+ Meer informatie

Genesis 2 en 3

5 minuten leestijd

3

Prof. Oosterhoff vertelt ons in hoofdstuk II: Verschillende opvattingen, dat er over Gen. 2 en 3 steeds verschillende opvattingen hebben bestaan. Lange tijd heeft de letterlijke opvatting de overhand gehad, waarbij dus alles of vrijwel alles wat ons in Gen. 2 en 3 wordt verhaald, letterlijk wordt opgevat als een trouwe weergave van wat eens aan het begin van de mensheidsgeschiedenis werkelijk heeft plaats gehad. Het paradijs heeft in letterlijke zin eens ergens ten oosten van Palestina op onze aarde bestaan. De boom des levens en de boom der kennis des goeds en des kwaads zijn werkelijke bomen geweest. Het verbod van God aan de mens om van laatstgenoemde boom te eten is letterlijk zo gegeven. De vrouw is werkelijk door God uit de rib van Adam geschapen. De slang is een werkelijk dier geweest en heeft inderdaad gesproken met verstaanbare woorden, enz. Het bovenstaande ontlenen we letterlijk aan het werk van de hoogleraar. We geven hem nog even het woord:

„Na de reformatie werd zij (de letterlijke opvatting) gehuldigd door vrijwel alle lutherse en gereformeerde theologen en we vinden haar terug in de belijdenisgeschriften zowel van de lutherse als van de gereformeerde kerken. En ook wanneer anderen van standpunt veranderen, blijft de gereformeerde theologie de letterlijke opvatting van Gen. 2 en 3 trouw en is ze bv. verdedigd door Kuyper en Bavinck.

De gereformeerde synode van Assen heeft in 1926 in haar strijd met Geelkerken ook voor deze opvatting pal gestaan.

Geelkerken twijfelde niet aan de feiten, die ons in Gen. 2 en 3 worden meegedeeld, zoals de staat der rechtheid, de satanische verzoeking, de overtreding van het gebod des levens, de goddelijke vloek en de verdrijving uit het paradijs, maar hij wilde ruimte laten voor een exegese, waarbij de wijze waarop deze feiten worden meegedeeld niet letterlijk genomen wordt.”

Prof. Oosterhoff vindt het opmerkelijk, dat bij de letterlijke opvatting van Gen. 2 en 3 niet elk onderdeel van de hoofdstukken steeds letterlijk wordt verstaan. Blijkbaar wordt het ene wel en het andere niet letterlijk genomen. Hij wijst er dan op, dat de Kanttekenaren op de Statenvertaling van de mededeling in Gen. 2: 7, dat God de mens de adem des levens inblaast in diens neusgaten zeggen, dat dit menselijker wijze van God gesproken wordt. Verder wijst de hoogleraar er op, dat prof. Dr. G. C. Aalders, die in zijn boeken de letterlijke en historische opvatting van Gen. 2 en 3 verdedigt, ervan zegt, dat dit niet te zeer op grof-zinnelijke wijze moet worden verstaan alsof God in een levenloos lichaam door middel van de neusgaten iets van Zijn eigen adem inblies. We zullen volgens hem de uitdrukking wel zo moeten opvatten „dat de levensadem van de mens aan een rechtstreekse inwerking Gods te danken is.”

Volledigheidshalve halen we nu aan, wat prof. Oosterhoff verder van prof. Aalders zegt:

„Ergens anders zegt hij, dat we in genoemde woorden „ongetwijfeld een menschvormige (anthropomorphe) wijze van spreken moeten zien”. Verder zegt hij daar ook, dat het inblazen van de adem door God in de neusgaten van de mens moet worden verstaan in deze zin, dat de levensadem van de mens aan een rechtstreekse inwerking van God te danken is. ^

Evenmin meent Aalders, dat het volstrekt nodig is om aan het formeren van de mens uit het stof der aarde (of zoals Aalders wil: als het stof der aarde) „de voorstelling te verbinden van de vervaardiging van een soort kleipop, maar met meer waarschijnlijkheid mogen deze woorden aldus worden verstaan, dat het menselijk lichaam geheel en al is opgebouwd uit soortgelijke bestanddelen als wij in den bodem van onze aarde aantreffen”.”

Waar het in Gen. 2: 7 om gaat is in feite de vraag, of we letterlijk moeten verstaan, wat de Schrift hier zegt of niet. We menen, dat we daar van harte ja op kunnen en moeten zeggen. Op een voor ons verstaanbare wijze drukt God Zelf uit wat Hij bij de schepping van de mens gedaan heeft. Als de Heere dat op een andere wijze zou hebben medegedeeld zou het boven ons bevattingsvermogen zijn uitgegaan. Dat doet niets af aan de noodzaak om letterlijk te nemen wat de Heere ons op deze wijze openbaart.

Calvijn geeft in zijn commentaar ook een verklaring van Gen. 2: 7. We vinden daarin niets, wat ons tot de gedachte moet brengen, dat een letterlijke opvatting niet juist zou zijn. De Schrift spreekt op vele plaatsen over wat de Heere doet op een voor ons begrijpelijke wijze. Maar wat de Heere zo openbaart moeten we letterlijk nemen. We denken onwillekeurig aan wat Asaf in Psalm 73 zegt: Gij hebt mijn rechterhand gevat enz. Dat heeft Asaf verstaan en werkelijk beseft. Dat was voor hem letterlijk waar. Er zijn nog kinderen Gods, die Asaf kunnen verstaan en van harte met hem instemmen. Dan is het realiteit in hun leven, maar niet op een beperkt menselijke, maar op een volmaakt goddelijke wijze.

We kunnen dit voorbeeld met vele andere voorbeelden aanvullen. Welk een troost ligt er voor Gods kinderen in, dat Hij hen aangordt met kracht en ondersteunt, dat Hij de nedergebogenen opricht, dat Hij in vrijheid stelt, dat Hij spreekt enz. Dat is alles letterlijk waar. Zo staat het in Gods Woord en zo is het werkelijk.

Als we dat proberen te ontleden, als we trachten ons een voorstelling te maken van de wijze, waarop God dat doet, dan gaan we over God en Zijn werk op menselijke wijze denken en dan houden we noch God noch Zijn werk over.

De Heere is aanbiddelijk en Zijn doen enkel majesteit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.