+ Meer informatie

„DOORDENKEN OVER EEN VRAAG”

5 minuten leestijd

In het „Diaconaal Correspondentieblad” voor de Gereformeerde kerken werd onlangs een vraag gesteld en beantwoord, die ook in de kring van christelijke gereformeerde diakonieën geregeld aan de orde komt. Het ging hierom: Een diakonie te X. constateerde voortdurend te worden geconfronteerd met de aanwezigheid van televisie, radiotoestellen, bromfietsen en zelfs auto’s in gezinnen die om diakonale bijstand vragen. In sommige gevallen zijn er redenen, die het bezit van dergelijke zaken aanvaardbaar maken, zoals de omstandigheid, dat een gehandicapte, aan huis gebondene, eenzame beschikt over een van de moderne communicatiemiddelen, dan wel dat bromfiets of auto worden gebruikt voor ziekenbezoek, vervoer van een invalide of iets dergelijks. In andere gevallen echter treft men de vermelde zaken aan bij het eerste bezoek, zonder meer als restanten uit een pas-voorbije periode van betere welstand. Vooral, wanneer van dit laatste sprake is, zo schrijft de vragende diakonie, komen er spanningen: Moet je nu zeggen: Maak eerst die „luxe-artikelen” maar te gelde of accepteer je de hele inventaris als „gegeven” en kan de gevraagde bijstand worden verleend, zo er van actuele nood sprake is …

Het antwoord op de vraag maant tot grote voorzichtigheid en beoordeling van de situatie van-geval-tot-geval. Een bepaald toestel kan voor iemand, die aan bed of stoel gebonden is, bijna nooit bezoek krijgt en moeilijk leest een uitkomst zijn. Het is voor zo iemand net die ene band met de buitenwereld, die hem nog overblijft. Hetzelfde toestel wordt echter voor de alleenwonende, die veel vriendinnen heeft en net zo dikwijls op visite kan gaan als ze zelf maar wil tot de „luxe” gerekend. En voor de vervoermiddelen geldt iets dergelijks: een auto, die een invalide in staat stelt toch nog in zijn onderhoud te voorzien zou men als diakonie kunnen financieren, maar een wagen, die er alleen maar is omdat hij er vroeger ook was en die in florissanter dagen uitsluitend voor het genoegen werd gebruikt, mag zonder reserve als overbodig worden gezien. De slotsom, de „vuistregel”, luidt: „Een belangrijk aspect dat bij iedere beoordeling moet worden in het geding gebracht is het feit, dat de diakonie geld beheert van de gemeente, die erop vertrouwt dat haar offer op verantwoorde wijze wordt besteed en dienstbaar gemaakt aan behoeftige gemeenteleden.

Voor ons gevoel geeft dit antwoord een bruikbare richtlijn voor een aantal concrete gevallen, doch laat het de vragende diakonie principieel gezien toch nog ergens in de mist. Want zo goed als zeker vloeide alleen het stellen van deze vraag al voort uit het besef, dat men verantwoord wilde omgaan met het gemeente-offer. Doch even zeker tobt deze diakonie, als zovelen, met het probleem: Wat is „verantwoord” en wat is „behoeftig”.

Juist op deze punten ontstaan immers de misverstanden. Er zijn nog legio gemeenteleden, die zich ergeren wanneer ze horen — en trots alle ambtsgeheimenis weet in de gemeente de linkerhand tòch altijd wat de rechter doet —, dat een diakonie geld brengt in een gezin, waar men wel eens een autoped op luchtbanden voor de deur heeft zien staan. Er zijn nog legio gemeenteleden — en ambtsdragers — die menen, dat een zichtbare sjofelheid de „behoeftige” moet tekenen en dat barmhartigheid slechts dient om het water nèt onder de bovenkant van de onderlip te houden. Er zijn nog legio gemeenteleden, die koel vaststellen, dat bijvoorbeeld iemand die plotseling weduwe wordt materieel gesproken enkele sporten op de maatschappelijke ladder terug moet gaan, omdat nu eenmaal niet alleen de levenspartner en levens-steun, maar ook de „broodwinner” is komen te vallen.

Over het wezen van de christelijke barmhartigheid zal nog veel moeten worden nagedacht. Niet alleen in de kring der diakonieën, maar ook in de gemeenten. En bij de meningsvorming over deze zaak behoort te worden gestreefd naar inzicht in het speciale van „christelijke” barmhartigheid, ook in materiële zin. Dat speciale zit hierin: Christelijke barmhartigheid, kan, naar haar aard, minder gebonden zijn aan objectieve massa-normen dan bijvoorbeeld overheids-steun. Christelijke barmhartigheid mag een meer-persoonlijke handreiking zijn van broeders en zusters, die hun behoeftige mede-broeder of zuster kennen in zijn of haar bijzondere omstandigheden. Een handreiking van broeders of zusters, die vooral niet willen, dat die ander achter-zou-blijven of achter-zou raken als gevolg van een bepaalde calamiteit. Een handreiking ook van broeders en zusters, die zichzelf kennen en die van zichzelf weten hoezeer het hun pijn zou doen als gevolg van allerlei omstandigheden zichtbaar een minimum-bestaan te moeten leiden te midden van de gemeenschap, waarin zij verkeren. Christelijke barmhartigheid moet zoveel mogelijk in zich dragen van de unieke relatie, die er ook is tussen God en de enkele mens. Zij het dan ook vol van zondig falen, dient de gemeente er toch naar te streven tot in de finesses te weten, wat die en die broeder, die en die zuster, in zijn of haar unieke situatie bijzonderlijk behoeft. Aan een dergelijke „omgangsvorm” met de „behoeftigen” zullen we als gemeenten moeten wennen.

Langs deze lijn geredeneerd worden „behoefte” en „verantwoorde vervulling van de behoefte” zeer variabele zaken. In deze gedachtengang ligt de „norm” ten opzichte van elke mede-broeder of -zuster, ten opzichte van elk gezin, weer anders. Maar in deze sfeer van liefdevolle benadering geeft een gedifferentieerde behandeling ook minder aanleiding tot kritiek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.