+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

5 minuten leestijd

4

Het was aanvankelijk onze bedoeling met het vorige artikel te besluiten en daar niets aan toe te voegen. Wel is er nog stof genoeg omtrent verschillende punten, die we hebben laten rusten. Anderen hebben daar wel over geschreven. Het zou met veel moeite kosten daaruit een en ander aan te halen. Maar ook dat willen we niet doen. We geven er de voorkeur aan thans tot een voorlopige afsluiting te komen.

In onze artikelen hebben we gepoogd op een bezadigde wijze het boek van prof. Oosterhoff te bespreken. Verschillende van onze lezers zouden wel gewild hebben, dat de toon scherper was geweest. Sommigen uitten zich in een zeer sterk afkeurende zin ten aanzien van prof. Oosterhoff en zijn opvattingen.

Er is overal in den lande een zeker onbehagen. De bezwaren komen niet alleen uit onze eigen kring. Schrijvers in bladen buiten onze kerken hebben het boek kritisch bekeken en beoordeeld. In eigen kerkelijk leven is er een merkbare verontrusting. Men vraagt zich af, waar gaan we heen? Staat de schrijver nog op de grondslag van Schrift en belijdenis? hebben naar zijn opvatting Adam en Eva werkelijk geleefd? is er verwantschap met prof Kuitert e.a.? En vele dergelijke vragen komen uit de kritiek, die geuit is, als vanzelf naar voren.

In de Gereformeerde Kerken is de tendens openbaar gekomen om zolang mogelijk mensen met afwijkende gevoelens vast te houden. Er is een formule gevonden ter synode, die voor mensen met verschillende opvattingen aanvaardbaar bleek te zijn. Een buitenstaander denkt daar het zijne van.

Dit geldt ook ten aanzien van de opvattingen van Prof. Oosterhoff. In eigen kerkelijk leven komt men er niet gemakkelijk toe om een hoogleraar wegens dwaling in zijn beschouwing kerkelijk te behandelen. Dat heeft een goede kant. Men moet wel weten wat men doet, wanneer men iemand aanpakt wegens onrechtzinnigheid. Aan de andere kant zit er een groot gevaar in. Opvattingen, die aan een theologische hogeschool verkondigd worden, komen ongemerkt in de gemeenten, door hen, die eerst aan de voeten van hun leermeesters gezeten hebben, en later die opvattingen verbreiden. Zo worden dwalingen gemakkelijk gemeengoed. Een duidelijk voorbeeld hebben we in de kerkgeschiedenis. Arminius had afwijkende gevoelens, die hij doorgaf aan zijn studenten en binnen korte tijd waren er vele remonstrantse predikanten. En laten we ook niet vergeten, dat leerlingen vaak verder gaan dan hun leermeesters.

Dat maant tot waakzaamheid. Door de beschouwingen van Prof. Oosterhoff is er niet alleen veel verontrusting gekomen, maar is ook de theologische hogeschool te Apeldoorn bij velen in discrediet gekomen. En het gevaar dreigt, dat deze school op deze wijze steeds meer aan waardering inboet. Daarmee zijn onze kerken niet gebaat.

Het is zaak, dat de kerken op een eerlijke wijze met prof. Oosterhoff handelen. Het is ook zaak, dat deze hoogleraar zich nader verklaart. Is hij rechtzinnig dan moet hij van alle blaam gezuiverd worden. Is hij het niet met de rechtzinnige opvattingen eens, dan moet hij daaruit zelf de consequenties trekken en zijn plaats inruimen voor een ander.

Naar onze gedachte is daar niets op tegen. Op een classicale vergadering kwam vorig jaar al deze zaak aan de orde. In een van de gemeenten was duidelijk gebleken, dat er zorg was omtrent de gevoelens van prof. Oosterhoff. De classis deelde de verontrusting en bracht die op de particuliere synode. Daar had de zaak ook de nodige aandacht.

We mogen aannemen, dat prof. Oosterhoff van dit alles op de hoogte is, ja, dat hij meer dan iemand anders weet, wat allemaal naar voren gekomen is als bezwaar tegen zijn standpunt.

Laat hij de pen opnemen en zijn opponenten van antwoord dienen. Hij is daartoe uiteraard in staat. En in verband met de plaats die hij aan de theologische hogeschool inneemt naar onze mening ook verplicht. Het vraagt veel werk van hem. Dat is waar. Maar de kerk ziet er naar uit en alleen op deze wijze lijkt het mogelijk tot een oplossing te komen, die in het belang van prof. Oosterhoff en van de kerken is.

We hebben de overtuiging, dat prof. Oosterhoff nauwkeurig kennis neemt van wat er ten opzichte van hem en zijn opvattingen geschreven is en wordt. We konden dat zelf constateren. Dit geeft ons de gedachte, dat hij het als zijn roeping zal gevoelen zijn stem te laten horen en zijn gevoelens nader te verklaren.

Velen zien daarnaar uit, naar we hopen niet tevergeefs.

N.B. Toen bovenstaand artikel al gereed was kregen we een brief van een lezer, die o.a. het volgende schrijft: „Als lezer van de courant „Bewaar het Pand” willen wij nog graag enige toelichting over Gen. 2 en 3, waar staat: de mens wordt getekend als schepsel Gods Gen. 2 : 7. Er wordt niet precies gezegd, hoe God de mens geschapen heeft. Wat we daaromtrent te horen krijgen is symbolische taal. Dat schrijft B. denk ik over het boek van Dr. Oosterhoff. Mogen wij B. en wil u prof. Oosterhoff nu laten weten, dat dit zeer duidelijke taal is in Gods Woord hoe een mens precies geschapen is! Zie Gen. 1 : 31: en God zag al wat hij gemaakt had en ziet het was zeer goed.” Tot zover de briefschrijver.

We zijn het met hem eens, dat Gods Woord ons duidelijk genoeg zegt hoe de Heere de mens geschapen heeft. Prof. Oosterhoff verdedigt de gedachte, dat de weergave van de werkelijkheid is geschied op symbolische wijze. Waar deze hoogleraar in onze artikelen over Gen. 2 en 3 aan het woord is, hebben we altijd aanhalingstekens gebruikt. Juist om te voorkomen, dat er verwarring zou ontstaan omtrent de vraag, wie er aan het woord is. Als de briefschrijver de artikelen nog eens leest zal hem dit duidelijk zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.