+ Meer informatie

OPENINGSWOORD

7 minuten leestijd

Op de opiniepagina van het Nederlands Dagblad verscheen rond de jaarwisseling 1998/ 99 een reeks interessante artikelen rond de vraag hoe toegankelijk de buitenkerkelijke wereld nog is voor het Evangelie en welke invalshoeken de gemeente van Christus moest zien te vinden om die buitenkerkelijke wereld nog met het Evangelie aan boord te komen. De artikelen waren alle een reactie op een bijdrage van de gereformeerde emerituspredikant dr. B. Wentzel, die uiteenzette welke struikelblokken de weg van het Evangelie naar de wereld toe belemmeren. In de laatste aflevering duidde ds. C. van Andel uit Amsterdam de gemeente zeit als het grootste struikelblok aan. Met de Stelling dat die gemeente naar buiten toe te weinig uitstraalt.

Intussen zijn rond dit onderwerp tal van publicaties versehenen. Er is een Belmont-conferentie gepasseerd waarop in breed verband, maar naar mijn gevoel nog oppervlakkig, over dit thema van gedachten is gewisseld. En ds. J.H. Velema zou ds. Velema niet zijn als hij geen brochure het licht had laten zien, waarin hij hen die in de kerken op leidinggevende posten staan, oproept tot het doen van pogingen om het geestelijke verval in onze samenleving te keren.

En vandaag zijn wij als ambtsdragers van Christus’ kerk hier bijeen om ook over de toenemende geloofsafval en de geringe werfkracht van de kerken na te denken.

Recente cijfers hebben ons nog weer eens op de ernst en de noodzaak hiervan gedrukt, hoewel sommige commentaren ons willen doen geloven dat velen, die niet meer kerkelijk praktiseren, toch nog een deur naar de God van hun verleden willen openhouden door zich niet uit de kerkelijke registers te laten uitschrijven. Dat zou best eens zo kunnen zijn. Veel mensen - je merkt dat in gesprekken - die door alles wat in deze tijd beangstigt en drukt, mentaal ontregeld raken en hun richtingsgevoel kwijt zijn, wachten bewust of onbewust op het spreken van de kerk, op een verlossend en bemoedigend woord van hen die menen vanuit het Evangelie nog wel openingen naar de toekomst te zien. Op dat gegeven wil zich onze conferentie richten. Op de vraag of wij als kerken, beter gezegd als leden van die kerken in een wereld vol verwarring en onrust, voor anderen werkelijk een beetje een schuilplaats zijn, een geestelijk oriëntatiepunt, hoe beperkt en gebrekkig ook. Wie ogen en oren, vooral de laatste, goed de kost geeft, neemt om zich heen duidelijk waar dat veel mensen aan een nieuw oriëntatiepunt toe zijn.

Als kerken zijn we druk in de weer met de oplossing van allerlei binnenkerkelijke problematiek, met het wegnemen (of opwerpen) van belemmeringen voor interkerkelijke toenadering, met het bedenken van antwoorden op allerlei vragen, die na beantwoording met een aantal nieuwe vragen blijken te zijn vermenigvuldigd. Allemaal nuttig en nodig. Toch mogen we onszelf en elkaar wel eens afvragen waarmee we nu eigenlijk bezig zijn. Ja, met kerk zijn, met het op gang houden van het plaatselijk kerkelijk leven, met trouwe waarneming van de zondagse samenkomsten, met de bevordering van de materiële voorzieningen die nu eenmaal voorwaarde zijn om de zaken gaande te houden, met de interne zorg voor elkaar in moeilijke omstandigheden en met het uit de weg ruimen van geschillen die in de plaatselijke kerken maar al te veel voorkomen. Maar wat straalt er van die gemeente nu uit naar de wereld? Nee, we moeten hierbij niet direct of alleen denken aan de georganiseerde evangelisatie, maar aan de vraag wat er terechtkomt van onze roeping en plicht om, levend en werkend tussen honderden mensen, dagelijks onze directe of wat verder verwijderde buren en kennissen met een groet passerene), iets te zeggen dat in een wereld waarin velen het niet meer zien zitten, tot bemoediging en vermaning kan zijn. Om zo mogelijk een handreiking te doen op plaatsen waar men met de vragen van dit leven is vastgelopen. Wie de wereld voor Christus zou willen winnen (in onze macht is dat niet, in onze wil zou het wel moeten liggen), die zal iets van eigen overtuiging moeten uitstralen en trachten een vonkje op die ander over te brengen.

