+ Meer informatie

Christus' onveranderlijke liefde aan Petrus bewezen.

8 minuten leestijd

Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: imon, Jona's zoon hebt gij Mij liever dan dezen? enz. (Joh. 21 : 15—17.)

De tekstwoorden verplaatsen ons aan de zee van Tiberias in Galilea. Daarheen heeft de Heere Jezus Zijn discipelen verwezen. Hij zou hun voorgaan naar Galilea. Het is de derde maal dat Christus Zich openbaart , nadat Hij van de doden opgewekt is. Nu richt de Heere Jezus Zich tot Petrus, nadat zij waren gaan vissen en de ganse nacht hadden gezwoegd en vruchteloos gearbeid, zodat zij niets vingen.

Een nacht van beproeving, die vooraf ging aan de morgenstond der vertroosting, waar de Heere Jezus Zich openbaart, en het wonder verheerlijkt en openbaart in de visvangst. Als Hij Zijn discipelen onthaalt heeft op de weldaden en het middagmaal met hen heeft gehouden, richt Hij het woord tot Petrus. Dit is wel een betekenisvolle ure. Al was de opgestane Middelaar Petrus al verschenen, al waren zijn boetetranen al gedroogd, de wonden geheeld, de zonden vergeven; toch moest er nog wat geschieden. Had Petrus Christus in het openbaar verloochend, nu moest Petrus in het openbaar in zijn ambt worden hersteld. De Heere stapt niet over de zaken heen. Hij rijdt door de vlakke velden als de Heer' der Heeren en de Koning der Koningen, om Zijn uitnemende liefde te bewijzen in een rechte weg. Hoe moet het Petrus wel aangrijpen als Christus tot hem spreekt en hem driemaal afvraagt, of hij Christus lief heeft. Dezelfde, Die hij kort tevoren verloochend heeft. Wiens blik zijn hart doorboord en gewond heeft, zodat hij bitterlijk wenende naar buiten gegaan is. Die donkere levensdag zal hij nooit vergeten. En dat de Heere nadat Hij hem al verschenen was, hem nu zo afvraagt! En welk een vraag ? Moet die wonde weer open ? Het moet Petrus wel als een zwaard door het hart gegaan zijn. De Heere Jezus gaat met Petrus terug, noemt hem bij zijn oude naam. Simon, ja gaat nog verder terug, naar zijn afkomst: Jona's zoon. Pijnlijke aanspraak. Zó leert de Heere Zijn volk, om ze klein, ootmoedig en nederig te maken, om hen bij hun afkomst te bepalen, zodat ze met David instemmen: , , 't Is niet alleen dit kwaad dat roept om straf, maar ik ben in zonde en ongerechtigheid geboren."

Zal de Heere de grootheid Zijner liefde bewijzen, dan daalt hij met Zijn volk eerst in de diepte van hun bestaan af, om hen te leren wat ze in zichzelf zijn en blijven, zelfs na ontvangen genade en dat Zijn liefde is een gans onverdiende en vrije liefde. Dan noemt Hij ze bij de oude naam van Adam, of gelijk het Jacob weleer geschiedde te Pniël.

En dan zulk een vraag: Hebt gij Mij liever dan deze, dan uw medebroeders, uw boezemvrienden, uw genietingen en verlustiging in het vissen?

De Heere vraagt hem niet naar trouw, geloof en standvastigheid, maar naar liefde, ongedeelde liefde. Wat roept dit in Petrus herinneringen terug. Heeft hij niet te voren gezegd: „al worden zij allen aan U geërgerd, ik niet! Al zouden allen U verloochenen, ik zal U geenszins verloochenen." En wat is er van geworden, van hem, die meende dat hij stond als een eikenboom, sterker dan de anderen? Op het ritselen van een blad op de vlucht geslagen, gevallen, het erger gemaakt dan de andere discipelen. Pijnlijk en toch tedere vraag van de Heere Jezus. Met recht had Christus kunnen vragen: „Waai'om hebt gij Mij driemaal verloochend? "

Maar Hij vraagt naar liefde en verwijt niet. Zo weet de Heere het hart van Zijn volk te treffen en uit te halen, opdat zij op de rechte plaats komen, hun hart uitstorten voor de Heere en de nood Hem recht bekend maken, om het gepaste voorwerp te zijn voor Hem en ontkracht in zichzelf, arm en klein door genade, Hem te volgen en beschaamd in zichzelf als een ellendige en gans schuldige de toevlucht tot Hem te nemen.

Want wat zal Petrus nu antwoorden? Zal hij zeggen: „ik heb U liever? " of wellicht „niet liever? " Hij begeert zich niet met een ander te vergelijken nog minder zich boven een ander te plaatsen. Dan maar zwijgen? O neen, dat kan niet. Ootmoedig zegt Hij: Gij weet, dat ik U lief heb.

