+ Meer informatie

Bergen en dalen: Sporen van de zondvloed?

9 minuten leestijd

Een aantal jaren heb ik in West-Canada gewoond en met vrienden en familie heb ik door de Rocky Mountains gedwaald. De Rockies met hun gletsjers, watervallen, snelstromende rivieren, naaldboombossen en de geweldige verscheidenheid aan wild. Bergketens die als door een reuzenhand in een bepaalde richting zijn geduwd; gletsjers die hun weg uitslijpen in de harde rots; turkooisblauwe meren waarvan de kleur je onwaarschijnlijk voorkomt. Bij ieder bezoek aan "de Rockies" moet ik denken aan Jesaja 40: "Die de bergen weegt in een waag en de heuvelen in een weegschaal; de Libanon (en ook de Rocky Mountains) is niet genoegzaam om te branden en zijn gedierte is niet genoegzaam ten brandoffer. Met wie dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen?"

's Avonds op een camping: het gemurmel van een rivier op de achtergrond, het gehuil van wat wolven ver weg en dan de blik naar omhoog: „Heft uw ogen op, omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heer voortbrengt. Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, er wordt er niet een gemist." Eén van de vaste punten die ik bij mijn bezoek aan de "Roekies" aandoe is Johnston Canyon. Het is een diep uitgeslepen rivierbedding die, ergens hoog op de berg beginnend, naar beneden loopt. De rivier stort zich op twee plaatsen naar beneden: de onderste en de bovenste watervallen. Langs de canyon is een wandelpad aangelegd dat je in een halfuur bij de "lower falls" en in een uur bij de "upper falls" brengt. Vooral in het voorjaar, bij het smelten van de sneeuw, dreunt de rivier naar beneden en bij de watervallen kun je je slechts schreeuwend verstaanbaar maken. Ik ben er ook 's winters geweest. Doordat je je weg door de sneeuw moet banen, duurt de klimpartij dan twee maal zo lang. Je bevindt je in een wereld van stilte. De rivier is bevroren en de watervallen zijn verstard in een met pasteltinten gekleurd ijstapijt. 's Zomers kom je af en toe mensen tegen, maar 's winters ben je er 'alleen op de wereld'. Ook de dieren zijn diep in de grond gekropen en zijn bezig met hun winterslaap. Alleen die ene mens klautert op dat ogenblik omhoog en „aanbidt dit grote stille wonder".

IJdele filosofieën
Langs het wandelpad staan af en toe bordjes met verklarende teksten en afbeeldingen. Ze ge- > ven een dwarsdoorsnee van de canyon, leggen uit hoe dit zo in de loop van miljoenen jaren ontstaan is en spreken veelvuldig over ijstijden en prehistorische perioden (alsof de uitlegger erbij geweest is). Ik ben zo eigenwijs om er geen woord van te geloven. „Kijk", stellen de bordjes, „het water met gruis en grind slijpt zich een weg in de rots. Ieder jaar wordt de bedding 2 mm dieper. De bedding liep eens op dit niveau (verwijzing naar de afbeelding), dat 300 meter hoger lag dan het huidige niveau. Een eenvoudig rekensommetje leert dan dat de huidige rivierbedding moet zijn ontstaan in de loop van 150.000 jaar." Dit is inderdaad een 'eenvoudig', te simpel rekensommetje en we vinden dit soort rekensommetjes in allerhande geologische handboeken. Bij dit genre verklaringen gaat men ervanuit dat alle natuurkundige verschijnselen die zich nu voordoen altijd zo zijn geweest. Maar stel dat de hoeveelheid water die een paar duizend jaar geleden naar beneden gutste een veelvoud zou zijn van het nu neerstortende water. Stel dat het door het water meegevoerde slijpmateriaal (zand, grind en rotsdeeltjes) en de hoeveelheid oplossende chemicahën in het water in het verleden vele malen groter is geweest. Dat is volgens de wetenschappelijke theorieën niet te achterhalen en zeer onwaarschijnlijk. Maar de Bijbel leert ons dat er eens totaal andere omstandigheden heersten en onder andere Johnston Canyon geeft daarvan een duidelijk bewijs. En niet alleen deze canyon, maar het hele Rotsgebergte en de bodemformaties in Alberta wijzen mogelijk op een catastrofe die ooit heeft plaats gevonden: de zondvloed.

Overal gematigd klimaat
„In den beginne", lezen we in Genesis, „schiep God de hemel en de aarde." Hoe God dit deed wordt ons niet in detail verteld. Christelijke wetenschappers menen aan de hand van de weinige gegevens uit Genesis en de overvloedige bewijzen uit het boek der natuur te kunnen afleiden dat de eerste wereld omgeven was door een watergewelf (de wateren boven de aarde), dat er zorg voor droeg dat de schadelijke kosmische straling ook na de zondeval werd tegengehouden, waardoor de mens zeer oud kon worden: tot zelfs 969 jaar. Dit watergordijn had bovendien tot gevolg dat het heersende klimaat over vrijwel de gehele aarde hetzelfde was. Geen tropische en ook geen polaire gebieden, maar over de gehele aarde heerste een gematigd klimaat. Hierdoor was de gehele aarde bewoonbaar. Ook aan de polen leefden planten en dieren die er nu niet meer voorkomen. Dat dit inderdaad het geval moet zijn geweest, bewijzen de ook in deze streken gevonden fossiele resten van planten en dieren. Vervolgens lezen we in Genesis dat de boosheid der mensen groot werd op aarde (Gen. 6:5) en dat het de Heere berouwde dat Hij de mens op aarde gemaakt had en Hij besloot deze wereld te verwoesten door een grote vloed. Behoudens Noach, zijn gezin en de dieren die bij hem in de ark waren, gaf al wat een adem des levens had de geest (Gen. 7:22). Ook de bijbelse gegevens over deze vloed zijn beperkt, maar laten we eens proberen ons een voorstelling te maken van de catastrofe die toen plaatsvond.

