+ Meer informatie

De generale synode en de Gereformeerde Kerken: (VRIJGEMAAKT - BUITEN VERBAND)

9 minuten leestijd

Van 1962 tot 1974

1962 en 1974 waren voor ons synode jaren. Zowel op de generale synode van Haarlem-Santpoort als op die van Am sterdam vroegen de kerkelijke verhou dingen bijzonder veel aandacht. In 1962 liep het uit op een belangrijk besluit en in 1974 was dat weer het geval. Eerder ging het over onze verhouding tot de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt); nu speciaal over de relatie met de Ge reformeerde Kerken die nader aange duid worden als ”vrijgemaakt - buiten verband”.

De generale synode van 1962 was van oordeel

1. dat de Gereformeerde Kerken zich in alles willen stellen op de grondslag van Gods heilig Woord en de gerefor meerde belijdenis als daarop gegrond, en dat het daarom roeping is te staan naar eenheid;

2. dat er verschillen gebleken zijn met name ten aanzien van de toeëigening des heils en met betrekking tot de han tering van het gereformeerd belijden om trent de kerk;

3. dat er in de plaatselijke kerken over het algemeen te weinig toenadering tot elkaar te bespeuren is.

Zij besloot op grond van de schriftuur lijke roeping tot eenheid en in overeen stemming met de belijdenis van de ker ken en conform de Akte van Afschei ding haar deputaten op te dragen wegen te zoeken die tot wegneming van de ge constateerde verschillen kunnen leiden. Die uitspraak werd niet zomaar gedaan. Niet minder dan tien samensprekingen waren er direct aan voorafgegaan.

Al spoedig tekende zich echter een ont wikkeling af, die ter synode niet was voorzien. Onze kerken besloten in 1962 toe te treden tot de Gereformeerde Oe cumenische Synode. En deze stap, ge voegd bij de continuering van het lid maatschap van de Internationale Raad van Christelijke Kerken, was voor de generale synode van de Gereformeerde Kerken een reden om geen deputaten meer te benoemen voor het gesprek.

In een officieel schrijven werd in 1967 duidelijk gesteld, dat in dit oecumenis me, in casu het lidmaatschap van de I.C.C.C. en de G.O.S., een struikelblok lag op de weg naar eenheid met de Christelijke Gereformeerde Kerken. Er werd een dringend beroep op onze ker ken gedaan om zowel met de G.O.S. als met de I.C.C.C. te breken.

Hierop is geantwoord, dat ware of valse oecumenische gezindheid niet mag wor den afgemeten aan het lidmaatschap van de I.C.C.C. of van de G.O.S. Ook zouden wij willen terugkomen op de eer der geconstateerde verschillen.

De situatie veranderde na de op zich zelf zeer te betreuren scheuring, waar door een deel van de kerken en enkele tienduizenden leden buiten het kerkver band van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) kwamen te staan. Onze kerken kregen veel meer te maken met deze ”vrijgeraakte” kerken, dan met de kerken binnen verband.

Terwijl de laatste jaren op slechts en kele plaatsen een rechtstreeks contact met één van de kerken binnen verband bestond, waren er wel mogelijkheden om op kerkeraadsniveau de "buitenverban ders” te ontmoeten. In 1971 werd ons namens de kerken die buiten het ver band zijn geraakt van de kerken ”die de synode van Hoogeveen volgen”, meege deeld dat deze kerken in broederlijke gezindheid tegenover onze kerken staan en dat zij zich hartelijk verheugen over ue goede contacten die bezig zijn te ont staan.

Dat was voor de generale synode van Rotterdam (1971/’72) een aanleiding om aan haar deputaten opdracht te geven zich met de ”Commissie Gemeenschap pelijke Taken” van deze kerken in verbinding te stellen en te spreken over de verhouding tussen beide kerken. Sindsdien zijn er zes samensprekingen gehouden. Op onze laatste synode is daarover gerapporteerd.

Tegelijkertijd is op verschillende plaat sen aanvankelijk gestalte gegeven aan de eenheid in een nauwer samenleven, zoals dat sinds 1966 krachtens een voor lopige regeling mogelijk is. We denken aan Eindhoven, Heerenveen, Amsterdam en aan verscheidene kerken die tot de classis Zwolle behoren.

De stand van zaken

Dank zij het deputaten-rapport dat in 1974 op onze generale synode is behan deld, valt er thans iets meer van te zeg gen. Om zo objectief mogelijk te blijven, ga ik uit van de evaluatie die in dit rap port te vinden is.

De gehouden samensprekingen kenmerk ten zich door een goede sfeer: in alle openheid werd over de situatie in beide kerken gesproken; er was een duidelijke begeerte om naar elkaar te luisteren en er was wederzijds begrip voor de situa tie. Dit laatste betekent ook, dat de vrij gemaakte commissie weet, dat er bij ons verschillend gedacht wordt. Men neemt niet alleen kennis van artikelen uit het ”Kerkblad voor het Noorden”, maar ook van de inhoud van ”Bewaar het pand”. Uit het verslag citeer ik: ”Onzerzijds werd eerlijk toegestemd dat er in onze kerken op verschillende plaatsen een subjectivistische inslag is, die historisch te verklaren is. Er trad echter een dui delijke wending op naar de beloftenpre diking. Wij achten het waardevol elkaar vast te houden”.

Omgekeerd hadden wij er ook oog voor, dat zij meer moeite hebben met kerk orde en kerkverband dan wij. Wij hoor den zeggen: ”Er is huivering bij ons ge komen voor de kerkorde. Men heeft ons mishandeld met de kerkorde in de hand”.