Hij stort zijn hart uit voor de Heere, het lag diep in zijn hart verklaard. Schuchter, bevreesd voor zelfbedrog, beroept hij zich op de alwetendheid van de Heere Jezus. Hij wil zeggen: Heere zie maar in mijn hart, bewijzen van liefde kan ik U niet geven, ik heb het er niet naar gemaakt met mijn daden. En toch weet Gij het, in het diepste van mijn hart ligt het, dat naar U uitgaat, Gij hebt mijn tranen gezien en mijn omzwervingen geteld. En nu kan ik U niet missen. Er ligt toch een betrekking in mijn hart op U, al kan ik geen liefde van gehoorzaamheid en liefde met de daad bewijzen. Als het daarop aan komt dan durft Gods volk de betrekking die zij op Hem hebben niet loochenen.

Maar als zij zien op de daad en hun afmakingen, dan kunnen zij de liefde der gehoorzaamheid niet vinden, dan worden zij beschaamd. Ten tweede maal vraagt de Heere Jezus Petrus af, en hij geeft hetzelfde antwoord, hij kan het niet verder brengen. En ten derde maal, daar buigt Christus geheel Over, en neemt Petrus'

Woord over, Hier wordt het woord vervult, dat Hij 2ijn hand tot de kleinen wenden zal. Hij richt de gebogenen op en verbreekt en slaakt de banden. Petrus werd bedroefd. Ziet, waar de Heere Zijn volk hebben wil. Gods onveranderlijke liefde doet het harte smelten en dat werkt uit, schaamte, verlegenheid, droefheid gemengd met betrekking op Hem, opdat het volk leren zal dat zij het hier nooit zullen brengen tot die volmaakte liefde der gehoorzaamheid, maar in ootmoedigheid zich verlaten zullen op Hem, Die alle dingen weet, het hart kent en doorgrondt.

Zo wordt Petrus door een smartelijke weg, doch met verheerlijking van Gods trouw en onveranderlijke liefde in het ambt hersteld, als hem nu drie voortreffelijke bevelen gedaan worden van de Heere Jezus: Weid mqn lammeren, hoed mijn schapen en: weid mijn schapen. Het is met hem gegaan, gelijk met Mozes die in eigen kracht de Egyptenaar doodsloeg, dewijl hij de Heere vooruit liep en het Gods tijd nog niet was om Zijn volk Israël te verlossen. Veertig jaren moest Mozes de woestijn in om de kudde te leren weiden. In Egypte kreeg hij de theorie, in de woestijn de practijk, om straks dat grote machtige volk van Israël te leiden. Zo ook Petrus weleer, toen hij stond in eigen kracht. Zo kon de Heere Jezus hem niet gebruiken in Zijn wijngaard; staande in ijdele zelfverheffing was het hem niet toebetrouwd de lammeren te weiden, dan had hij ze met hardheid geslagen, zijn eigen zwakheid niet kennende. Maar nu geleerd in de smeltkroes der beproeving, gebroken in eigen kracht, geslagen van alle gronden van eigen liefde en eigen eer, is hij bekwaam tot de arbeid waartoe de Heere hem afgezonderd had, om de lammeren in voorzichtigheid te weiden, wetende wat God voor hen is, om het kostelijke van het snode te onderscheiden en zich te voegen naar de gang van het werk. De Heere vraagt niet naar wijsheid, niet naar gaven; de Heere wil ook geen huurlingen, die om loon arbeiden, en als heersers zich openbaren. Hij wil dat ze zachtmoedig en ootmoedig de kudde beminnen, hun hart er op zetten, het voordeel van de kudde te zoeken. De liefde is de wortel van alle deugden, zonder welke geen oprechte weiding der kudde wezen kan. Maar ook de schapen heeft hij te hoeden en te weiden.

Dat zijn de sterken, de meer gevorderden in de genade. Deze heeft hij te vermanen en te bestraffen met alle ernst, wanneer zij ongeregeld wandelen, daarbij hen by te staan in alle omstandigheden met raad en daad, onderwijzend op te treden en hen allen te voeden en te leiden in de grazige weiden van Gods Woord. Niet anders de kudde voor te houden dan de enige grond van zaligheid Jezus Christus en dien gekruisigd.

Zie, zo is het Woord des Heeren vervult, wat Petrus eerst niet verstond; Simon, Simon de Satan heeft U zeer begeerd te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor U gebeden dat Uw geloof niet ophoude, en zo wanneer gij eens bekeerd zult zijn, zo versterkt uwe broederen. Nu heeft hij niet meer te roemen in zichzelf, alle roem is uitgesloten van zijn zijde. Maar zijn roem is in Hem, de opgestane en verheerlijkte Middelaar.

Jong en oud, mocht bij aanvang en voortgang die liefde onze harten vervullen en innemen, in deze geesteloze dagen van twist en tweedracht. Want die liefde is lankmoedig, zij is goedertieren, zij is niet afgunstig, handelt niet lichtvaardig, zij is niet opgeblazen enz. 1 Cor. 13.

Zij is een gave Gods en geen vrucht van onze akker, dewijl wij in Adam vijanden van God en haters van God en van onze naaste zijn.

De Heere geve ons dat hemels geschenk en het zalige onderwijs op de leerschool van Hem, waar geleerd wordt, eigen krachten te verwachten en met de dichter in te stemmen:

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht.

(Ps. 89 : 8.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.