+ Meer informatie

Hedendaagse opvattingen

10 minuten leestijd

‘Wat ben ik geschrokken. Mijn buurvrouw kwam aan het begin van het jaar afscheid van mij nemen. Twee weken later was ze overleden. We maakten elke dag nog een wandeling bij het verzorgingshuis! Ze was nog zo vitaal, met haar 91 jaar. Ze zei dat ze niet meer zou eten en drinken. Terwijl ze enkele dagen daarvóór genoten had van het kerstdiner, met haar kinderen. Die begrepen er ook niets van. En nu is ze er niet meer.’

De zuster uit onze gemeente die dit verhaal deed, was aangeslagen door deze bewuste daad van versterving.

Maatschappelijke discussie over een dergelijke daad ontstond vooral toen Huib Drion in 1991 zijn opvatting daarover publiekelijk bekendmaakte. Hij achtte het ‘aan geen twijfel onderhevig dat veel oude mensen er een grote rust in zouden vinden als zij over een middel konden beschikken om op aanvaardbare wijze uit het leven te stappen op het moment dat hen dat - gezien wat hen daarvan nog te verwachten staat - passend voorkomt’. Alleenstaande ouderen boven de vijfenzeventig jaar zouden de mogelijkheid moeten krijgen om te ontkomen aan een in hun ogen ondraaglijke en onaanvaardbare levensfase. Ze zouden zelf moeten kunnen beschikken over hun levenseinde op het moment dat zij dat wilden, aldus deze gezaghebbende rechtsgeleerde.

Overheid

De discussie over een dergelijk zelfgekozen levenseinde riep de vraag op naar overheidsbeleid. Ze kwam niet tot rust door de Wet Toetsing Levensbeëindiging (WTL), de zogenaamde ‘euthanasiewet’ (2002). Deze wet betreft immers het handelen van een arts in situaties van uitzichtloos en ondraaglijk lijden.

In 2014 werd de commissie-Schnabel ingesteld, die de regering advies moest geven over juridische en maatschappelijke vragen met betrekking tot hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten. Deze commissie stelde in haar rapport (2016) dat de euthanasiewet toch wel voldoende mogelijkheden geeft: een stapeling van ouderdomsklachten kan reden zijn voor het inwilligen van een euthanasieverzoek. Het Wetboek van Strafrecht hoeft daarom niet veranderd te worden. Bovendien zou een nieuwe wet mensen op gedachten kunnen brengen en stimuleren tot een dergelijke daad. Daarbij blijft de arts degene die het levenseinde bewerkt.

Toenmalig minister Edith Schippers reageerde in een brief aan de Tweede Kamer op dit rapport. Daarin deed zij tóch een voorstel voor een nieuwe wet. De wens tot levensbeëindiging zou door een speciaal aangestelde stervenshulpverlener beoordeeld moeten worden aan de hand van objectieve maatstaven. De oudere die voor levensbeëindiging in aanmerking zou komen, zou pas kort voor het moment van levensbeëindiging de middelen mogen ontvangen die nodig zijn voor zijn dood.

Maar het huidige kabinet Rutte zet deze lijn niet door, en gaat verder met de aanbevelingen van de commissie-Schnabel. Wel zal er onderzoek gedaan worden naar de omvang en omstandigheden van de groep mensen voor wie een ruime toepassing van de bestaande euthanasiewetgeving onvoldoende soelaas biedt in de ogen van betrokkenen. Ook de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) houden aan de lijn van de commissie-Schnabel vast. Ouderen die lijden aan een combinatie van aandoeningen en daardoor ondraaglijk lijden ervaren, kunnen in aanmerking komen voor euthanasie. Er hoeft geen sprake te zijn van een levensbedreigende aandoening.

Wat minister Schippers in 2016 voorstelde, komt overeen met een initiatiefwetsvoorstel van kamerlid Pia Dijkstra (D66), dat na de brief van de minister werd ingediend. Deze brief betreft levensbeëindiging zonder medische noodzaak voor ouderen boven de vijfenzeventig jaar. Kort na het aantreden van Rutte III maakte Dijkstra bekend dat zij haar voorstel handhaaft.

Zelfeuthanasie

Anderen vinden dat de overheid niets hoeft te regelen. Een overheid die dat wel doet, zou de zelfbeschikking schenden. Waarom zou iemand een examen moeten afleggen bij een arts of een stervenshulpverlener? Maar er spelen ook andere overwegingen mee. Waarom zou iemand met een levenseindewens een ander belasten met zijn verzoek? ‘En dan dat zinloze bonken op de muur van de “overheid” om je levenseinde af te dwingen, terwijl je je maar hoeft om te keren en zie: daar is de deur waardoor je zo het graf in kunt stappen’, zo schreef filosoof en medicus Bert Keizer in zijn essay Voltooid.

