+ Meer informatie

HOE OM TE GAAN MET LEDEN DIE ‘AFHAKEN‘?

8 minuten leestijd

Verschillende keren is in dit blad de aandacht gevraagd voor allerlei aspecten van een verdrietig gegeven: gemeenteleden die zich verwijderen van de Here en zijn dienst en die daarom voor de kerkenraad aanleiding zijn om zich af te vragen: hoe moeten we met deze broeder of zuster of met dit gezin (ook dat komt met regelmaat voor!) verder? In dit artikel vraag ik aandacht voor enkele aspecten die nog niet, of slechts summier, de aandacht kregen.

HET CONTACT STOKT

In de loop van het pastoraat door de jaren heen blijkt dat er telkens een aantal leden is waarmee het contact lastig verloopt: gesprekken worden steeds moeizamer, op een gegeven moment kan er geen bezoek meer afgesproken worden, soms ontdekt de verantwoordelijke broeder of zuster in de wijk dat het huis of het appartement leeg staat of dat er een ander woont, zonder dat het gemeentelid een adreswijziging heeft doorgegeven. De ene keer is er sprake van een dooplid dat nog bij de ouders thuis woont, maar dat niet meer benaderbaar is voor huisbezoek (en als het goed is, wordt vanaf een bepaalde leeftijd ook zo’n lid gevraagd voor een apart huisbezoek, d.w.z. niet samen met de ouders), de andere keer is de betrokkene al zelfstandig, en woont samen of is getrouwd, heeft zelfs al één of meer kinderen uit deze relatie… Maar de kerkenraad constateert met verdriet dat hij buiten alle ontwikkelingen wordt gehouden. Daarin wordt duidelijk: voor dit gemeentelid bestaat de kerkenraad, en bestaat de gemeente eigenlijk niet meer.

Het is aan te bevelen om als kerkenraad bij constatering daarvan van deze gemeenteleden een aparte lijst op te maken. Op deze lijst wordt de geestelijke ontwikkeling van jaar tot jaar bijgehouden. Dat is geen lijst om vrolijk van te worden, maar het is wel dienstig in het geestelijke geheel: zodoende krijgt men zicht op het verloop van het proces (hetzij positief, hetzij negatief) en voorkomt men dat men bij besluiten op het geheugen afgaat. Men voorkomt er ook mee dat bij personele wisseling van een pastoraal contact de nieuwe broeder weer ‘helemaal overnieuw moet beginnen’. Daar is immers niemand mee gediend. Er zijn kerkenraden die de gewoonte hebben om een dergelijke lijst elk jaar op een vergadering te agenderen: de namen van de leden op deze lijst krijgen de aandacht, er wordt bezien hoe de ontwikkeling het afgelopen jaar is geweest, nieuwe afspraken worden gemaakt. En het gebed vormt van dit kerkenraadsgesprek een wezenlijk onderdeel. Het is overigens zaak dat in deze dingen ook de gemeente betrokken wordt, zodat deze zorg echt een zorg is die gemeentebreed gedragen wordt.

DE GEMEENTE INSCHAKELEN

In een aantal gemeenten gaat de kerkenraad nog een stap verder: hij roept de gemeente daadwerkelijk te hulp om onder Gods zegen te proberen de betrokken leden op hun schreden te doen terugkeren. Dat is om meer dan één reden aan te bevelen: om te beginnen is het voor de kerkenraadsleden (inclusief de predikant) niet doenlijk om structureel aandacht aan de leden in hun wijk (gemeente) te geven die nodig is, wil die aandacht vrucht dragen. Kerkenraadsleden kunnen best één bezoek brengen, zelfs wel twee. Maar… daarmee is men er in de meeste situaties niet. Het bezoeken van randleden is intensief werk en het vergt veel geduld. Alleen al daarom is het noodzaak om anderen daarbij in te schakelen.

De tweede reden is dat bij ouderlingen- of predikantenbezoek de reactie nog wel eens is: o, u komt mij bezoeken – ach ja, dat hoort tot uw taak. Wanneer echter een ‘gewoon’ gemeentelid een bezoek wil brengen, is er verrassing: blijkbaar gééft de gemeente om mij. U hoeft mij niet te zeggen dat de redenatie niet klopt, het gaat mij om de ervaring!

Ooit riep ik een gemeente op om in deze geestelijke problematiek van dienst te zijn. Een aantal gemeenteleden meldde zich en de leden om wie het ging, kregen een ‘buddy’. We probeerden zoveel mogelijk koppelingen te maken waarbij iemand nog, bijvoorbeeld vanuit het verleden, een relatie met iemand had: op de JV gezeten, samen op school opgetrokken, samen een club geleid. Het leidde tot een intensieve periode, met soms wrange, maar soms ook mooie vruchten.

