+ Meer informatie

HEEFT DE VERANDERENDE VERZORGINGSSTAAT GEVOLGEN VOOR HET DIACONAAT?

10 minuten leestijd

We leven in een tijd van economische teruggang. Dat is voor iedereen duidelijk. Veel mensen — ook binnen de christelijke gemeente — merken dit aan den lijve. Wie als ambtsdrager goed zijn oren en ogen open heeft, merkt veel op.

Zo kunnen we ook veel signalen opvangen over het diaconaat. Grofweg wordt dan gesteld, nu het o.a. financieel voor velen steeds moeilijker wordt, zou de betekenis van het diaconaat ook in dit opzicht wel eens toe kunnen nemen.

Laten we er nu eens van uitgaan dat het zo is. Kunnen we ons enige voorstelling maken hoe dat diaconaat er dan zou moeten uitzien?

Van mijn kant wil ik een poging ondernemen hierover een bijdrage te leveren. Het zijn niet meer dan wat eerste gedachten.

Tegelijk kunt u dit artikel wel als preventief beschouwen.

Zo gezien doet het diaconaat ook aan preventie. Dat lijkt me om tal van principiële en praktische redenen een goede zaak.

Laat u het een en ander echter niet afhangen van wat u hier en daar leest. Ik hoop dat mijn bijdrage u prikkelt tot verdere bestudering van allerlei zaken die verband houden met uw ambt en roeping.

Gezien het opschrift valt ons onderwerp uiteen in twee delen.

De verzorgingsstaat moet onder de loupe genomen worden met betrekking tot het diaconaat. Twee afzonderlijke zaken die op de één of andere manier met elkaar te maken hebben.

Wat verstaan we onder een verzorgingsstaat?

Misschien kunnen we om te beginnen aansluiten bij wat opmerkingen die gemaakt zijn toen de A.B.W. tot stand kwam.

Deze wet is met veel gejuich binnengehaald. Eindelijk waren we af van de vorige armenwetten, waarbij voorrang werd verleend aan het particulier initiatief. Vanaf heden, zo stelde men, heeft iedere burger recht op een menswaardig bestaan. Voedsel en kleding, onderkomen en onderwijs en nog veel meer, alles was nu geregeld. Naast allerlei andere sociale voorzieningen, werd de A.B.W. als een sluitstuk gezien.

Het was geen gunst meer, iedere burger kon nu spreken van rechten.

Het diaconaat van die tijd heeft hierop ook gereageerd. Door deze wetgeving werd het karakter van het diaconaat anders. Uiteraard moest men alert blijven op bepaalde materiële noden, dichtbij en verder weg, doch andere accenten van het diaconaat konden beter dan voorheen naar voren komen. We hebben ons o.a. meer toegelegd op zaken als „gemeente en gemeenschap”. Hoe kunnen we de onderlinge dienst bevorderen.

We waren ervan overtuigd: de tijd van de diaken, als de man van de geldzak, was definitief voorbij.

Ik ga nu voorbij aan wat prof. C. Veenhof hierover destijds heeft geschreven, al is het de moeite waard deze gegevens weer eens voor de dag te halen.

Waar hebben we dat „recht” op van alles nu aan te danken? Natuurlijk moeten we daar in de eerste plaats de hand van de Here in zien. Al die voorzieningen konden worden uitgewerkt ook mede door onze welvaart. Ik bedoel welvaart dan in de zin van: het ging ons allemaal financieel erg goed.

Kunnen we nu ook nog spreken van welvaart? Ik meen van wel. Zeker als we zien op tal van wereldburgers die elke dag moeten vechten voor hun minimaal bestaan.

Dr. Goudzwaard schreef echter in 1981 al in „Trouw”: „de welvaartsstaat is allang dood”. Wat bedoelde hij in dit artikel, dat geschreven werd in de serie „de toekomst onder ogen zien”?

Om te beginnen geeft hij aan, dat we in ons land al jaren boven onze stand leven. Ergens vermoeden we dit ook wel, maar „één van de realiteiten die we, bewust of onbewust pogen te verdringen, is die van de dood van de welvaartsstaat. Die wensen we niet en daarom werken we de ontbindingslucht liever weg met deodorant”.

Door de welvaartsstaat ontstonden nieuwe rechten zoals, welvaartsvaste uitkeringen, een recht op bijstand, op een welvaartsvast inkomen enz.