Mogelijkheden om deze plicht, die het Evangelie ons oplegt, waar te nemen zijn er te over. Kijkt u maar eens rond. Hier de overspannen collega die onder de druk van zijn werkomstandigheden over de rode streep ging; ginds die verderop in de straat wonende vage kennis die met kanker in het ziekenhuis ligt; dichterbij de weduwe van die plotseling overleden collega; ook de collega die naar buiten misschien een vrolijkerd lijkt, maar die aan heel veel dingen zwaar tilt en al heel lang op een verlossend woord wacht. Schrijven we aan mensen op afstand, ook al valt het ons misschien niet mee onze gedachten over de moeilijke omstandigheden van die ander te verwoorden, wel eens een brief? Weet u dat het effect van zoiets heel groot kan zijn? Als het spontaan en hartelijk gebeurt, worden mensen daardoor even en soms voor langere tijd boven hun eilende uitgetild.

Zingevingsvragert

Wat zouden we in een tijdsgewricht als dit toch veel meer, met de mensen om ons heen, aan de hand van de bijbel moeten proberen antwoord te vinden op de vragen, die voor ongelovigen en ‘afvalligen’ kennelijk een drempel vormen om zich aan de God van het christelijk geloof gewonnen te geven of aan dat geloof verbunden te blijven; vragen die hun persoonlijk leven raken en vragen die de gang der dingen in de grotere verbanden van de menselijke samenleving aangaan; zingevingsvragen zou men ze kunnen noemen, die toch ook dikwijls onze vragen zijn. We maken - niet ten onrechte - misbaar over het feit dat de wereld om ons heen steeds ongeloviger en onverschilliger wordt, dat aan het Woord en de Wet van de Here God steeds meer met minachting en geringschatting wordt voorbijgegaan, maar vergeten we niet te veel hoe groot het voorrecht is dat ons de genade ten deel is gevallen het ongelooflijke van het Evangelie te geloven en dat wij in een hectische wereld als waarin wij leven, houvast mogen hebben aan de gedachte dat alles wat in deze wereld gebeurt en dat ons soms zo kan benauwen, een plaats heeft in de geschiedenis die God zelf schrijft?

Vanzelfsprekend is dat houvast overigens niet. Wie eigen hart en verstand eerlijk peilt, wie opmerkzaam door de wereld gaat en de dingen die zich aan ons voordoen, nuchter weegt, die zal in alle eerlijkheid moeten erkennen dat het ongelovigen, de niet bij de dingen van het geloof opgevoede mensen, van de mens uit gezien niet kwalijk is te nemen dat zij op de ondoorzichtigheid van allerlei vragen rond doel en zin van dit aardse bestaan stuklopen en dat zij, zonder dat het hun met overtuiging wordt voorgehouden en door de mensen van de kerk wordt voorgeleefd, niet zo gauw aan het Evangelie als laatste hoop in bange dagen vastmaken. Er is zoveel in alle dingen om ons heen dat voor de mensen de waarde van die hoop ontkent en er is in het leven van degenen die zeggen deze hoop te koesteren, zo veel dat die hoop weerspreekt, al was het alleen maar de zwijgzaamheid waarmee we in de persoonlijke omgang met de mensen door onze dagen gaan.

Is het niet hard nodig, ieder op zijn eigen plaats en wijze, ten overstaan van de wereld - en denken we daarbij dan allereerst aan de persoonlijke ontmoeting met de mensen die dagelijks onze weg kruisen - met de mond te belijden wat we met het hart zeggen te geloven?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.