaan van de gemeente op zichzelf geen missionair getuigenis is, kunnen woorden daar toch niets aan verbeteren. Woorden hebben in het verleden meer kwaad dan goed gedaan, zodat we woorden beter kunnen laten rusten. Er is een algemene devaluatie van het woord. Een toespitsing daarvan zien we ook in het denken van velen over de missionaire taak van de gemeente.

We zullen het waarheidselement in deze gedachte hebben te onderkennen. Wie zal durven zeggen, dat de woorden die de kerk naar buiten sprak altijd in overeenstemming waren met het leven, zoals dat naar buiten bleek? Hoe vaak werden woorden niet krachteloos, omdat er geen waarachtig leven achter stond?

Het Nieuwe Testament laat er geen twijfel over, dat het missionair getuigenis van de gemeente gedragen moet worden door een geheiligd leven van de gemeente. Zij die buiten staan, zullen in de liefde, de blijdschap en de oprechtheid in de gemeente iets moeten zien van de betekenis van het evangelie en van de kracht van de Heilige Geest. Als dat ontbreekt, heeft de gemeente niets te zeggen tot hen die buiten zijn. Dan is namelijk de gemeente even „werelds” geworden als zij die „in de wereld” zijn. Aan de andere kant laat het Nieuwe Testament er ook geen twijfel over bestaan, dat we de verkondiging niet in de christelijke presentie kunnen laten opgaan. Het getuigenis met het woord blijft absoluut noodzakelijk. We zullen altijd bereid moeten zijn om rekenschap af te leggen van de hoop die in ons is, zoals Petrus zegt in 1 Petrus 3: 15.

Wanneer we de missionaire taak van de gemeente zouden willen beperken tot de christelijke presentie, maken we, dat de mensen wel de gemeente zien, maar niet Christus zien. Het woord moet erbij komen om naar Christus te verwijzen. Dat mag dus allereerst duidelijk zijn, dat de missionaire taak niet bij het woord van de verkondiging mag blijven staan, maar ook, dat die taak niet zonder het woord van de verkondiging vervuld kán worden.

De tweede lijn die zich vandaag aftekent in het denken van velen over de missionaire taak van de gemeente is de lijn van de kerk naar de wereld. Volgens velen gaat het God niet om de kerk, maar om de wereld. De beweging waar het God om gaat is dan ook niet de beweging van de wereld naar de kerk, maar van de kerk naar de wereld. Er is geen fundamenteel verschil tussen kerk en wereld. Niet alleen de kerk, maar ook de wereld deelt in het heil van God. Het enige verschil tussen de kerk en de wereld is, dat het in de kerk geweten wordt wat het betekent te delen in het heil van God, terwijl de wereld onbewust deelt in het heil van God. Er is geen aparte heilsgeschiedenis. De heilsgeschiedenis valt samen met de wereldgeschiedenis. De heilsgeschiedenis is niet de geschiedenis van wat God werkt in de kerk, maar de geschiedenis van wat God werkt in de ontwikkeling van de wereld.

In zekere zin kunnen we het inderdaad zeggen, dat het God niet om de kerk, maar om de wereld gaat. Na de voleinding zal er een nieuwe wereld zijn. Alles loopt uit op de nieuwe wereld. In ieder ander opzicht is evenwel de gedachte, dat het God niet om de kerk, maar om de wereld gaat, volkomen onaanvaardbaar. Het Nieuwe Testament laat ons duidelijk zien, dat er een fundamenteel verschil is tussen kerk en wereld. De wereld is de wereld die in het boze ligt, de wereld die tegen God ingaat en daarom onder het oordeel van God ligt. Wanneer het fundamentele verschil tussen kerk en wereld miskend wordt, kan de klem van de missonaire roeping niet meer gevoeld worden. We zullen ons tegen deze tendens in de moderne theologie met kracht hebben te verzetten om voor het missionair karakter van de gemeente, zoals het Nieuwe Testament daarover spreekt, oog te kunnen hebben. Een derde lijn die zich vandaag aftekent en die voor de missionaire roeping van de gemeente van directe betekenis is. is de lijn van de individuele zaligheid naar de universele sjaloom. Velen stellen, dat we ons hebben af te keren van de piëtistische interesse voor de enkele mens in zijn relatie tot God en dat het ons moet gaan om de sjaloom, dat wil zeggen een samenleving waarin alle verhoudingen goed zijn. De missionaire taak van de gemeente krijgt daarbij een volledig nieuwe inhoud. Die taak is dan niet meer primair om enkelingen op te roepen tot bekering, maar om de structuren van de samenleving om te vormen en mee te bouwen aan de toekomst van de vrede. Waar dat gebeurt is een mens - en is ook de kerk - missionair bezig.

