+ Meer informatie

DE BELIJDENISGESCHRIFTEN IN HEDENDAAGS NEDERLANDS

11 minuten leestijd

Een belangrijke uitgave

In maart 1983 verscheen bij Boekencentrum te ’s-Gravenhage een uitgave die opvalt te midden van allerlei grotere en kleinere publikaties. Het boekje van 123 bladzijden is getiteld: De Nederlandse Belijdenisgeschriften uitgegeven in opdracht van de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Generale Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Eindelijk is het er! Dat zal de reactie zijn van hen die er de voorgeschiedenis van kennen. Lang niet alles behoeft vermeld te worden, maar nu deze officiële uitgave het licht heeft gezien, mag men in de kerken wel weten wat de bedoeling ervan is. In de synodale Acta zijn verspreide gegevens te vinden en op de synode van 1983 is nog weer een rapport van de deputaten voor de officiële tekst van de belijdenisgeschriften te verwachten.

Een blad ten dienste van ambtsdragers mag er wel enige informatie over geven. In „Ambtelijk Contact” van maart 1972 is al een artikel gewijd aan „een nieuwe tekst van onze belijdenisgeschriften”. Het gaat daarin over de voorlopige uitgave die aan deze editie van 1983 ten grondslag ligt.

Het was een lange weg.

Bijna tien jaar nadat een interkerkelijke commissie was ingesteld met de opdracht een tekst van de belijdenisgeschriften in hedendaags Nederlands te leveren (1962), kon het resultaat van het werk aan de vertegenwoordigers van de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerken worden aangeboden. Dat gebeurde in 1971. De commissie voor de tekst van de belijdenisgeschriften (de commissie-Dankbaar genoemd, omdat haar voorzitter prof. dr. W.F. Dankbaar was) was zich ervan bewust, dat zij geen officiële tekst kon vaststellen. Dat is voorbehouden aan de synoden van de kerken zelf.

Bijna tien jaar na de aanbieding hebben de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken en de synode van de Gereformeerde Kerken er een officieel karakter aan gegeven. Onze synode deed dat in oktober 1980, die van de Gereformeerde Kerken in november 1980.

De hervormden, die indertijd het initiatief hadden genomen, hebben zich merkwaardig gedragen. Door hun toedoen heeft het veel langer geduurd dan nodig was geweest, voordat deze nieuwe tekst verscheen, maar bovendien stonden zij erop, dat de volgende passage in het „Woord vooraf” werd opgenomen: „Voor een officiële aanvaarding van deze tekst door de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk is in deze kerk geen aanleiding. De arbeid van de commissie is als zodanig in dankbaarheid aanvaard en het moderamen van de Generale Synode ziet gaarne dat deze tekst van de belijdenisgeschriften in de kerk functioneert, bij de catechisatie, in de leerhuizen, bij de prediking. De autoriteit die deze tekstuitgave in de Nederlandse Hervormde Kerk zal kunnen verkrijgen, berust niet op een synodale autorisatie. Zij is afhankelijk van het innerlijk gezag, dat van deze tekst zelf zal blijken uit te gaan”.

Volgens het titelblad zijn de belijdenisgeschriften in deze vorm ook in opdracht van de synode van de Nederlandse Hervormde Kerk uitgegeven en blijkens het „Woord vooraf” is er geen aanleiding voor een officiële aanvaarding van de tekst door de hervormde synode. Hier wringt iets. Wie erover nadenkt, komt bij een van de grootste problemen van deze kerk uit: haar verhouding tot de belijdenis.

In de Christelijke Gereformeerde Kerken en in de Gereformeerde Kerken is niet alleen met dankbaarheid kennis genomen van het werk van de commissie-Dankbaar, maar is men er ook mee aan het werk gegaan. Er kwamen opmerkingen binnen over de bruikbaarheid van deze nieuwe weergave van de belijdenis en er werden voorstellen gedaan om de tekst op bepaalde punten nog te wijzigen. In 1980 werd door daarvoor aangewezen deputaten een lijst van wijzigingen ter goedkeuring voorgelegd aan de synoden van hun kerken.

Op 4 november 1980 besloot de synode van de Gereformeerde Kerken deze tekst van de belijdenisgeschriften — dus met inbegrip van de wijzigingen — te aanvaarden en voor kerkelijk gebruik vrij te geven en aan te bevelen.

