+ Meer informatie

Wie God bewaart, is welbewaard.

5 minuten leestijd

„Mijn God heeft Zijnen Engel gezonden en Hij heeft de muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is, ook heb ik, o Koning! tegen U geen misdaad gedaan." Dan. 6 : 23.

We lezen in Daniël 6 hoe koning Darius een bevelschrift uitvaardigde, waarin vermeld stond, dat degene, die het waagde in 30 dagen een bede te richten tot enig God of mens, behalve tot de koning, onherroepelijk in de kuil der leeuwen geworpen zou worden.

Ja, in die strafplaats der misdadigers waar gewisselijk een ieder sterven zou.

Welk een bedreiging! Welk een straf, doch ook welk een bevel!

Zo kwam dit ook Daniël en zijn vrienden ten gehore.

Wie nu de geschiedenis van Daniël kent, weet, dat alhoewel Daniël een hoge rang aan het hof van koning Darius bekleedde, hij nochtans in zijn huis (dat zeker wel heel voornaam ingericht moet zijn) een plaats had, waar hij op gezette tijden zijn knieën boog om zijn hart voor de God des Hemels uit te storten.

Daar knielde hij neer voor de open vensteren, die naar Jeruzalem uitzagen. Bij het vernemen van het door de koning uitgevaardigde edict, voelde Daniël wel dat het op zijn ondergang was toegelegd. Zou hij naar cie koning gaan om te vragen of dat bevel niet enigszins gewijzigd kon worden?

Doch neen! Ziet, Daniël, hij gaat in zijn huis, om daar bij de open vensteren deze zaak voor de Heere neer te leggen. De open vensteren, hoe wijzen deze op de kracht des geloofs en de grond van zijn gebed.

Immers door die vensteren zag hij naar Jeruzalem, waar onder de schaduwdienst Christus en Zijn offer werd voorgesteld.

Hij voelde de schuld van zichzelf en die van het volk maar mocht door geloof en gebed een oog slaan op Christus, het Lamme Gods, Die eenmaal komen zou om verzoening teweeg te brengen. Christus was het voorwerp zijns geloofs en Diens offer de grond van zijn gebed. Is dat niet noodzakelijk voor het ware gebed?

Neen, Daniëls gebed was geen revolutie, doch hij mocht beoefenen hetgeen geschreven staat: „Gij zult Gode meer gehoorzaam zijn dan mensen."

Mijne lezers, mocht dit ook meer in deze tijd gevonden worden.

Hoe onmisbaar zijn voor een ieder onzer die open vensters naar het hemelse Jeruzalem, waar Christus is, zittende aan des Vaders rechterhand. Dit bidvertrek werd voor Daniël zeer zeker een Moria, een berg van beproeving.

Zo is Daniël dan ongehoorzaam aan het koninklijk bevel! Met welk een spanning zullen zijn vijanden dit gadegeslagen hebben en hoe zal hun hart van vreugde geklopt hebben, toen zij de koning konden vertellen, dat ze werkelijk iemand gevonden hadden, die zich aan des konings gebod niet gestoord had!

Met opzet noemen zij niet het ambt van Daniël, maar spreken over hem als de balling, als de Jood, die zijn Joodse godsdienst durft te stellen boven het bevel des konings.

Immers voor een Joodse balling behoefde geen gratie gebruikt te worden.

Zo namen ze dan met innerlijk leedvermaak deze Daniël gevangen en wierpen hem in de kuil der leeuwen. Hoe groot was de ontsteltenis van de koning toen hij vernam wie ze hiertoe gevangen hadden!

Zo ging hij dan ook na een slapeloze nacht naar de plaats des gerichts. Hoe had de koning Daniël toegeroepen: „Uw God, Die gij geduriglijk eert, die verlosse u". Doch zou dat nu ook gebeuren? Zijn onrust werd steeds groter. Zou die God werkelijk Daniël kunnen verlossen uit deze moordende kuil?

Doch daar klonk vanuit de diepte Daniëls stem, die sprak: „Mijn God heeft Zijn Engel gezonden en Hij heeft de muil der leeuwen toegesloten."

Zie eens de bewarende hand des Heeren omtrent Zijn knecht!

De leeuwenkuil werd voor Daniël een paradijs. Hij mocht daar in zulk een nauwe gemeenschap met de Heere verkeren, Die zo kennelijk de muil der leeuwen toesloot.

O, dat wij het toch maar meer op de Heere mochten wagen. Dan zullen we nimmer beschaamd uitkomen en Zijn wonderen leren bewonderen. Daniëls God, Hij zorgt en waakt nog voor de Zijnen.

Let eens op het grote verschil tussen Daniël en Zijn beschuldigers. Toen zij voor hun straf in de leeuwenkuil, waar Daniël weer uitgehaald was, geworpen wer-

den, zowel met vrouwen en kinderen, wierpen de leeuwen zich terstond op hen en met tand en klauw werden hunne lichamen uiteengereten, ja, zelfs hun beenderen verbrijzeld.

Het was dezelfde kuil, dezelfde bloeddorstige dieren als bij Daniël, doch bij hen ontbreekt de Engel des Heeren, die voor Daniël de muil der leeuwen had toegesloten.

Hij, die liever met de Heere in de kuil daalde, dan zonder de Heere de troon der ere te beklimmen, stond onder de hoede des Almachtigen. Zijn machtig arm beschermt de vromen en redt hun zielen van de dood.

Mijne vrienden, leerde de Heere ons door Zijn genade in iedere nood op Hem te zien, in alle gevaren van Hem alleen redding te verwachten. Dan ook zullen wij ervaren, dat de Heere redt en bewaart en geen macht ter wereld in staat is die macht te verijdelen.

Immers:

Hij, die op Gods bescherming wacht, Wordt door de Hoogste Koning Beveiligd in de duist're nacht, Beschaduwd in Gods woning.

Ds. A. VERHAGEN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.