Sluizen des hemels
We lezen dat op zekere dag alle kolken der grote waterdiepten (de wateren onder de aarde) openbraken en dat de sluizen des hemels (de wateren boven de aarde) geopend werden. En de slagregen was veertig dagen en veertig nachten over de aarde. Als er inderdaad een watergewelf om de aarde bestond, wil dit zeggen dat dit in veertig etmalen ophield te bestaan en neerstortte op de aarde. Gelijktijdig met dit geweld der wateren waaiden er over deze aarde winden met een orkaankracht, schoten bliksemen langs de lucht, rolde de donder langs het zwerk en barstte de aarde op tal van plaatsen open in vulkanische activiteit. Ps. 104:2-8: "Hij bedekt zich met het licht als met een kleed, Hij rekt de hemel uit als een gordijn. Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren. Die van de wolken Zijn wagen maakt. Die op de vleugelen van de wind wandelt Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten, zij zal nimmermeer nog eeuwig wankelen. Gij hadt ze met de afgrond als een kleed bedekt; de wateren stonden boven de bergen. Van Uw schelden vloden zij, zij haasten zich weg voor de stem van Uw donder. De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse die Gij voor hen gegrond hadt." We kunnen ons voorstellen dat mens en dier in panische angst vluchtten voor dit tomeloos geweld. Ze vluchtten weg naar de hoger gelegen plaatsen, waar mens en dier tezamen een gelijktijdige dood stierven. Op aarde komen talloze vindplaatsen voor van deze begraafplaatsen uit de oertijd, waarin de resten van allerlei diersoorten in groten getale door elkaar te vinden zijn. We kunnen ons ook voorstellen dat in het algemeen de kleinere, minder mobiele dieren eerder stierven dan de grotere, snellere dieren. Het gevolg was dat deze kleinere diersoorten (die door de evolutionisten de primitievere soorten worden genoemd) eerder bedolven werden door het aanstormende water en de daarmee gepaard gaande aardverschuivingen dan de grotere en snellere dieren. Zo werd aardlaag na aardlaag afgezet en iedere aardlaag werd de begraafplaats van een aantal diersoorten. Ook werden veel dieren in een oogwenk door modder en water bedolven. Ze werden levend begraven en werden door de ogenblikkelijke afsluiting van lucht volledig geconserveerd. De vele opgravingen van volledig intact zijnde skeletten van sauriërs en mammoeten geven hiervan een duidelijk bewijs.

De gevolgen van de vloed
Na deze veertig dagen van een natuurgeweld zoals de wereld nog nooit gekend had, werden de kolken der waterdiepten en de sluizen des hemels gesloten (Gen. 8:2) en de wateren vloeiden gestadig weg van de aarde. De enorme waterdruk -15 el boven de hoogste berg- deed planten in een zeer korte tijd verstenen, waardoor de huidige steenkoollagen werden gevormd. We kunnen gevoeglijk aannemen dat het nog vele eeuwen geduurd heeft voordat de aarde enigszins tot rust kwam. Het afvloeien van de wateren naar de lagere gelegen bekkens, de vulkanische activiteit en het veranderende klimaat vormden de aarde tot haar huidige verschijningsvorm. Er ontstond een totaal andere wereld: gebergten werden gevormd, nieuw gevormde continenten raakten op drift en door de verdwijning van het watergewelf ontstonden de klimaatgordels met elk hun typische flora en fauna. Aannemelijk is dat allerlei tectonische werkingen, aardverschuivingen en vulkanische uitbarstingen ook nu nog de naweeën vormen van de ramp die toen heeft plaatsgehad. Voor het eerst verscheen de regenboog in de wolken en daar het watergewelf niet langer bescherming bood tegen de schadelijke kosmische straling, werd de levensduur van mens en dier aanzienlijk ingekort. In Genesis zien we dat de levensduur van de mens na de zondvloed geleidelijk aan afneemt tot 120 jaar en minder. Dat de in Genesis beschreven vloed geen lokale natuurramp is geweest, maar de hele aarde omvatte, komt niet alleen uit in het bijbels getuigenis en de ook nu nog waar te nemen natuurverschijnselen (Job 8:12: „Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren"), maar ook staat deze ramp in het menselijk geheugen gegrift en is van vader op zoon doorgegeven. Er is vrijwel geen volk ter wereld dat niet in de één of andere vorm een zondvloedverhaal in haar overlevering heeft bewaard.

Juiste voorstelling?
Is het hierboven beschrevene een exacte voorstelling van zaken? Zeer waarschijnlijk niet. Ook dit is een theorie! Het is slechts een mogelijke benadering van wat er lang geleden heeft plaatsgehad. In tegenstelling met de gangbare 'wetenschappelijke' theorieën over gebergtevorming, steenkoolvorming en de evolutie van levensvormenis de hierboven in het kort weergegeven theorie echter nergens in strijd met het bijbels getuigenis. Als ik door de Rockies dwaal en ik zie de canyons, de watervallen, de bergen en de aardlagen, de formaties in de in het zuiden van Alberta gelegen "Badlands" en de tentoongestelde skeletten van de sauriërs in het Tyrellmuseum te Drumheller, dan komt het zondvloedverhaal uit Genesis voor mij tot leven. „Vraag het de aarde." Maar velen willen het antwoord niet horen. „Want willens is dit hun onbekend, dat door het Woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande; door welke de wereld, die toen was, met het water van de zondvloed bedekt zijnde, vergaan is." „Maar wij verwachten, naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont." (2 Petr.3:5,6 en 13).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.