+ Meer informatie

Uit een dagboek

3 minuten leestijd

8

’k Heb net gelezen Romeinen 7.

Wat beschrijft de lieve apostel Paulus dat geloof toch dierbaar. Het heeft mijn ziel verkwikt. Het goede, dat ik wil, dat doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Die lieve Paulus, wat had hij het goed van de hemel geleerd. Ik moest het hem nastamelen. O, die zonde, die zonde! Maar aan de andere kant, die lieve Middelaar, Die het volkomen volbracht heeft en zo volbracht, als hadden we nooit zonde gedaan.

Och, ik kan me hier soms ziek wenen over de zonden, als ze zo’n pijn kunnen doen. Wat hebben ze Hem gekost, die lieve Middelaar.

Maar nu is er door Hem een vrije toegang tot de troon der genade.

Soms kan ik voor mijzelf schrikken, als ik eens een ogenblik de ruimte mag zien in dat volbrachte werk en mag zien dat door Hem de Vader geen zonde meer ziet in Zijn Jakob, en geen overtreding in Zijn Israël; dan nooit te slecht voor dat dierbaar bloed!

Dan denk ik wel eens: ik denk toch niet te ruim? En word ik er van binnen mee aangevallen.

Maar zo dikwijls ga ik dood en dor over de aarde, geen ogen om te zien en oren om te horen, een hard hart en dat is het ergste dat er is. O, kon ik de Heere eens grootmaken en prijzen om dat grote werk, dat Hij gewrocht heeft, dat Hij een weg heeft uitgedacht om zondaren — waar ik de voornaamste van ben — zalig te maken.

Straks zullen we er van zingen: Door U, door U alleen, om dat eeuwig welbehagen.

O, de engelen zijn begerig om in dat wonder in te zien, maar dat kunnen ze niet, want zij zijn niet gevallen. Daar kunnen alleen de verlosten, de gekochten van zingen, eeuwig zingen, eeuwig buigen en eeuwig bewonderen. Het Lam, Dat geslacht is, is waard te ontvangen alle eer, lof en aanbidding.


’k Zal dan gedurig bij U zijn,
In al mijn noden angst en pijn.
U al mijn liefde waardig schatten,
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.


Wat voel ik me een vreemdeling hier op aarde. Gisteren heeft de Heere mijn ziel verkwikt en weer opgericht in Zijn bedehuis na een lange tijd. Ik liep zo ellendig over de wereld. O, wie en wat is de mens, dat Gij zijner nog gedenkt!

Maar gisteren verscheen Hij zo lieflijk en dierbaar onder het preken in mijn ziel. Ik mocht al mijn zonden en ellende op Hem werpen, en ik kreeg Hem te zien in Zijn grote liefde. Ik kan het niet schrijven hoe het was, mijn pen is te arm, maar ik kreeg verlangen om eeuwig bij Hem te zijn. Verlost van mijzelf, dat is van het grootste kwaad, om dan eeuwig dat lieve Lam te bedoelen, Die ook mij, de snoodste en ellendigste, gekocht heeft en gewassen en gereinigd in dat dierbare bloed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.