+ Meer informatie

Deputaatschap „Kerk en Onderwijs”

6 minuten leestijd

Oorsprong

Op twee manieren kwam de laatstgehouden generale synode van onze kerken in aanraking met de problematiek rondom het onderwijs.

In de eerste plaats via het rapport van „deputaten voor het kontakt met de kerkjeugd”, waarin werd aangetoond dat de wijze waarop het onderwijs gegeven wordt van beslissende betekenis is voor de vorming van onze jeugd. Bedoelde deputaten signaleerden dat de beinvloeding op de scholen niet nalaat z’n invloed te hebben op de houding van de jongeren ten opzichte van de Bijbel, de kerk en de kerkelijke verenigingen. Deputaten waren van oordeel dat — meer dan ooit — aandacht moet worden gegeven aan de wijze, waarop veel jongeren (zo niet: de meeste) worden gevormd tot volwassenheid. In eerste instantie achtte de synode het niet noodzakelijk dat overgegaan zou worden tot het instellen van een deputaatschap dat zich uitvoerig met de onderwijs-problematiek moest bezighouden.

Daarnaast diende echter tevens een instruktie van de Partikuliere Synode van het Oosten, waarin verontrusting naar voren kwam over de situatie rondom het christelijk onderwijs. En de vraag kwam naar voren of we als kerken wel voldoende attent waren op deze uitermate belangrijke zaak; immers, als we zwijgen wanneer het met het christelijke onderwijs de verkeerde kant opgaat, verzaken we dan niet onze plicht en zijn we niet méé schuldig aan een ontwikkeling, die later de kerken alleen maar schaden kan ?

Zo werd besloten tot het instellen van een deputaatschap „Kerk en Onderwijs”, waarin benoemd werden prof. dr. W. H. Velema, voorzitter; br. L. Pieper, sekretaris; ds. H. Biesma en de brs. D. Koole en J. Vuyk.

Inmiddels heeft de enige „dienstdoende” predikant in dit gezelschap het sekretariaat overgenomen.

Opdracht

Als „Voorlopige Instruktie” werd aan deputaten meegegeven:

a. zich te bezinnen op de roeping die de kerken hebben ten aanzien van het onderwijs;

b. de kerken te instrueren tot het volbrengen van deze roeping;

c. de kerken desgevraagd inzake moeilijkheden bij het volbrengen van hun roeping ten aanzien van het onderwijs van advies te dienen;

d. zo mogelijk kontakten te zoeken en te onderhouden met hen, die in de kerken bij het christelijk onderwijs betrokken zijn.

e. voorts alles te doen wat dient om het geven van christelijk onderwijs aan de jeugd van de gemeente te bevorderen.

Voorts zijn deputaten gerechtigd vanwege de kerken deel te nemen aan besprekingen e.d. die tot doel hebben het onderwijs op grond van Schrift en belijdenis te bevorderen.

Deze instruktie is terecht een „voorlopige” genoemd; ze biedt voldoende ruimte om aan het werk te gaan, waarbij gedacht is aan de noodzaak van „verkenning van het terrein” om daarna naar bevind van zaken te handelen. Uiteraard moesten deputaten — hoewel in het rijke bezit van twee „vakmensen” op dit gebied — zelf eerst aan de hand van deze instruktie een beleidslijn uitstippelen en zich inwerken in de materie, die hun is toevertrouwd. Daaraan zijn dan ook de eerste vergaderingen besteed.

Opzet

Om enigszins aan de opdracht van de synode te kunnen voldoen, is het noodzakelijk iets meer inzicht te hebben in

de achtergronden waaruit en de richting waarin we moeten werken. Aan deputaten staat een „konkrete dienstverlening” aan de kerken voor ogen. En om zo zakelijk mogelijk die dienst te kunnen geven, is het uit de aard der zaak gewenst zoveel mogelijk informatie te hebben over de vraag hoe het met het christelijk onderwijs ter plaatse van de kerken is gesteld.