Ton Vink – schrijver en filosoof – introduceerde in 2008 het begrip ‘zelfeuthanasie’: een zelfgezocht, zelfbezorgd en zelfbeschikt levenseinde. De belangrijkste methode om daartoe te komen is de zogenaamde medicijnenroute. Andere methoden zijn: stoppen met eten en drinken (bewust versterven) en de heliummethode (of: exit bag). Iemand die op hoge leeftijd is gekomen, en bewust, zorgvuldig en weloverwogen het leven wil verlaten, moet volgens Vink een dergelijk besluit kunnen nemen: hij moet dan tijdig de nodige voorbereidingen treffen, en zou dan de levenstijd die daarna nog rest, met een gerust hart kunnen leven.

Zorgvuldigheid

Het pleidooi voor zelfbeschikking ten aanzien van het levenseinde – al of niet met hulp van een arts of stervenshulpverlener – wordt in de samenleving breed gedragen. Zij die dit pleidooi voeren, benadrukken dat zij niet pleiten voor een lichtvaardig besluit: niemand wil dat mensen lichtvaardig hun leven (mogen) beëindigen als zij menen dat hun leven voltooid is. De beslissing daartoe moet zorgvuldig worden genomen.

Deze zorgvuldigheid betreft in de eerste plaats het ‘zelf’ beslissen. Voorstanders van zelfbeschikking zijn zich ervan bewust dat daaraan toch wel wat haken en ogen zitten. Kan iemand echt zelf wel zo’n ingrijpende beslissing nemen? Staat hij niet te dicht bij zichzelf om een objectief oordeel te kunnen geven? Zijn er toch ook niet factoren in zijn omgeving die hem beïnvloeden? Zou hij geen hulp moeten krijgen bij zijn besluitvorming? Anderen menen dat een stervenshulpverlener daarin geen rol mag spelen. Het ligt bij de persoon zelf. Wel of geen hulp van een professional, in elk geval vinden voorstanders dat de beslissing bij de persoon zelf ligt.

Vervolgens komt in de maatschappelijke discussie naar voren dat in de afweging anderen betrokken moeten worden. Ook in die zin moet zorgvuldigheid worden betracht. Wie over zijn levenseinde wil beschikken, staat in een netwerk van relaties. Zijn beslissing heeft consequenties voor anderen, in het bijzonder directe familieleden. Ieder mensenleven is verweven met dat van anderen. Een dergelijke beslissing is ingrijpend voor het leven van anderen. Daarom wordt gepleit voor openheid, goede gesprekken, informatie en steun. Bert Keizer onderstreept de rol van vrouw en kinderen: ‘Hun toestemmen, of ten minste begripvol meevoelen, is voor mij een veel belangrijkere voorwaarde dan alles wat een arts hierover zou weten te beweren’. Ook Pia Dijkstra en Ton Vink wijzen op de verantwoordelijkheid naar anderen toe.

Maar bij dat pleidooi voor zorgvuldigheid door voorstanders van zelfbeschikking moeten wel vraagtekens worden gezet. We weten hoe de artsen die werkzaam zijn voor de Levenseindekliniek om kunnen gaan met euthanasievragen, en mensen soms aanwijzingen geven hoe zij in aanmerking kunnen komen voor euthanasie. Bert Keizer heeft daarover dingen gezegd die – zacht uitgedrukt – niet veel vertrouwen wekken in hulpverleners bij het sterven. Hij vertelt ook hoe hij als arts van de genoemde kliniek daarmee omgaat.

Godsbeschikking

Sommigen stellen dat het woord ‘zelfbeschikking’ kan samengaan met de belijdenis dat God over het levenseinde van mensen beschikt. Een gelovige die opkomt voor ‘zelfbeschikking’, bedoelt dan – zo wordt gezegd – dat geen enkel ander mens over zijn levenseinde beschikt. Het feit dat God over mensenlevens beschikt, sluit niet uit dat mensen zelf over hun leven beschikken. Dat God ons bewaart, betekent niet dat we onszelf niet zouden moeten bewaren. Maar wat wij niet mogen doen, is lichtvaardig over onszelf beschikken. God verbiedt elk willekeurig beschikken over het eigen leven. Als mensen echter na beraad, gebed en gesprek tot de overtuiging komen dat ze niet verder willen, strijden zij niet met de wil van God, zo wordt beredeneerd. Want er zijn omstandigheden waarin iemand tot de conclusie komt dat verder leven een ramp is. Zou er nooit een omstandigheid kunnen zijn waarin iemand een goede reden heeft om te zeggen: mijn leven moet nu worden beëindigd?