Op 3 oktober 1980 sprak de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken uit, „dat de tekst van de belijdenisgeschriften zoals deze in 1971 aan de kerken is aangeboden, kan worden beschouwd als een betrouwbare weergave van wat wij als kerken belijden en als geschikt voor kerkelijk gebruik, en wel a. nadat daarin de wijzigingen zijn aangebracht die deze generale synode heeft aangenomen of die zijn voorgesteld en aanvaardbaar geacht; b. nadat het hernieuwde contact met de gereformeerde deputaten heeft plaatsgevonden”.

De formulering onder a. doet natuurlijk in de eerste plaats denken aan de wijzigingen in de tekst van 1971 die via het rapport van de deputaten aan de orde kwamen. Maar zij laat ook ruimte voor veranderingen of correcties met betrekking tot drie door de synode zelf en een aantal vanuit de synode genoemde punten, waarover onze deputaten het dan wel eens moesten trachten te worden met de deputaten van de Gereformeerde Kerken. Alles moest immers in het werk gesteld worden om in contact met andere hierbij betrokken kerken te komen tot een eensluidende tekst van de belijdenisgeschriften. Dat was een opdracht van de synode van 1977.

Toen deze twee kerken zich in 1980 zo uitspraken, leek het nog, dat de Nederlandse Hervormde Kerk zich afzijdig zou houden, hoezeer dat enkele hervormde theologen ook speet. Onder hen was prof. dr.J.N. Bakhuizen van den Brink, wiens verdiensten zowel voor de samenstelling van historische teksten als voor de verzorging van nieuwe teksten zeer groot zijn.

Het zal wel samenhangen met de plannen van gereformeerden en hervormden om samen op weg te gaan, dat er tenslotte nog een zekere medewerking was van de zijde van de hervormde synode.

Het gaf wel vertraging en het stelde voor problemen, maar het is veel waard, dat wij één tekst van de belijdenis hebben, al zijn wij daarom nog niet één in belijdenis.

Andere teksten

Maar waarom is er geen overleg geweest met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), die ook met nieuwe teksten bezig zijn? Die vraag is wel gesteld.

In het verslag van de commissie-Dankbaar, dat ook in de uitgave van 1983 voorkomt, wordt van de Chsitelijke Gereformeerde Kerken gezegd, dat zij een tweetal waarnemers zonden, die evenwel van het begin af aan volledig aan de zaak hebben meegewerkt (ds. J.H. Velema werd zelfs secretaris van de commissie). Daarop volgt: „Ook is gepoogd medewerkers van de zijde der Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te krijgen; deze hebben daarin echter niet bewilligd”.

De synode van deze kerken heeft aan een deputaatschap opgedragen de belijdenisgeschriften taalkundig te moderniseren. Dat werk is intussen al ver gevorderd, zodat in een uitgave onder de titel „Van Credo tot Amen” (1981) de meeste teksten in een nieuwe versie voorkomen, hetzij in voorlopige, hetzij in definitieve vorm.

Het is zonder meer jammer, dat deze kerken in dit opzicht een eigen weg zijn gegaan, want er is wel geen verschil met ons ontstaan over de inhoud van de belijdenis, maar wel een verschil in bewoordingen.

Overigens is bij de bewerking van een gemoderniseerde tekst een intensief gebruik gemaakt van de tekst van de commissie-Dankbaar. Zij heeft haar teksten „met grote zorg vervaardigd en zich daarbij nauw aangesloten bij de authentieke teksten”.

Toch wijkt de vrijgemaakte tekst, zoals we die nu maar aanduiden, er dikwijls van af. Zij maakt een iets nieuwere indruk dan de tekst van 1971, die na de revisie die nodig bleek te zijn, in 1983 voor ons ligt.

Veel moderner zijn de teksten van dr. L. Wierenga, die er met assistentie van enkele anderen toe overgegaan is de oude teksten te vertalen in „gebruikelijk Nederlands”. Hij deed dat in „De Heidelbergse Katechismus in het Nederlands van nu” (1978), dat ook aan de redactie van ons blad toegezonden is, en (samen met drs. J. Wiegel) in „De Nederlandse Geloofsbelijdenis in gewoon Nederlands vertaald” (1982).

De synode van deze kerken was van oordeel, dat zij de vertaalmethodiek van Wierenga, die aanvankelijk ook deputaat was, niet moest volgen en dat zij dichter bij de oude tekst moest blijven.

Hoe luidt Zondag 1 van de Catechismus a. in de weergave van de interkerkelijke commissie (uitgave 1983), b. in de taalkundige modernisering van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en c. in de vertaling van dr. L. Wierenga?

a. Vr. Wat is uw enige troost, zowel in leven als in sterven?