Het kan namelijk wel gemakkelijk zijn zich te bezinnen op de roeping, die we ten aanzien van het onderwijs hebben en eventueel ook nog wat stimulansen te geven tot het volbrengen van die roeping, maar dat kan pas zinvol zijn als we dat „gericht” kunnen doen. Vandaar dat deputaten in augustus j.1. een vrij uitvoerig schrijven aan de kerkeraden hebben gericht met een peiling betreffende de huidige onderwijs-situatie én met een verzoek om van de zijde van de kerkeraden wat informatie te krijgen over de plaatselijke toestanden betreffende het onderwijs.

Het is bijzonder verheugend dat veel kerkeraden op dit schrijven reageren met een zodanige inhoud dat deputaten als voorlopige konklusie kunnen trekken dat deze zaak goede aandacht in de kerken krijgt. De verwachting bestaat dat nog meer kerken zullen berichten. Zelfs werd door sommige scribae meegedeeld dat in hun gemeente een enquête zal worden ingesteld om zodoende exacte gegevens aan deputaten te kunnen melden.

Overige zaken

Op grond van de binnenkomende bevindingen van kerkeraden zullen deputaten zich in een van de komende vergaderingen nader kunnen beraden op de te volgen werkwijze. Sommige kerkeraden vroegen een advies; andere droegen zoveel materiaal aan dat wellicht ook andere aspekten betreffende het onderwijs aan de orde zullen komen.

Een van de dingen, die zich nú duidelijk beginnen af te tekenen is het onderwijs aan de zgn. „partieel-leerplichtigen”, het beroepsgerichte onderwijs en het werk aan de „vormingsinstituten”. Overigens is dit niet een zaak, waarmee ons deputaatschap alleen te maken heeft; hier ligt een raakvlak met het werk van deputaten kontakt met de kerkjeugd en met deputaten ADMA en uiteraard is onderling overleg en beraad over deze materie gewenst.

Daarnaast ligt dan nog de mogelijkheid en — naar hoe langer hoe meer blijkt — ook de wenselijkheid om kennis te nemen van wat door andere kerken op dit gebied is of wordt ondernomen. Het zou schadelijk en ook onjuist zijn om te doen alsof wij de enige kerk zijn, die op dit terrein wat onderneemt.

Slotopmerking

Dat niet alleen het onderwijs als zodanig, maar ook de wijze waarop het gegeven wordt een uitermate belangrijke zaak is, wordt hoe langer hoe meer duidelijk. Eveneens wordt steeds duidelijker dat er zo hier en daar een meer of minder „geruisloze revolutie” gaande is: op grond van binnengekomen gegevens kan gekonkludeerd worden dat op meer dan één plaats sprake is van een „uitholling-van-binnenuit” wat het eigenlijke karakter van het christelijke onderwijs betreft. Helaas wordt een dergelijke uitholling niet altijd tijdig gesignaleerd. Over het algemeen blijken de ouders niet dié betrokkenheid te hebben bij het onderwijs aan hun kinderen, die gewenst is en die ook in overeenstemming geacht mag worden met de afgelegde doopbelofte. Het zal niet de eerste taak zijn voor de kerkeraden om dan de verantwoordelijkheid van de ouders maar over te nemen; maar wél om juist in de gezinnen, op huisbezoeken, en op gemeentevergaderingen/wijkavonden deze zaak ter sprake te brengen.

Vervolg:

Deputaatschap „Kerk en Onderwijs”

Naarmate de toekomst van de kerk ons ter harte gaat, zal juist aan dit punt de aandacht worden geschonken. Zo ooit, dan geldt hïér : „let op uw saeck” !

„We moeten ons verzekeren van de medewerking van onderwijzers en leraren in de scholen en aan de universiteiten … om zó een bepaalde geestesgesteldheid in de gedachtegangen van de jeugd op te roepen” zei Lenin, in het begin van deze eeuw.

In onze jaren schijnt hij gelijk te krijgen niet alleen, maar lijkt het hem te gelukken ook.

Aan ons als ambtsdragers de taak om zó waakzaam te zijn en te werken dat er een geslacht opgroeit dat Gods werken niét vergeet en dat zijn geboden wél bewaart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.