+ Meer informatie

VRAGENBUS

6 minuten leestijd

Corrvgpondentte voor deze rubriek aan: T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid

Verschillende verenigingen hebben in cle loop van 1958 gevraagd mijn mening eens te zeggen over de „Nieuwe Vertaling".

Antwoord: Ik ben daar nooit op ingegaan, omdat ik mij niet competent achtte om daarop te antwoorden. Wil men dit doen, dan moet men toch minstens

de grondtaal van de Bijbel kennen. Ds. H. Rijksen heeft indertijd op verschillende plaatsen daarover een rede gehouden, die aan duidelijkheid niets te wensen over liet. Hij wees de „Nieuwe Vertaling" af.

Nu zou ik daarop zeker niet meer terug gekomen zijn, als ik enige weken geleden niet een keurig artikel gelezen had in „Onze Vacatures". Ik wil U dit niet onthouden.

De heer P. Boorsma neemt de „Nieuwe Vertaling" onder de loupe. Hij schrijft: Met Pinksteren hoorde ik een preek over Rom. 8 : 14: ant allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. (Nieuwe Vertaling). Maar hoe zit het dan met vrouwen en meisjes? Waarom kon daar niet de uitdrukking „kinderen Gods" behouden worden, waar allen onder vallen.

Verandering moest er blijkbaar maar zijn: Als Annanias bij Saulus komt, vallen hem in de Nieuwe Vertaling de schubben van zijn ogen. En dat terwijl de schellen reeds lang burgerrecht in de Nederlandse Taal genieten. Misschien vallen hun nu de schellen van de ogen. Waarom b.v. Zaligmaker veranderd in Heiland? Wordt het daar duidelijker van?

De heer Boorsma ziet er helemaal geen nieuws in, als het verhevene: „Lazarus, kom uit!" wordt veranderd in het platvloerse: „Lazarus, kom naar buiten, " wat klinkt als: „Kom jij de deur eens uit!" Tot zover de heer P. Boorsma. Nu geef ik toe, dat hetgeen hij schreef niet wetenschappelijk is. Het is anders dan van ds. H. Rijksen. Deze toonde aan de hand van de grondtaal aan, dat er in de Nieuwe Vertaling grote onjuistheden staan. En dat zijn er niet weinige. Hij beriep zich vaak op een groot taalgeleerde, nl. Rudolf Kittel, een der meest bekende Duitse geleerden. Het dacht mij echter goed ook een korte inhoud van het bewuste artikel weer te geven. Af. G. te S. schrijft mij het volgende: „Het bladeren in oude jaargangen van „Daniël" kan soms weieens tot een vraag aanleiding geven. Zo trof ik in de twee-O O de jaargang no. 4 in uw rubriek „vragenbus" een antwoord aan over de verhouding Willem van Oranje — art. 36 van de belijdenis. Bij de beantwoording noemt u de dissertatie van dr. Ruys, waarin deze het opneemt voor Petrus Dathenus. Zoudt u mij, indien mogelijk de juiste titel en de uitgever kunnen

opgeven? " Antwoord: Inderdaad staat in de tweede jaargang no. 4 een beantwoorde vraag, zoals u schreef. Ik heb vraag en antwoord nog eens nagelezen. De titel van het bewuste boek is: Petrus Dathenus door dr. Th. Ruys. De uitgever is G. J.

A. Ruys te Utrecht. Of deze uitgeverij nog bestaat en of het boek nog in de handel is, weet ik niet. Als u het wil aanschaffen raad ik u aan even te schrijven aan Uitgever W. den Hertog, Lange

Nieuwstraat 52 Utrecht. Die zal u wel helpen. De dissertatie van Ruys handelt in het eerste deel over het leven van Petrus Dathenus en in het tweede deel over de geschriften van hem.

