+ Meer informatie

DE VROUW NAAST DE AMBTSDRAGER

7 minuten leestijd

Met de vrouw in de titel is bedoeld de echtgenote van de ambtsdrager: dominee, diaken of ouderling. Er staat in de titel niet van en niet achter, maar naast. We bedoelen ermee dat zij met hem meeleeft en dat hij zijn werk met haar deelt, voorzover dat zijn ambtsgeheim niet schendt en haar kracht niet te boven gaat.

Man en vrouw zijn één, hoorde ik in mijn jeugd vaak zeggen. Het is wel opmerkelijk dat deze uitspraak in onze tijd veel minder wordt gehoord. Ik wil er niet mee zeggen, dat ze niet meer geldt. Ik denk wel dat deze uitspraak hier en daar op kritiek stuit. Er zullen vrouwen (en mannen) zijn, die haar te opdringerig vinden. Er wordt dan te weinig recht gedaan aan de zelfstandigheid en (een zekere mate van) onafhankelijkheid van de vrouw.

Het is niet de bedoeling van dit artikel op dat probleem dieper in te gaan. Het is een interessant onderwerp. Het is ook een uitermate belangrijk thema.

Nu gaat het er vooral om te benadrukken hoezeer de ambtsdrager de steun van zijn vrouw nodig heeft. Ja, laat ik het zo zeggen. Hij heeft haar steun nodig. Hij moet weten dat zijn vrouw naast hem staat in de tijd die hij eraan moet besteden. Dat ze hem voor dat werk afstaat. Hij moet na een moeilijk bezoek of na een vermoeiende vergadering bij haar kunnen uitrusten. Niet dat hij het hele gesprek, dat die avond werd gevoerd, moet vertellen. Er zijn dingen die hij voor zichzelf moet houden. Hij mag er eenvoudig niet over spreken. De zaken zijn hèm verteld. Ze zijn niet aan zijn vrouw verteld.

Wel moet hij wat van de sfeer en van de (in)spanning kwijt kunnen, zonder dat zij meer vraagt dan wat hij vertellen mag. Hij moet zijn vreugde kunnen uiten, maar ook zijn frustratie of depressie na een moeilijk gesprek of een psychisch belastende vergadering. Als hij de deur uit gaat, moet ze hem niet afgemeten, met een zuur gezicht, groeten in de geest van: alweer een avond weg, alweer alleen, of niet dat uitje dat ik zo graag vanavond had meegemaakt.

Ik heb het steeds over haar; een lezer denkt misschien wel: tegen haar. Dat is niet mijn bedoeling. De echtgenote van een ambtsdrager zal het leven van haar man willen delen. Dat komt in de letterlijke zin van het woord erop neer dat zij haar leven met hem wil delen; een deel ervan ook aan zijn ambtelijke werk wil geven, al was het alleen maar door hem blijmoedig af te staan.

En als ze dat nu niet kan? Of niet wil? Een niet gering probleem. Ik kan me indenken - hoe verdrietig het ook is - dat een man dan zijn roeping door de gemeente en van Gods wege niet aanvaardt. Een vrouw die haar man zo in de weg staat, neemt een geweldige verantwoordelijkheid op zich. Zij beneemt haar man de dienst in Christus’ kerk. Zij beneemt zichzelf de vreugde van de dienst die zij via de steun aan haar man kan leveren aan Christus’ gemeente.

Wie karig zaait, zal karig oogsten. Wie helemaal niet zaait, zal helemaal niet oogsten. Het kan hard klinken: een man die zijn vrouw echt tegen heeft, kan geen ambtsdrager zijn. Zo is het toch. Hij heeft immers thuis al weerstand moeten overwinnen, of zelfs een twist achter de rug, voordat hij aan het werk in de gemeente begint. Dat gaat niet goed. Hoe pijnlijk zo’n situatie ook is, ze zal in vertrouwen toch aan een predikant of aan het moderamen van de kerkeraad gezegd moeten worden.