Deze levensbeëindiging is dan een ontsnappingsroute uit een situatie die iemand als veel erger ervaart dan de dood zelf. Wie in een dergelijke situatie zijn leven zou willen beëindigen, doet dat niet lichtvaardig. Een dergelijke situatie kan zijn dat iemand het leven niet meer als een geschenk ervaart. Als iemand dat niet meer zo ervaart, en hij toch moet doorleven, zou dat een vreemd geschenk zijn. Dat kan toch niet de bedoeling van de gever zijn? Zou God ook dan de plicht opleggen om door te ademen? Wel zijn er gegevens die tegen de beëindiging van het eigen leven pleiten. Een levensbeëindiging is voor de betrokkene zelf een ramp, en ook voor zijn omgeving. De betrokkene heeft een verplichting ten opzichte van zijn omgeving. Voor hemzelf liggen er ook mogelijkheden die hij misschien zelf niet meer ziet. Maar uiteindelijk maakt het christelijk geloof levensbeëindiging niet onmogelijk. Dergelijke gedachten zijn onder andere door H.M. Kuitert naar voren gebracht.

Het is waar dat mensen verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van hun levenseinde. Deze verantwoordelijkheid strijdt niet met de belijdenis dat God over ons leven beschikt. Maar het zelf beëindigen van het leven kan toch op geen enkele wijze worden gerechtvaardigd vanuit de Schrift? Wie voor zichzelf een moeilijke weg ziet, heeft niet het recht die weg zelf te beëindigen en daarbij de hulp van een ander in te roepen.

Achtergrond

In de huidige discussie over een zelfgekozen levenseinde speelt een aantal aspecten mee. Een van die aspecten betreft de moeite met de tragische kant van het bestaan. Kwetsbaarheid en lijden zijn thema’s waarmee mensen moeilijk kunnen omgaan. We willen graag oud worden, maar het liefst gezond, en in redelijke mate onafhankelijk. Afhankelijkheid van zorg en hulpverlening, en dan ook steeds afhankelijker worden, mogelijk eindigend in een stadium van (ver)gevorderde dementie, is voor velen een schrikbeeld. Daarbij komt een gevoel van leegheid: mensen zien geen taak meer voor zichzelf, kunnen hun leven geen betekenis meer geven en verliezen het gevoel van eigenwaarde. Bij het ouder worden moet veel worden losgelaten. De eigen bewegingsvrijheid wordt beperkt. De kring van geliefden wordt kleiner. Er is angst voor toekomstige eenzaamheid. Bovendien hebben ouderen in onze samenleving geen bijzondere bevoorrechte positie. Dat werkt niet mee aan het verminderen van het schrikbeeld van mensen bij ouder worden. Het leven wordt als een last ervaren, die niet kan worden weggenomen, en alleen nog maar zwaarder kan worden. Vanwege deze moeite met de tragische kant van het bestaan kan de wens opkomen van een zelfgekozen levenseinde.

Anderen die een zelfgekozen levenseinde overwegen, stellen dat hun leven afgerond en gecompleteerd is. Daarbij past het begrip ‘voltooid leven’. In het normale spraakgebruik geeft het begrip ‘voltooid’ een blij gevoel. Iets is ‘af’. Maar in dit verband duidt het begrip op een toestand waarin iemand niet wil verkeren: wat voltooid is, is akelig, en moet aflopen. Maar dit akelige begrip spreekt toch velen aan. Vooral diegenen die het ‘gemaakt’ hebben in hun leven, en voldaan daarop terugkijken. Vaak zijn dat mensen die hoogopgeleid zijn, en hebben bereikt wat zij wilden bereiken, en daarin altijd de regie hadden. De weg die vóór hen ligt, zien ze alleen maar als afbraak. Er klinkt iets door van een managementcultuur: als manager van zijn eigen leven voltooit de mens dat leven. Wat zij hun gehele leven hebben gedaan – zélf de touwtjes in handen houden – willen ze door een ultieme daad completeren. Wat zij zélf als voltooid zien, zou de beslissende maatstaf moeten zijn voor het moment van levensbeëindiging. Steeds vaker stellen mensen een wilsverklaring op ten aanzien van de situatie waarin zij in een staat van (ver)gevorderde dementie zijn geraakt.

In 1971 publiceerde prof. dr. W.H. Velema een aantal lezingen onder de titel Rondom het levenseinde. Zijn taxatie van opvattingen in zijn tijd was dat mensen zakelijker over de dood waren gaan spreken: de dood hoort bij het leven. Daarna is het proces van verzakelijking doorgegaan: de dood wordt zelfs omarmd. Die omarming is – in elk geval wat ons land betreft – een breed gedragen hedendaagse opvatting. Bij een dergelijke cultuur die ‘de laatste vijand’ omarmt, past geen andere typering dan ‘doodscultuur’. Het antwoord op angst voor de toekomst wordt in deze cultuur niet gezocht in zorg en omzien naar elkaar, in liefde en dienstbaarheid, maar in de dood als een persoonlijk, technisch antwoord op een leven waarvan de desbetreffende persoon oordeelt dat het niet meer waard is geleefd te worden.

Dr. Steensma is deeltijdpredikant te Feanwâlden en docent theologische ethiek aan de TUA.
Tevens is hij hoofdredacteur van het Kerkblad voor het Noorden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.