Tegelijk speelt in de bedenkingen die er zijn, iets mee van de nieuwe tijd. Men vraagt zich af, of alles wel zo in fines ses moet worden geregeld.

Er was begrip voor de bezwaren die door ons ingebracht zijn tegen opvat tingen met betrekking tot de toeëigening des heils. Toen het ging over de ver houding van geloof en wedergeboorte en over het werk van de Heilige Geest en onze verantwoordelijkheid, bleken er geen meningsverschillen te zijn. Door één van onze deputaten werd uiteengezet, wat wij bedoelen met de oproep tot ge loof en bekering. De vrijgemaakte broe ders konden hiermee instemmen. Alleen merkten zij op, dat de oproep tot beke ring altijd toegespitst moet worden op duidelijk aanwijsbare zonden.

Een belangrijke conclusie van het rap port is: ”Het is in elk geval een feit dat tussen uw deputaten en de vrijgemaakte commissie een verblijdende mate van eenstemmigheid is geconstateerd op het punt van de toeëigening van het heil”. Hoe staat het met de functie van de belijdenis ? Weer zou ik iets willen door geven uit het deputaten-rapport.

De vraag is gesteld: Wordt u niet door confessioneel relativisme bedreigd ? Daarbij is gewezen op bepaalde elemen ten in de ”Open Brief” en op opvattin gen van bepaalde predikanten.

Hierbij zijn enkele publikaties van ds. B. Telder ter sprake gekomen. Van vrij gemaakte zijde werd betoogd, dat diens opvatting niet voortkomt uit een geest van relativisme. ”Wanneer van een af wijkende opvatting vaststaat, dat ze niet voortkomt uit confessioneel relativisme en wanneer hij die de afwijkende opvat ting huldigt, belooft deze niet te zullen drijven, dient die opvatting getolereerd te worden”.

Inderdaad hebben de kerken van gere formeerde confessie ook vroeger ver draagzaamheid betracht ten aanzien van bepaalde gevoelens. Deze tolerantie is wel omschreven als een tijdelijk tege moet komen aan de bezwaren van hen wier inzicht nog gebrekkig is.

Aan de Amsterdamse synode kon wor den gerapporteerd, dat de commissie binding aan de belijdenis noodzakelijk achtte.

De verschillen tussen deze kerken en onze kerken hebben voor een groot deel betrekking op het kerkverband.

Er zijn drie meningen te onderscheiden. Sommige kerken zouden een verkorte en gemoderniseerde kerkorde wensen en willen uitgaan van een concept dat naar de principes van de Dordtse Kerkorde is opgezet. Andere kerken hebben geen behoefte aan iets nieuws. Er zijn er ook die bang zijn voor de vaste regels van een kerkorde en willen volstaan met en kele onderlinge afspraken.

Ongeveer een jaar geleden (november/ december 1973) leek het erop. dat het zou komen tot een landelijke vergade ring die meer het karakter van een sy node zou dragen. Het beginsel van ge trapte afvaardiging werd op het convent van Bunschoten-Spakenburg aanvaard. Een deel van de plaatselijke kerken heeft daar echter nog altijd ernstige bezwaren tegen. Op dit punt bevindt men zich thans in een impasse.

Dat maakt het ons niet gemakkelijker. Ook onder ons wordt over de verhouding van plaatselijke kerk en kerkverband niet geheel gelijk gedacht, maar het kerkverband is voor ons toch wel een uitdrukking van de eenheid in leer en geloof. Als het goed functioneert, is het ook geen belemmering voor het kerk zijn in de bijbelse zin van het woord.

Een reëel probleem in de onderlinge ver houding is het feit, dat de plaatselijke situatie zo verschillend is. Op veel plaat sen zijn de kerken in het geheel nog niet aan vereniging toe. Tot over en weer voorgaan in d 2 dienst des Woords is het zelfs nog niet gekomen. Dat kan alleen na genoegzame samensprekingen De Generale Synode en de Gereformeerde Kerken tussen de betrokken kerkeraden, waar bij blijkt dat er metterdaad een eenheid is in erkenning en beleving van het Woord Gods en de belijdenis der kerken, alsook van de regels die op grond daar van voor het kerkelijke leven gelden.

Synode-besluit van Amsterdam (1974)

Er is een uitspraak gedaan die bij deze stand van zaken te verwachten was. Wij hopen dat wij daarmee verder komen, als wij staan naar de eenheid die naar de Schrift is.

De generale synode sprak uit

1. dat zij met dankbaarheid kennis heeft genomen van de mededeling van deputaten voor de eenheid van de gere formeerde belijders in Nederland, dat tussen deputaten en de commissie van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt buiten verband een verblijdende mate van eenstemmigheid wordt geconsta teerd met betrekking tot de toeëigening des heils;

2. dat het gesprek over de verschillen met betrekking tot het kerkverband moet worden voortgezet vanuit de over tuiging dat het kerkverband uitdruk king is van de eenheid in leer en geloof;

3. dat zij deputaten opdraagt de be reikte overeenstemming te verwerken in een zo mogelijk gemeenschappelijke ver klaring om als handleiding te kunnen dienen bij plaatselijke samensprekingen en toenadering;

4. dat zij deputaten opdraagt gezien de thans bereikte resultaten door middel van een enquête een onderzoek in te stellen naar de plaatselijke verhoudin gen;

5. dat bij de kerkeraden erop aan wordt gedrongen de contacten met de Gerefor meerde Kerken Vrijgemaakt buiten ver band in het geloof te beginnen en waar deze er reeds zijn, te bewaren en te ver sterken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.