+ Meer informatie

EEN ZOUTPILAAR

4 minuten leestijd

„En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zout-, pilaar". Gen. 19 : 26.

De namen der groten worden weggevaagd uit de herinnering van ons geslacht. Zij gaan onder in de zee der vergetelheid. Zij worden bedolven onder het stof der eeuwen. Slechts een enkele geleerde gedenkt hunner. Maar in de Schrift vindt men de naam van een eenvoudige vrouw, die niet vergeten wordt. Zij was geen grote naar de wereld, en toch büjft haar herinnering voortleven door de band der liefde, die haar snoerde „aan de Christus Gods. \

Deze vrouw was Maria, die Jezus gezalfd heeft, en die tot het eind der eeuwen als een voorbeeld is gesteld. Immers waar de naam van Christus genoemd wordt, daar kan men haar niet vergeten. De naam des rechtvaardigen zal bestaan.

Naast haar wordt nog een andere vrouw, uit een gans ander oogpunt door de Heere Jezus Christus als een voorbeeld aangewezen. Toen de Zaligmaker de komst van Zijn koninkrijk beschreef, en de laatste tijden schilderde, greep Hij de geschiedenis van de Zondvloed en Sodoms ondergang als beeld van die komende dag, waarop Hij opnieuw geopenbaard worden zal.

Die komst zal onverwachts zijn, want het teken van de Zoon des mensen verschijnt plotseling. En om dan de vermaning aan ernst te doen winnen, voegt de Heere er aan toe: „Gedenkt aan de vrouw van Lot".

Ook zij moet in gedachtenis blijven. Wel niet als een voorbeeld van ongeveinsde liefde tot Jezus, maar tot een waarschuwing, opdat wij gedurig zullen bedenken wat tot onze vrede dienen kan.

Wij worden op haar gewezen, om ons te vermanen dat er een waarachtig Godswerk in ons moet zijn. Want al waren haar voorrechten groot, dat zij getrouwd was met een godvrezende man, en dat zij het woord van Lot niet wegwierp gelijk hare zonen deden. Ja al zette zij haar voet op de weg van Sodom naar Zoar, in haar hart was zij aan Sodom gebonden. Haar voeten gingen verder dan haar hart. Immers Lot moest voorwaarts, want des Heeren toorn werd ingehouden, totdat Zijn uitverkorene behouden was. Zie eens mijn vrienden, hoe de Heere voor Zijn volk zorgt. Dat juist moet ons aansporen om de Heere te zoeken, ook vooral in de dagen van onze jeugd. Hoe groot is het wonder, dat een verloren zondaar behouden worden kan van de toorn Gods. En dat alleen omdat Jezus Christus die voor Zijn volk gedragen, ja weggedragen heeft. Ook Lot heeft geen behoudenis in zichzelf kunnen vinden, maar alleen door het geloof in die dierbare Zaligmaker.

Maar zijn vrouw heeft het gebod des Heeren overtreden. De Heere had toch gezegd: „Zie niet achtrr om, en sta niet stil". Zij had Sodom wel verlaten, maar er niet mee gebroken. Haar hart bleef hangen aan de dingen die zij schijnbaar ontvlood. Door haar vlucht nam zij de schijn aan van geloof in Gods woord. Maar helaas, zij bleef vastklemmen aan Sodom. Haar spoed verminderde, haar ijver vertraagde, haar knieën werden slap en zij bleef staan en zag om. In die overtreding ligt haar belijdenis, dat zij Sodom verkoos boven het behoud door de levende God. Zij is, als Sodom zelf, een getuigenis voor alle eeuwen. Haar voorbeeld moet ons aansporen tot ernstig zelfonderzoek. Ja ons gebed tot God opdat wij ons toetsen en louteren, opdat wij met geen ingebeelde zaligheid zouden verloren gaan. O, hoe ver kan het met een onwedergeboren mens gaan. Vluchten uit Sodom, met Gods volk een eindweegs ver, en toch verzwolgen worden door het oordeel Gods.

Op het ogenblik toen zij om zag, had de stroom ook haar bereikt en zij werd een zoutpilaar. Ook zij kwam om met de steden der zonde. O, zie eens hoe het op waarheid in het binnenste aankomt. De noodzakelijkheid der wedergeboorte komt hier duidelijk naar voren, want de wortel der zaak moet toch in ons gewerkt zijn. Lot's vrouw miste twee zaken, die wij alle van nature missen, namelijk, de afsnijding van Adam, en de inplanting in Jezus Christus door het zaligmakende geloof. Dat zulks door Gods Geest in ons hart gewerkt mocht worden, en dat wij ons toch niet op het uiterlijke verlaten, want dan staat de vrouw van Lot als een teken van het halve werk der bekering. Maar tot troost van al Gods volk, die menigmaal zwaar geschud en bestreden worden, heeft Asaf betuigd: „Gij hebt mijn rechterhand gevat, Gij zult mij leiden naar Uw raad, en daarna opnemen in heerlijkheid." Dan zullen zij in weerwil van alle nood, angst en bezwaren veilig aankomen in het Zoar der behoudenis om God daar eeuwig te loven en te prijzen, om die vrije gunst die eeuwig Hem bewoog.

Ds. A. VERHAGEN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.