„Het aparte van al deze nieuwe rechten was, dat ze veel verder reikten dan de beschermingsrechten, zoals de oude rechtsstaat die kende”.

Bij dit streven heeft ons rechtsbestel zich aangepast. Goudzwaard waarschuwt ons er voor dat als dit recht wordt bestreden, dit bestel zichzelf voor het blok zet, en dan dreigt rebellie. Ons bestel is te veel gebouwd op illusies. „Bij de verdwijning van de welvaartsstaat zal de onredelijkheid van de mensen toenemen”.

Anders gezegd. In dit artikel wordt gewezen op de noodzaak van een andere mentaliteit, nu alles niet zo vast blijkt te staan als we wel dachten.

Zou hier een eerste diaconale taak liggen? Ook binnen de gemeente werken aan de bevordering van een andere mentaliteit? We kunnen er naar mijn mening niet omheen.

Zo langzamerhand kan het voor iedereen duidelijk zijn. Een bepaalde welvaart gaat verdwijnen, daarmee wankelt tevens de verzorgingsstaat.

Dat wankelen kan nog door andere gegevens worden aangetoond. Ik denk daarbij aan de volgende stelling:

„De verzorgingsstaat is niet meer dan de resultante van reële politiek-bureaucratische gebeurtenissen”. Dit gegeven is ontleend aan het boek „De stagnerende verzorgingsstaat”. Wat wil men hierbij nu stellen? Wel heel eenvoudig dat al onze wetten en regelingen politieke produkten zijn. Geboren uit een bepaalde ideologie en daarom verkocht als hoogst noodzakelijk, zonder dat men zich serieus afvroeg of dit allemaal wel kon. Men moest toch bij het volk in de gunst komen en daarom zo’n aantrekkelijk mogelijk programma bieden?

In bovengenoemd boek wordt onderbouwd hoe gevaarlijk deze uitgangspunten zijn. Tevens kom je dan tot de ontdekking, dat de politiek zich niet altijd afvraagt of hetgeen men aangeeft ook geëffectueerd kan worden.

Daarom is er veel meer sprake van een bepaalde willekeur. Met andere woorden, als het vandaag niet meer kan, wordt de zaak evengoed teruggedraaid, ondanks alle mooie wetten en regelingen.

Het oude spreekwoord gaat nog steeds op: „waar niet is, verliest de keizer zijn recht”. Wie de krant elke dag goed leest en deze dingen op zich laat inwerken, ziet het dan ook gebeuren.

Het feit dat de ingebouwde zekerheden, geen zekerheden blijken te zijn, maakt dat wij mensen onzeker worden. Dat is een zeer begrijpelijke zaak. ledereen stelt zich de vraag: waar gaan we naar toe?

Welnu, de overheid moet bepaalde zaken herzien. Bewezen is dat nu al bepaalde mensen, gezinnen, tussen wal en schip vallen en het daarom financieel moeilijk hebben. Dan moet er toch door anderen geholpen worden? Daarom ook wordt er opnieuw naar het diaconaat gekeken. Kunnen en moeten we met elkaar wat doen? Op welke manier dan?

Het diaconaat in een veranderende verzorgingsstaat

Laat ik bij de behandeling van dit onderdeel van ons onderwerp direct vaststellen, dat ons vele adviezen worden gegeven. Elk advies is gebaseerd op een (theologische) visie van wat diaconaat in onze tijd nu wel moet betekenen. Met andere woorden: het is oppassen geblazen. Ook op dit terrein komt het aan op het onderkennen van de geesten.

Daarom op deze punten een aanzet om er daarna verder mee aan het werk te gaan.

Mede met het oog op het karakter van ons onderwerp, wordt iets aangereikt vanuit de volgende stellingen:

a. Diaconaat moet in de eerste plaats gezien worden als een ambtelijke dienst binnen de gemeente van Jezus Christus. Deze dienst valt derhalve binnen de structuren van het koninkrijk van God, hetgeen wordt uitgewerkt in woord en daad. Is primair bedoeld voor de leden van de gemeente.

Het diaken-ambt is te onderscheiden van de andere ambten, doch niet te scheiden. De diaconale arbeid heeft dus ook te maken met de geestelijke belangen van de leden.

