+ Meer informatie

HET LIED IN DE EREDIENST

6 minuten leestijd

4

De berijming van Petrus Dat keen.

Petrus Datheen is één van de belangrijkste personen geweest uit de vaderlandse kerkhistorie van de zestiende eeuw. Hij was een stoer calvinist, die Gods kerk in gevaarvolle tijden heeft geleid en opgebouwd. Hij kan de vader van ons kerkboek genoemd worden. Op zijn naam staan: de bewerking van de liturgie, de vertaling van de Heidelbergse Catechismus en de berijming van de Psalmbundel. In verband met ons onderwerp gaan we op het laatste nader in.

In 1555 was hij predikant van de Nederlandse vluchtelingengemeente te Frankfort aan de Main. Daar geraakte hij in heftige strijd met de Luthersen, waarna de overheid er zijn verder verblijf onmogelijk maakte. De gemeente werd ontbonden. Een gedeelte ging naar Engeland, een ander deel keerde naar Nederland terug. Datheen zelf zocht, met een aantal gemeenteleden, een toevluchtsoord in de Paltz. In Frankenthal bij Worms werd door hem een gereformeerde gemeente gesticht. flier vervaardigde hij zijn psalmberijming. In ons land zag men uit naar een goed psalmboek met eigen muziek. Er waren enkele berijmingen in omloop, maar die voldeden niet. Men had sinds 1540 de berijming van Willem van Zuylen: de zogenaamde „Souterliedekens”. De psalmen werden gezongen op bekende melodieën van volksliederen. Hierdoor waren ze niet zo geschikt om in de openbare godsdienstoefeningen te zingen. Naast deze berijming was er ook de psalmberijming van Jan Utenhove. Aan deze bundel kleefde echter weer een ander gebrek: hij was niet volledig. In 1565 verscheen een berijming van Lukas de Heere te Gent. Het was een tamelijk letterlijke vertaling van de Franse berijming van Marot en Beza. Aan deze uitgave kleefde hetzelfde gebrek als aan die van Utenhove, hij was niet volledig. Hij omvatte slechts een gedeelte van de Psalmen. In 1566 verscheen de berijming van Datheen. Deze berijming gaat niet op de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst terug, zelfs niet op een vertaling van de Bijbel, maar is een zuivere vertaling van de Franse psalmberijming. Datheen stond niet voor ogen een kunstprodukt van letterkundige waarde te leveren. Maar slechts dit: om zijn verdrukte geloofsgenoten zo spoedig mogelijk te helpen aan een psalmbundel, die in een algemeen gevoelde behoefte zou voorzien. Zijn streven was tevens, dat deze nieuwe berijming zich, zowel in de bcwoordingen als in de melodieën, zo nauw mogelijk zou aansluiten bij de bestaande Franse berijming van Marot en Beza, opdat ook in het psalmgezang eenheid zou zijn. Die eenheid was er reeds in leer en konfessie. We kunnen hem hierin vatten. Gezien zijn ervaring in allerlei verspreide „kerken onder het kruis” en „vluchtelingengemeenten” stond hem dit ideaal voor ogen, dat wanneer er Fransen, Nederlanders en Duitsers in een dienst bij elkaar waren, zij met verschillende woorden hetzelfde zouden kunnen zingen tot eer van God. Het ging Datheen om de eenheid. Vandaag moet die eenheid ons ook voor ogen staan. Allereerst in eigen kerkelijk huis. Er dreigt een babylonische verwarring op te treden. Of is die er al niet? En verwarring leidt tot verwijdering, tot verdeeldheid. Op de aangestipte zaak hopen we D.V. nog wel terug te komen, wanneer we de nieuwe psalmberijming gaan bekijken.

De berijming van Datheen was niet steeds gelukkig. Dit komt omdat hij geen rekening hield met het onderscheid tussen het Franse en Nederlandse vers. In het Franse vers komt het aan op het aantal lettergrepen, daarentegen houdt het Nederlandse vers behalve met het maatschema ook rekening met het woordaksent.

Hoogstens anderhalf jaar heeft Datheen aan de vertaling-berijming gewerkt. 25 Maart 1566 verscheen de eerste uitgave van Datheens kerkboek te Heidelberg. De titel luidt: „De Psalmen Davids, ende ander Lof-sanghen, uyt den Fransoyschen Dichte in Nederlandschen ourghesett, door Petrum Dathenum, Metaeders den Christelicken Cathchismo, Ceremonen ende Ghebeden”.

Stormenderhand veroverde deze berijming een plaats in alle calvinistische gezinnen en vrij spoedig werden de psalmen van Datheen bij de overal gehouden hagepreken met bezieling aangeheven. Het kerkelijk konvent te Wezel, in 1568, beval de bundel aan om in de kerken te gebruiken. In die tijd werkte Marnix van St. Aldegonde ook aan een berijming. In 1580 verscheen deze. In litterair opzicht, stak ze ver boven die van Datheen uit. Marnix was een groot dichter. Dit blijkt duidelijk wanneer we de twee berijmingen met elkaar vergelijken.

Een voorbeeld willen we geven. Psalm 1 : 1.

Datheen


Die niet en gaet in der godtloozen raedt.
Die op den weg der sondaars niet en staat,
En niet en sit by den spotters onreyne,
Maar dag en nacht heeft in Gods Wet alleyne, Al synen lust, ja spreekt daer van eenpaar,
Die mensch is wel gelucksaligh voorwaar.


Marnix


Welsalig is de man, die in de raet,
Van’t godloos volk geheelyck niet en gaet
Noch op den wegh des sondaers staet vermeten,
Oft op den stoel der spotters is geseten:
Maer heeft alleen lust in des Heeren wet,
En dach en nacht wel neerstich daer op let.


Op kerkelijke vergaderingen kwam ook Marnix’ berijming ter sprake. Men achtte over het algemeen de berijming van Marnix beter en fraaier dan die van Datheen, toch oordeelde men, dat een nieuwe berijming het volk niet moest worden opgedrongen, maar dat het verlangen er naar uit de kerk zelf moest opkomen. Voor de berijming van Marnix had Datheen grote waardering. Hij hield een lofrede op zijn berijming en voegde er de wens aan toe, dat deze in plaats van de zijne in alle Nederlandse kerken mocht ingevoerd worden. Zover is het nimmer gekomen. Voor het volk bleven de psalmen van Datheen de echte „Psalmen Davids”.

Wij kunnen dit begrijpen. Wie zich verdiept in Datheens berijming heeft zeker kritiek, maar wordt getroffen door het geestelijk element, dat we in de psalmen ontdekken. En dit mag in een berijming niet ontbreken.

Dit artikel nam ons mee naar het verleden, naar de tijd van de kerk onder het kruis. De vrucht van het Kruis blijkt. Men leefde bij de verzen:


Als een hert gejaagd, o Heere,
Dat verse water begeert,
Alzo dorst mijn ziel ook zere
Naar U mijn God hoog geeerd,
En spreekt bij haar met geklag:
O Heer! wanneer komt die dag,
Dat ik toch bij U zal wezen,
En zien Uw aanschijn geprezen?


Al de grote waterstromen
Zijn, Heer’, over mij gegaan,
En mij over ’t hoofd gekomen;
Maar Gij hebt mij bijgestaan.
’s Daags toont Gij mij Uw goedheid En ’s nachts Uw barmhartigheid;
Dies zal ik U Heer’ belijden;
Gij hoedt mijn ziel t’ alien tijden.


Datheen, Psalm 42 : 1 en 5.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.