Nu zullen we ook het waarheidselement, in deze gedachte niet mogen miskennen. De missionaire roeping van de gemeente wordt versmald, wanneer men meent, dat aan die roeping voldaan is, wanneer slechts zielen gered worden van de eeuwige dood. Dit neemt evenwel niet weg, dat het Nieuwe Testament ons duidelijk de nood van de enkele mens in zijn schuld voor God laat zien als de eigenlijke nood waarop de missionaire taak zich primair heeft te richten. Werden alle noden van iemand vervuld en zou iemand in een ideale samenleving verkeren, maar werd aan deze diepste nood voorbijgegaan, dan zou zo iemand toch nog niet echt, eeuwig geholpen zijn. We zullen er tegenover een tendens die we vandaag allerwege om ons heen zien aan moeten vasthouden, dat de missionaire taak van de gemeente allereerst gericht is op de mens die, als mens buiten God, een mens is die ligt onder het eeuwig oordeel van God.

We zien zich in de moderne theologie een ontwikkeling voltrekken waarbij het missionaire van de gemeente een volledig nieuwe inhoud heeft en waarbij ook het missionaire van de gemeente - althans zoals het Nieuwe Testament daarover spreekt - steeds meer in het gedrang komt. We zullen voor onze eigen gemeente ons het beeld voor ogen mogen houden van de gemeente in het Nieuwe Testament: Een gemeente die gekarakteriseerd werd door haar missionaire instelling; een gemeente die gered was om te redden, om het te zeggen met woorden die gangbaar zijn in de kringen van het Leger des Heils.

Juist wanneer we dat toestemmen, dat onze gemeente op de wijze van de nieuwtestamentische gemeente missionaire gemeente zal hebben te zijn, klemt de vraag, waarom onze gemeente dan maar zo weinig dat missionair karakter draagt. Ik wil proberen daar concreet enkele factoren voor aan te wijzen.

Een eerste factor waardoor we ons te weinig het missionair karakter van de gemeente bewust zijn is, dat we zo introvert op onszelf en op ons eigen heil gericht zijn. Als we het maar mogen weten, dat we zelf in het heil van de Here delen, is ons dat in de praktijk van ons leven vaak voldoende. De vraag waar Luther mee worstelde — „Hoe krijg ik een genadig God?” — is een legitieme vraag aan het begin van het geestelijk leven. Het is geen legitieme vraag meer, wanneer het in ons geestelijk leven bij die vraag blijft. Het is zeker geen legitieme vraag meer, wanneer de nadruk niet allereerst valt op het woord „genadig”, maar op het woord „ik”. Er kan ook een geestelijk egoïsme zijn. Daarbij voelen we tegelijk, dat we iets tegenstrijdigs zeggen. Egoïsme is nooit geestelijk. Het egoïsme in ons geestelijk leven ontdekt ons aan het twijfelachtig karakter van ons geestelijk leven. Wie het waarachtig geestelijk leven kent, kan dat niet voor zichzelf houden, maar wil ook anderen in dat leven doen delen. Toen Andreas Jezus gevonden had, kon hij niet nalaten ook zijn broer Petrus bij Jezus te brengen. „Hij leidde hem tot Jezus”, zo lezen we in Johannes 1: 42. De gelovigen die door de vervolgingen verstrooid werden, „trokken het land door, het evangelie verkondigende”, lezen we in Handelingen 8: 4. Het gebod, dat we de naaste zullen liefhebben als onszelf, geldt ook met betrekking tot de missionaire taak van de gemeente. Zoals we op ons eigen eeuwig heil gericht zijn, zouden we het ook moeten zijn op dat van de naaste.

Een tweede factor waardoor we ons het missionair karakter van de gemeente te weinig bewust zijn is, dat we vaak met te veel dingen bezig zijn die van ondergeschikte betekenis zijn. Ook in het kerkelijk leven kunnen zo veel dingen onze aandacht vragen, dat we aan de missionaire taak eenvoudig niet toekomen.