Het werpt meestal weinig nut af, als zo’n vrouw dan ambtelijk vermaand wordt. Het kan nodig zijn. Noodzakelijk is een innerlijke verandering, waardoor zo’n vrouw zich geeft aan de Heere en aan Zijn Kerk. Dan heeft ze haar man ook voor dat werk over. Het is een zegen als man en vrouw samen in de dienst van de Heere en van Zijn Kerk willen staan. Dat samen betekent ook dat zijn vrouw op haar wijze meewerkt aan het gemeenteleven, niet alleen door middel van wat haar man doet; ook met haar eigen kracht. Een man, iedere ambtsdrager, moet daarvoor ruimte maken in zijn agenda. Hij moet minstens een avond per week thuis zijn om zijn vrouw de gelegenheid te geven aan het gemeenteleven haar krachten te geven (als ze dat wil). Ik weet dat deze zinnen door sommigen sceptisch zullen worden gelezen. Waar halen we de tijd vandaan? Is het al niet genoeg dat de man ambtsdrager is? Juist dat allebei naar eigen aard en aanleg wat doen, bevordert een heilzame wisselwerking en wederzijdse steun. Vandaar ook: de vrouw naast de ambtsdrager.

Voor een predikantsvrouw is dit alles nog inspannender en intensiever dan voor de vrouw van een diaken of een ouderling. Ik heb daarover geschreven in mijn boekje ‘De pastorie - huis van de gemeente?’ (Kok Voorhoeve, Kampen 1990). Daar tekende ik vijf typen predikantsvrouwen, terwijl ik de lezer uitnodigde om zelf het zesde type, dat van zijn vrouw of van de vrouw van zijn of haar predikant te portretteren. Ik zal die typeringen hier niet herhalen.

Wel wil ik zeggen dat ik begrijp hoe belastend het kerkwerk kan zijn voor de echtgenote en het gezin van een ambtsdrager. Daaraan wil ik tegelijk toevoegen, dat het een voorrecht is als een vrouw wil meedenken, meeleven en meebidden.

Ze kan niet in alles delen noch van alles iets afweten, maar wat ze weten mag en wat ze weten wil, kan heel veel betekenen voor haar man. Dat hij zich gesteund, gestimuleerd en opgevangen weet in moeilijke momenten, is voor hem niet minder dan een zegen. Dat ze soms samen een bezoekje brengen in de wijk, het bejaardenhuis of het verpleeghuis, betekent samen met de ander en op gepaste wijzer over de ander kunnen praten; ook samen voor de ander bidden.

Een man kan van zijn vrouw ook raad krijgen: loop niet te hard van stapel. Ga daar toch eens naar toe. Je moet wat meer luisteren en wat minder praten; je moet niet zo lang blijven plakken, of juist niet zo gehaast zijn. Als je als man en vrouw het leven samen deelt, zal dat in het ambtelijke werk ook gebeuren. Nogmaals, zonder de grenzen van de geboden vertrouwelijkheid en van het ambtsgeheim te overschrijden.

Wat merk je het aan een ouderling of zijn vrouw hem alleen laat staan. Wat merk je het in een gemeente of de predikantsvrouw van harte meedoet. Wat voel je het of de echtgenote van de diaken ook eens komt, waar haar man moet zijn.

Wat zal ik nog meer schrijven? Het zou allemaal zo moralistisch, zo betweterig kunnen overkomen. Ik hoop dat de lezer, in dit geval man en vrouw, er een uitnodiging in gehoord heeft. Een hartelijke oproep om elkaar ook in dit deel van uw leven tot steun te zijn; met elkaar mee te leven, elkaar te helpen - tot het grote doel, de opbouw van de gemeente. De een doet het als ambtsdrager. De ander doet het door naast haar man te staan en zelf ook actief lid van de gemeente te zijn. Het is alles genade!

De keerzijde is, dat een man, die zijn vrouw niet mee heeft in dit werk, een gehandicapte ambtsdrager is. Er zijn gradaties in een handicap. Zo ook in de wijze waarop een vrouw niet meewerkt. De ergste, zwaarste handicap is, dat ze tegenwerkt.

Misschien hebt u er samen nooit aan gedacht dat dit werk op uw weg zou komen, toen u op uw trouwdag knielde in de kerk. Toch heeft wat u toen samen beloofde, alles te maken met het werk waartoe God uw man riep en zo ook u riep.

Het is mogelijk dat er echtparen zijn, die toch wat tegen het bovenstaande willen inbrengen. Laat mij uw overwegingen contra weten. Dan kan ik erop ingaan. Ik schreef niet over de ambtsdragers wier vrouw is overleden. Ik denk wel aan hen. Sommigen ken ik persoonlijk. Hun ambtelijk werk wordt niet meer door het meedragen van hun geliefde verlicht. Hun verzwaarde taak kan niettemin een verlichting brengen bij mensen, wier wijkouderling of diaken zij zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.