+ Meer informatie

Naar de CATECHISATIE

DE OPENBARING GODS

4 minuten leestijd

5.

We gaan nu even verder met de kennis Gods in de natuur. Reeds hebben we opgemerkt, dat die kennis niet genoegzaam tot zaligheid is, omdat wij Christus er niet uit kunnen kennen, noch dat God een drieënig God is.

We stelden toen de vraag, of we deze kennis uit de natuur nu niet kunnen missen. We zeiden: volstrekt niet.

Ter nadere beantwoording van deze vraag, dienen we op twee zaken te letten: ten eerste, dat we in de algemene openbaring Gods in de natuur geen tegenstelling mogen zien met de bijzondere openbaring Gods in de Heilige Schrift, en ten tweede, dat we die wèl moeten stellen tussen natuur en zonde.

Onze vaderen hadden niet alleen de strijd aan te binden tegen Rome’s leer, maar ook tegen de doperse dwalingen.

Zo stellen de dopersen een volstrekte tegenstrijdigheid tussen natuur en genade. De natuur, de aarde, is het terrein van de duivel. De gelovigen moeten dit terrein mijden (hun stelsel: wereldmijding). Daarom erkennen zij de overheid niet en verwerpen zij de eed. Arbeiden is een vloek. Sommigen van hen gingen zo ver, dat zij teruggrepen op de staat van de mens vóór de val (de zogenaamde naaktloperij).

De roomse kerk stelt ook een dualisme tussen natuur en genade. Er is tweeërlei terrein: de aarde, de wereld (het ongewijde) en de kerk (het gewijde terrein). Wat van het ongewijde overgaat naar het gewijde moet eerst „gewijd” worden. (Het wijwater-bakje bij de ingang van de kerken). Kunt u verklaren waar hier de ernstige fouten liggen?

Wij willen het proberen.

De tegenstelling, welke hier gemaakt wordt, is: natuur en genade. Dit is naar Gods Woord totaal onjuist.

Wel is waar, wat Calvijn zo duidelijk opmerkte, dat we het boek der natuur alleen kunnen lezen en verstaan door de Bijbel. Hij vergeleek de Bijbel hier met een bril. Maar daarom mogen we niet zeggen: de wereld, de aarde is van de duivel. We lezen duidelijk in Ps. 24: „De aarde is des Heeren, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen”.

Onze arbeid zelf is niet een vloek, maar een zegen. „De hand der vlijtigen maakt rijk”. Spr. 10 : 4. Wel is een vloek dat wij moeten arbeiden „in het zweet onzes aangezichts”. En wat de duivel betreft, zeker, hij oefent op aarde zijn macht uit. We lezen in Job 1 dat hij God antwoordt: „van om te trekken over de aarde”. Christus noemt hem „de overste dezer wereld”. Hij werkt in deze wereld met zijn machtige invloeden en bouwt zijn cellen. Maar..... dit alles onder Gods toelating. Christus heeft Zijn kerk troostvol nagelaten: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde!”

Wanneer dus de aarde des Heeren is, mogen we dus van alles wat de cultuur en de techniek biedt, gebruik maken?

We raken hier een kwestie, waarmee bijzonder ook onze jonge mensen vaak zitten en zo dikwijls vragen: waarom mogen we aan dit of dat niet meedoen? Waarom is dit of dat verkeerd?

Ook hier moeten we weer zeer goed onderscheiden. Mogen we geen tegenstrijdigheid stellen tussen natuur en genade, wèl moeten we terdege de principiële, absolute tegenstelling handhaven die er is tussen natuur en..... de zonde, het kwaad, wat uit de geest der wereld opkomt, het ijdele, het boze,

„Wereldlijk” is niet hetzelfde als „werelds”. Al was Pilatus een „werelds” mens, hier wordt met „wereldlijke rechter” (zie de catechismus, zondag 15) bedoeld dat Pilatus rechter was, die het wereldlijke recht moest uitoefenen. „Werelds” is: wat uit anti-goddelijk beginsel gedaan wordt. Cultuur en techniek zijn op zichzelf geen zondige zaken, want de zonde zit niet in de stof (de oude dwaling van het Manicheïsme).

Wel gaat het hier om de kwestie, wat ermee gedaan wordt. In onze tijd wordt heel wat op naam van de cultuur gezet, wat in de aard zondig is. Men kan rustig meedoen aan allerlei gewoonten en normen, die naar Gods Woord „werelds” zijn, dat wil dus zeggen, die uit het vlees zijn. De Schrift noemt duidelijk de werken des vieses (Gal. 5 : 19). In de brief van Judas zegt de Heere: „en haat ook de rok, die van het vlees bevlekt is”.

Het principiële verschil tussen „wereld” (het boze) en „kerk” wordt in onze dagen hoe langer hoe meer weggevaagd. Dansen, toneel, bioscoop (we hebben nu zelfs ook een christelijke (?) bioscoop: de „cefa”) worden rustig beschouwd als behorende tot de christelijke levensstijl. Wat is er eigenlijk nog zondig? En wanneer hiertegen gewaarschuwd wordt en de zonden genoemd, wordt rustig gezegd: ach, dat weten onze mensen wel. Maar Israël wist het ook wat God verbood, doch telkens moesten de profeten toch maar ernstig vermanen en het „bekeert u” doen horen!

We kunnen God niet dienen en de mammon.

R’dam-West

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.