Het zijn stellig allemaal dingen die van betekenis zijn die onze aandacht opeisen. Toch kunnen we ons — terwijl we bezig zijn — wel eens afvragen, of de Here Jezus misschien ook niet van ons zou moeten zeggen wat Hij in een ander verband zei van Martha, dat ze bezig was met veel dingen, maar het ene nodige vergat. Wat geven we van onze tijd en van onze aandacht aan het eeuwig heil van de naasten om ons heen? We zullen ons bewust moeten zijn, dat we kunnen vluchten in allerlei activiteiten — ook van het kerkelijke leven — om onze missionaire roeping te ontlopen — bewust of onbewust.

Een derde factor die in dit verband genoemd moet worden is het ons neerleggen bij onderlinge verdeeldheid in de gemeente. Waar onderlinge twist en tweedracht zijn, voortkomend uit partijschappen — zoals ook het geval was in Paulus’ tijd in de gemeente van Korinthe — wordt afbreuk gedaan aan het missionair karakter van de gemeente. Een gemeente die naar haar aard missionair is, kan niet een gemeente zijn die zichzelf verbijt en vereet in twisten en tweedracht. De Here Jezus heeft bij het laatste avondmaal gezegd, dat de onderlinge liefde in de gemeente het meest opvallende voor buitenstaanders moet zijn. We zullen niet uit het oog mogen verliezen, dat wanneer de Here Jezus in het hogepriesterlijk gebed van Johannes 17 gebeden heeft voor de eenheid van al de zijnen, Hij daaraan de woorden toevoegt: „… opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt” (vers 21). Het missionair getuigenis moet gedragen worden door de eenheid van de gemeente. Als er in de gemeente een onderlinge verdeeldheid is die wij niet kunnen rechtvaardigen, maar wel laten bestaan, werkt dat verlammend met betrekking tot ons missionair getuigenis. Een vierde factor waar ik op zou willen wijzen is, dat we vaak zo weinig doordrongen zijn van de ernst van het oordeel van God. „Daar wij weten hoezeer de Here te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen”, zegt Paulus in 2 Korinthiërs 5: 11. Paulus’ missionaire bewogenheid is ook geworteld in de wetenschap hoezeer de Here te vrezen is. Ook al zit in het „vrezen van de Here”, zoals Paulus daarover spreekt in 2 Korinthiërs 5: 11, stellig het element van de oudtestamentische „vreze des Heren” — zodat we „vrees voor de Here” niet op één lijn mogen stellen met „bangheid voor de Here” — toch ligt in het woord dat Paulus hier gebruikt duidelijk de gedachte van de heilige huivering voor de Here als de rechtvaardige God. Paulus deinsde voor de gedachte aan het gericht van God in een heilige huivering terug. Dit was voor hem een stimulans om zijn missionaire taak te verrichten. Het is de vraag, of wij van de ernst van Gods gericht nog net zo doordrongen zijn als Paulus was. Of eigenlijk is dat geen vraag. Als dat zo was, zouden wij meer bewogen zijn over de mensen die onder het oordeel van God liggen. Als iemand in levensgevaar is en we kunnen er iets aan doen, doen we natuurlijk wat we kunnen. Als mensen om ons heen dreigen weg te zinken in de eeuwige dood en we kunnen er iets aan doen, maar we doen niets, is dat het duidelijkste bewijs, dat wij niet meer weten hoezeer de Here te vrezen is. Wij zijn aan fundamentele waarheden van de Schrift ontvallen, omdat we die waarheden nog wel belijden met onze mond, maar niet meer geloven met ons hart. Een gemeente die echt weet heeft van de schrik des Heren moet naar haar aard een missionaire gemeente zijn.