L. R. te N. schrijft mij het volgende: „Eenmaal, als de tijd aangebroken is, dat we moeten sterven, zullen we na onze dood staan voor het aangezicht des Heeren, om geoordeeld te worden. Ook staat er geschreven, dat Christus op de jongste dag zal komen om te oordelen de levenden en de doden." Hij vraagt of de mensen dan twee keer geoordeeld zullen worden.

Antwoord: Inderdaad zal ieder, als hij sterft, staan voor de Rechter van hemel en aarde om rekenschap af te leggen van hetgeen in het lichaam is geschied, hetzij goed, hetzij kwaad. Zij, die gedekt zijn met de gerechtigheid van Christus, zullen ingaan in des Konings paleis. Zij, die tijdens hun leven Christus niet hebben leren kennen tot hun eeuwige zaligheid, zullen echter verwezen worden naar de plaats der pijniging.

Hiermee is niet alles gezegd, want de lichamen van Gods volk rusten nog in het graf, evenals de lichamen van de vijanden des Heeren.

Als straks het hemelgordijn zal scheuren en de Heere Jezus zal komen op de wolken des Hemels, zullen die in de graven zijn opstaan en zullen allen zonder onderscheid gesteld worden voor de Rechter. Ds. Kersten schrijft in zijn dogmatiek: O, die dagl

Ziel en lichaam zullen dan weer verenigd worden. Ik spreek hier niet over degenen, die tijdens de komst van de Heere Jezus nog zullen leven, want die zullen naar het Woord van de Apostel in 1 Cor. 15 in een punt des tijds veranderd worden.

Alle mensen zullen voor de Rechter verschijnen, met de voor allen te vernemen erf-en dadelijke zonden, op grond waarvan zij tot de eeuwige dood verdoemd zullen worden, terwijl de uitverkorenen, met de gerechtigheid van Christus bekleed, ten aanhore van alle schepselen zullen vrijgesproken worden en ten eeuwigen leven zullen ingaan.

Hierbij komt de vraag naar voren, of ook de zonden der uitverkorenen openbaar in het licht zullen gesteld worden. Bij de beantwoording hiervan grijp ik weer naar de dogmatiek van ds. Kersten. Deze schrijft: „Hoe zou er sprake van kunnen zijn, dat in de Oordeelsdag de zonden der rechtvaardigen weder tegen hen zouden getuigen? Zouden degenen, die reeds in de Hemel met Christus vele jaren verkeerd hebben, weder als schuldigen gedagvaard kunnen worden? Heeft Christus niet gezegd, dat wie gelooft, niet in het oordeel komt. De gezaligden zijn in de Hemel met lange witte klederen bekleed. Zij zullen de engelen en de wereld oordelen. Daartoe scheidt Christus hen reeds dadelijk van de bokken en zet ze aan Zijn rechterhand. In geen geval blijft er tegen hen enige beschuldiging voor Gods rechterstoel over. In de opstanding worden zij gerechtvaardigd, gelijk Christus in Zijn opstanding, en zo zullen zij naar ziel en lichaam de eeuwige heerlijkheid ingaan. Naar de ziel waren de in Christus ontslapenen reeds de zaligheid deelachtig; thans zullen ook hun verheerlijkte lichamen ten hemel ingaan. En dat zal in hun opstanding geschieden bij openbare rechtshandeling, opdat in der eeuwen eeuwigheid uitblinke, dat Sion door recht verlost is."

Ds. Kersten schreef: „O, die dag!" Het mocht op ons allen diepe indruk maken. We gaan niet alleen dood, graf en eeuwigheid te gemoet, maar ook de Oordeelsdag. Uit hetgeen ik reeds schreef, heeft u kunnen opmaken, wat een blijde dag dit zal zijn voor Gods volk, maar ook wat een verschrikkelijke dag het zal zijn voor degenen, die verwezen worden tot eeuwige afgrijzing. Nu leven we nog, nu is er nog een mogelijkheid om zalig te worden. De Heere binde de noodzakelijkheid op het hart, om Hem te zoeken, voor het te laat is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.