ER KOMT EEN REACTIE

Soms blijkt ons geloof namelijk (gelukkig) te klein te zijn: er volgt op een van deze pogingen of op een brief van de kerkenraad een reactie en het gemeentelid wil contact. Dat zou een verhoring van gebeden zijn! Er wordt een afspraak gemaakt en een gesprek vindt plaats. Dan is het zaak (maar dat is eigenlijk altijd zo) om goed te luisteren en goed en voorzichtig te spreken. Waarom wil deze broeder uitschrijving voorkomen? Welke geestelijke motieven zitten daarachter en kan de kerkenraad daar ‘iets’ mee? Het kan zijn dat een geestelijke snaar is geraakt. Dan zal biddend geprobeerd worden om dat lijntje vast te houden en het contact uit te bouwen. De gesprekken met het gemeentelid kunnen voortgaan of er volgen verdiepingsgesprekken met een gemeentelid over de fundamenten van het geloof. Kan er deelname aan een alphacursus (of iets dergelijks) die in de gemeente draait, worden aangeboden? Er zijn geen pasklare antwoorden te geven, maar men zal ijverig zoeken!

EEN APART BESTAND

Maar zoals ik schreef: er zijn ook wrange vruchten: het gemeentelid geeft aan dat het geen lid meer van de gemeente wil zijn, of er volgt helemaal geen reactie op pogingen om contact te leggen, zodat de kerkenraad dat moet constateren. Wat dan?

In sommige gemeenten heeft men handen en voeten gegeven aan het geestelijke gegeven dat het noodzakelijke uitschrijven van gemeenteleden niet betekent dat hun doop ongedaan gemaakt wordt. Integendeel, er wordt vurig gehoopt èn gebeden dat er nog eens een moment van inkeer zal komen. En in de Steden – vooral – kan men vandaag de dag verhalen daarvan horen, Gode zij dank. Daarom worden deze oud-leden in hoofd en hart gehouden door hun namen in een apart register te schrijven. Een speciale groep van de gemeente ontfermt zich erover en stuurt bijvoorbeeld rond de verjaardag een kaart, of laat een blijk van meeleven merken wanneer vader of moeder overlijdt. Soms wordt dat door de betrokkene niet op prijs gesteld. Dan moet er onverwijld een punt achter worden gezet. Maar soms geeft het de betrokkene ook te denken: ‘ze geven toch écht om me…’

‘JA MAAR, IK GELÓÓF WEL!’

Soms volgt er geen pósitieve reactie op een contact tussen kerkenraad en gemeentelid, maar ook geen négatieve. Er wordt contact gelegd (per brief misschien), dan blijkt er ruimte te zijn voor een gesprek (dat geeft hoop!) en in dat gesprek blijkt dat het gemeentelid prijs blijft stellen op zijn lidmaatschap. Niet vanwege zijn familie, maar omdat hij naar eigen zeggen wel gelooft. Alleen… de gemeente en de zondagse kerkdiensten zijn daar niet zo bij nodig. Het spreekt voor zichzelf dat er vervolgens diepgaand doorgesproken moet worden, bij een open Bijbel. Een dergelijke gedachte is immers tegengesteld aan alle Bijbelse gegevens over het persoonlijk geloof, waar het deel uitmaken van Gods gemeente – ook daadwer-kelijk – zowel in OT als NT zo centraal staat. Die gesprekken zullen hopelijk dat gegeven kunnen voeden, zodat het dunne lijntje verstevigd wordt. In ieder geval geldt hier: een lange adem en veel geduld; zolang er nog een teken van leven is, dat niet afsnijden!

Soms stoot men in dat gesprek op iets anders, namelijk op een geschiedenis van een beschadigd leven. Mensen kunnen soms zeer gedeukt en in de hoek gedrukt zijn, zodat een normaal omgaan met anderen niet tot de mogelijkheden behoort. Men is schuw geworden. Het is te hopen dat in dergelijke levensverhalen de gemeente geen negatieve rol heeft gespeeld, maar de harde praktijk leert dat dit soms wel zo is. Soms is dat levensverhaal verweven met een of meerdere gemeenteleden. Zó zelfs dat men zegt: we leggen de hand op onze mond en we worden stil. Alleen al daarom kunnen onze beleidsregels en onze procedures nooit zonder aanzien des persoons worden toegepast: bij ieder lid van de gemeente past weer een eigen beraad met inachtneming van de eigen situatie. En zeker wanneer bepaalde gebeurtenissen ten negatieve hebben bijgedragen tot het aan de rand leven van de gemeente, zal men zeer behoedzaam zijn bij het onderhouden van het contact.

TOT SLOT

Ik schreef het al in het begin: het is een zaak die verdriet doet. Ze raakt bijna iedereen in de gemeente, want bijna iedereen kent wel iemand (hetzij in gezin of familie, hetzij in de vriendenkring) waarin hij denkt: ach, het gaat hier over hem! En het snijdt door onze harten heen. Hopelijk hebt u gemerkt dat daarmee gerekend is. En wanneer kerkenraden met deze zelfde intentie het werk ter hand nemen dat noodzakelijkerwijs past bij deze zaak (dat is: bij deze broeders en zusters), dan zal de gemeente daardoor toch gebouwd worden. In de Schriften wordt er geen geheim van gemaakt dat Gods liefde zeer groot is, maar dat die liefde ook een schaduwkant heeft voor hem die deze liefde afwijst. Dat in de praktijk te verdoezelen betekent in feite de gemeenteleden om de tuin leiden. Het doet geen recht aan de kracht van het Evangelie en het is roeping dat Evangelie tot klinken te brengen. Met het vurige gebed dat de Geest het in de harten zal planten, ook van hen bij wie de harten er zo hard onder blijven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.