Daar is tegelijk een vijfde factor aan te verbinden. Wij zijn ook vaak zo weinig doordrongen van de liefde van Christus. Eveneens in 2 Korinthiërs 5 zegt Paulus, dat de liefde van Christus hem dringt in zijn missionaire prediking (vers 14). Herhaaldelijk lezen we in het evangelie, dat de Here Jezus bewogen was over de scharen. Zijn liefde tot de scharen drong Hern ertoe Zich telkens weer bezig te houden met de mensen en telkens weer te spreken tot de mensen. Paulus kan zeggen, dat hij iets van die liefde van Christus kent. Het is opmerkelijk, dat Paulus in 2 Korinthiërs 5: 14 niet zegt, dat hij door zijn liefde gedrongen wordt tot zijn missionaire werk, maar dat het de liefde van Christus is die hem daartoe dringt. Wie de liefde van Christus mag kennen, voelt zich niet allereerst door zijn eigen liefde, maar allereerst door de liefde van Christus gedrongen om de weg te gaan tot de ander. Als bij ons de missionare bewogenheid zo vaak ontbreekt, zou dat er dan niet op kunnen wijzen, dat wijzelf nog vaak maar zo weinig leven uit de liefde van Christus? Hoe rijker wij leven uit de liefde van Christus, hoe meer die liefde ook in ons gestalte zal krijgen tegen-over andere mensen om ons heen, niet in het minst in onze missionaire bewogenheid voor die andere mensen. Als de gemeente het lichaam van Christus is, hoe kan ze dan anders dan naar haar aard een missionaire gemeente zijn? Een laatste factor waardoor wij vaak zo weinig van het missionair karakter van de gemeente verstaan is, dat wij vaak zo weinig beseffen, dat wij leven in — wat het Nieuwe Testament noemt — „de laatste dagen”. We hebben wat de missionaire taak betreff, niet onbeperkt de tijd. Paulus wist al, dat de tijd „kort” is (1 Korinthiërs 7: 29). Letterlijk staat er eigenlijk, dat de tijd „samengedrongen”, „opeengeperst” is. Sinds de opstanding van Christus leven we in een tijd die een geweidige geladenheid heeft. Over onze tijd valt al de schaduw van het einde, van het eschaton. Daarom dient alles in de tijd sinds de opstanding van Christus in het teken van dat einde te staan en door dat einde bepaald te worden. Juist in de eschatologische geladenheid van de tijd waarin wij sinds de opstanding van Christus leven ligt een sterke stimulans tot de missionaire roeping. Omdat de gemeente eschatologische gemeente is — levend in het laatste der dagen — is de gemeente ook missionaire gemeente. De gemeente leeft niet alleen heen naar net einde. Ze leeft ook al vanuit het einde. Als dat einde zal betekenen, dat alle tong Jezus als Here zal belijden, hoe kan de gemeente dan anders doen dan nu reeds daartoe op te roepen door haar missionair getuigenis? Als wij vergeten, dat wij gemeente van de eindtijd zijn — eschatologische gemeente — zullen we ook geen oog hebben voor het feit, dat de gemeente naar haar aard missionaire gemeente is.

Als we proberen samen te vatten, worden we herinnerd aan het ontdekkende woord, dat we lezen in 2 Koningen 7: 9. Tijdens het beleg van Samaria door de Arameeërs waren langzaam maar zeker alle voedselvoorraden in Samaria uitgeput. Vier melaatse mannen die uitgehongerd waren besloten naar de Arameeërs te gaan om te zien, of die medelijden hadden en hun iets te eten zouden geven. Toen ze bij de legerplaats van de Arameeërs kwamen vonden ze daar niemand. Alle vijanden waren op een wonderlijke wijze verdwenen. Wel vonden ze een overvloed aan voedsel. Ze deden zich te goed aan wat ze maar konden vinden en toen wilden ze weer weggaan. Op dat moment bedachten ze zich ineens. Ze zeiden tegen elkaar — zo lezen we in 2 Koningen 7:9 — „Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde boodschap en wij houden ons stil”. Wanneer wij verstaan wat Paulus zegt in 2 Korinthiërs 6:2: „Zie, nú is het de tijd des welbehagen; zie, nu is het de dag des heils”, mogen wij ook wel tegen elkaar zeggen: „Wij doen niet goed; deze dag is een dag van blijde boodschap en wij houden ons stil”.

Op Ceylon schijnt het de gewoonte te zijn, dat iemand die vanuit het heidendom christen wil worden pas belijdenis doet en gedoopt wordt, wanneer hij ook een andere heiden tot Jezus heeft mogen leiden. Daar zit iets in, al zullen we er geen voorschrift van willen maken. Iets soortgelijks is in India aan de orde. In bepaalde kerken in India legt iemand die belijdenis van zijn geloof aflegt, zijn rechterhand op zijn voorhoofd, waarna hij voor in de kerk uitroept: „Wee mij, indien ik het evangelie niet verkondig !” Als de gemeente missionair van karakter is, behoort de missionaire bewogenheid ook karakteristiek tot ieder die van die gemeente een levend lidmaat is. We zullen ons hebben te realiseren, dat — als de gemeente missionair van karakter is — het één van tweeën is: Of de gemeente staat missionair getuigend en wervend in deze wereld, òf de gemeente verliest iets van het karakteristieke van haar gemeente-zijn en wordt meegezogen door de wereld. Met andere woorden: Het is één van tweeën: de gemeente is missionair òf demissionair.

*) Als lezing gehouden op enkele gemeente-avonden en conferenties voor ambtsdragers

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.