Antw. Dat ik met lichaam en ziel zowel in leven als in sterven niet mijzelf toebehoor, maar het eigendom ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus. Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen voldaan en mij uit alle heerschappij van de duivel verlost. Hij waakt met zoveel zorg over mij dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd kan vallen, ja zelfs dat alle dingen mij tot mijn heil moeten dienen.

Daarom verzekert Hij mij ook door zijn Heilige Geest van het eeuwige leven en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven.

b. Vr. Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Antw. Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven, het eigendom ben, niet van mijzelf, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle heerschappij van de duivel verlost.

Hij bewaart mij nu zo, dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja zelfs, dat alles dienen moet tot mijn heil.

Hij verzekert mij daarom ook door zijn Heilige Geest van het eeuwige leven en maakt mij van harte gewillig en bereid om voortaan voor Hem te leven.

c. Is er iets waar je, in leven en sterven, houvast aan hebt?

Ja, m’n enige houvast is Jezus Christus.

Ik weet dat ik met lichaam en ziel zijn eigendom ben.

Hij heeft me met z’n eigen bloed gekocht en betaald, zodat ik geen baas meer ben over mezelf.

Ook de duivel is m’n meester niet meer; want Christus heeft me uit z’n macht bevrijd, door met z’n dood m’n schulden te betalen.

En omdat ik nu van Christus ben, beschermt hij me.

Daarom kan me geen haar gekrenkt worden, als m’n vader in de hemel het niet wil.

Uiteindelijk werkt zelfs alles mee aan m’n redding.

En daarom geeft hij me z’n heilige Geest, als een garantie, dat ik het eeuwige leven in het vooruitzicht heb.

Door z’n Geest zorgt hij er voor, dat ik nú al voor hem wil leven, en dat ook kàn.

Wat is de bedoeling?

Dr. L. Wierenga schrijft in een toelichting: De inhoud van de belijdenisgeschriften moet goed toegankelijk zijn: ze moet worden aangeboden in de taal van de mensen van nú.

Toen de synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) enkele gemoderniseerde teksten had vastgesteld, zei de praeses volgens de Acta: „Het is de belijdenis die nog altijd actueel is en die nu, naar wij hopen, meer dan ooit de komende generatie zal aanspreken”.

De commissie-Dankbaar sprak in 1971 de wens uit: „De bewerking in hedendaags Nederlands moge ertoe bijdragen, dat de gemeente minder vreemd zal staan tegenover deze oude geschriften en dat zij de geestelijke schatten, die erin opgetast liggen, dieper zal verstaan”.

We kunnen ons hierbij aansluiten. Het is in onze kerken zeker geen symptoom van een bedenkelijk streven naar veranderingen en vernieuwingen geweest, dat we meegedaan hebben aan de totstandkoming van een tekst in hedendaags Nederlands.

Ook onder ons is overwogen, dat het Nederlands een levende taal is en dat een taal die leeft, voortdurend verandert. Wij spreken en schrijven niet meer zoals onze voorouders in de zestiende of zeventiende eeuw.

Er zijn in de gangbare uitgaven van het kerkboek al dikwijls veranderingen in woorden en zinswendingen aangebracht om de leesbaarheid te vergroten. Dat ging echter buiten de kerken om. Omdat de belijdenisgeschriften kerkelijke geschriften zijn, behoren de kerken er zelf zorg voor te dragen.

We denken dan eerst aan de handhaving van de belijdenis, want dat is een zaak van levensbelang voor de kerk. Maar met het oog op een goed functioneren van de belijdenis in de kerken, waar het nu en in de toekomst op aankomt, is het ook van grote betekenis, dat zij een niet alleen voor ouderen, maar ook voor jongeren verstaanbare taal spreekt.

Beschikbaarheid van de tekst

Er zal wel vraag zijn naar de tekst die nu mede namens onze kerken gepubliceerd is. Toen er alleen nog maar een voorlopige uitgave van 1971 bestond, werd daar al gebruik van gemaakt op verschillende catechisaties. De voorraad was bij het Kerkelijk Bureau echter uitgeput.

Van de nieuwe uitgave zijn daar nu 1500 exemplaren in handzaam formaat te verkrijgen à f. 5,—, vermeerderd met verzendkosten. In de boekhandel zal er ongeveer het dubbele voor betaald moeten worden.

Het is te hopen, dat er meer dan 1500 boekjes nodig zullen blijken te zijn, want dat zou een teken zijn van belangstelling voor onze oude belijdenis in een nieuw kleed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.