Alle diaconale dienst kenmerkt zich door het verkondigend karakter ervan. Speciaal moet daarbij worden gewezen op de sociale roeping die men heeft ten opzichte van de gemeenteleden en daarbuiten.

b. Diaconale arbeid is voorts missionair (wervend) van karakter.

Wat primair wordt verricht binnen de gemeente, zet zich voort binnen de totale samenleving.

De diaconale gezindheid is ook individueel van karakter — een geloofszaak -, waarna de leden van de gemeente te zamen en met anderen allerlei activiteiten ontplooien ter leniging van de nood die zich voordoet in de samenleving.

Elke tijd kent zijn eigen specifieke problemen. Was dit bijvoorbeeld rondom 1900 wezenzorg, nu zou gedacht kunnen worden aan opvang werklozen en bestrijding van verslaafden.

Als we op zo’n manier onze arbeid verrichten, sluiten wij direct aan bij wat de Bijbel ons daarover zegt. Tevens staan wij daarbij binnen de traditie van de Reformatie en het Reveil. Denk in dit verband maar aan figuren als Calvijn en Heldring.

c. Diaconale arbeid werkt toe naar een andere gezindheid binnen de gemeente en is er ter voorziening van noodsituaties.

Heeft geen directe taak naar allerlei sociale en politieke acties. Deze zaken kunnen niet behoren tot de taak van de kerk, vanwege het geheel eigen karakter van het koninkrijk Gods in deze wereld.

d. Diaconale hulpverlening is tevens pedagogisch van aard.

De hulpverlening komt tot stand vanuit bepaalde normen en waarden die zijn ontleend aan het Woord van God dat absoluut gezag heeft.

Dit betekent bijvoorbeeld dat diaconale participatie binnen stichtingen slechts kan plaatsvinden, indien de uitvoering voldoet aan de normen van Gods geboden. Wat hier van toepassing is voor het diaconaat, geldt ook voor de leden van de gemeente met betrekking tot hun hulpverlenende activiteiten, hetzij uitvoerend, hetzij bestuurlijk.

Ik heb over deze geformuleerde stellingen erg lang nagedacht. Hiermee meng ik mij in de discussie die binnen de kerken in ons land opgang is.

Naar mijn oordeel zijn deze stellingen tevens vertrekpunten. Op het moment dat wij ons als diaconie moeten gaan inzetten voor de nood van onze naaste, moeten deze zaken eerst aan de orde komen.

Derhalve nog een preventieve taak. Voorde uitvoering, eersteen grondige bezinning. Waarom? Omdat pas vanuit een bepaalde stellingname tot uitvoering kan worden overgegaan. Ik kan het ook anders formuleren. Bovengenoemde stellingen zijn niet bedoeld als theoretische grootheden. Ze bakenen de diaconale werkzaamheden binnen en buiten de gemeente op een bepaalde manier af.

Wanneer op andere (theologische) gronden stellingen worden geponeerd — en die zijn er veelvuldig zoals u kunt weten — dan wordt hulpverlening vanuit diaconale motieven geheel anders uitgevoerd.

Er zijn dus verschillen in motivatie èn daardoor in uitwerking. Soms is dit in de daadwerkelijke uitvoering moeilijk op te merken.

Je hoort dan wel eens: die mensen doen toch goed werk? Op zichzelf gesproken valt daar niets op af te dingen. Maar denkt u er goed om, we hebben het nu over de functie van het diaconaat!

Gelukkig behoef ik in dit verband niet alles te zeggen. In dit verband wil ik de broeders diakenen adviseren naast dit artikel — dat niet meer is dan een signaal — uw diaconaal handboek eens erbij te nemen.

Met name wil ik u dan wijzen op de artikelen van dr. Velema over „Bijbelse gegevens van het diaconaat”. Het artikel over „Diaconaat in discussie” sluit naar mijn oordeel helemaal aan bij de door mij geformuleerde stellingen.

Er is weer werk aan de winkel. Wat we in het verleden aan gemeente-diaconaat hebben opgebouwd moet blijven. Het is als het ware een basis voor de wellicht nieuwe taken die op ons wachten.

Nu krijgen we even de tijd om ons te bezinnen op wat mogelijk komt.

Daarna kunnen wij — met al de heiligen — ons inzetten voor de zaken die van ons worden verlangd.

Dat is: in woord en daad iets laten zien van de geweldige barmhartigheid van onze God. Veel zegen op uw werk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.