+ Meer informatie

EENHEID BINNEN ONZE EIGEN KERKEN

30 minuten leestijd

1. Inleiding

Vandaag willen wij met elkaar spreken over de eenheid van onze eigen kerken. De uitnodiging van het Landelijk Comité ter voorbereiding van Ouderlingen- en Diakenenconferenties heeft daarvoor aandacht gevraagd. Het Comité wijst erop, dat deze conferentie in het verlengde ligt van die van enige tijd geleden, waarin de vraag aan de orde kwam waardoor het herstel van de kerkelijke eenheid onder gereformeerde belijders in ons land zo slecht vordert. Nu hebben we een soortgelijk onderwerp, maar dan geheel gericht op onszelf. We moeten de eenheid (of zo u wilt de gescheidenheid) binnen onze eigen kerken nog eens onder ogen zien.

Dit laatste gebeurt vandaag niet voor het eerst. Er is in deze vergaderingen eerder ook wel gesproken over de situatie in onze kerken, bijvoorbeeld inzake de prediking, waarin nogal een verschil in benadering te constateren valt. Ook is er gesproken over vragen, die het handelen van de christen raken, ethische kwesties, die eveneens verschillend getaxeerd worden binnen onze kerken. Vandaag echter moeten we het hebben over de kerken zelf en als zodanig. De uitnodiging wil dit aan de orde gesteld zien op een onbevangen manier. Zij spreekt immers onverbloemd over het feit dat de interne verdeeldheid binnen onze kerken ons verhindert om aan de komende viering van het honderdjarig bestaan van onze kerken een zinvolle en gelijkgerichte inhoud te geven.

Bij de behandeling van de kwestie van de interne eenheid van onze kerken zullen we niet kunnen ontkomen aan een praktische benadering. De vraag is immers vanmorgen: "Hoe moet dat nu verder?" Blijkbaar gaan we stilzwijgend uit van de gedachte dat wij verder kùnnen en dat wij verder willen. Kùnnen we inderdaad verder? Ik bedoel het ook op de manier: is de wijze waarop wij het kerkzijn beleefd hebben, zeg: de laatste tien à twintig jaar, genoegzame garantie, dat het zo ook Verder kan? Of zeggen we: zo kan het niet langer en zo mag het niet langer?

De vraag is ook: willen we verder? Begeren we het inderdaad, of zeggen we enigszins gelaten: het zal wel moeten! Er zit niets anders op.

Ik meen de vraag die het Comité ons stelt, zo te mogen uitleggen, dat we zeggen: als God het ons geeft, kunnen we verder en we willen ook verder. Maar de vraag is: hoe we dit kunnen realiseren. En dan zit er ook enige drang achter: hoe moet dat nu verder. Op welke manier kunnen wij morgen en overmorgen datgene wat ons kerkzijn bepaalt, zo verstaan en zo beleven, dat we perspectief krijgen: uitzicht op kerkelijk besef en enthousiasme om samen de schouders eronder te zetten?

We willen ons best doen om de vragen die ons bezig houden, zo eenvoudig en praktisch mogelijk te behandelen, maar ook zo eerlijk mogelijk. We zijn onder broeders en ook als broeders bijeen. We begeven ons niet in een beschouwing van het verleden, ofschoon een verwijzing hier en daar naar dat verleden niet kan uitblijven.

We willen ook proberen theoretische beschouwingen te vermijden. We zien onze eigen bijdrage als een inleiding tot een gesprek, dat in alle openheid vandaag gevoerd kan en ook moet worden.

2. Het beeld van onze eigen kerken

Een aanzienlijk aantal jaren geleden sprak een Nederlands-Gereformeerd predikant, die als gast enkele vergaderingen van de classis Utrecht meegemaakt had, over het charisma van de eenheid, waarover onze kerken beschikten. Hij zelf had tweemaal een kerkelijke breuk meegemaakt. En hij betuigde zijn bewondering over de broederlijke manier waarop men in de classis Utrecht met elkaar omging. Het charisma van de eenheid werd ons toegeschreven en het deed ons deugd. Vandaag is er een zekere eenheid binnen onze kerken. Maar we zouden met alle dankbaarheid die we daarvoor hebben, zeker niet willen zeggen: dat is ons charisma, onze bijzondere gave van de genade, ons door de heilige Geest verleend, om met elkaar om te gaan. We hebben een zekere conventie ontwikkeld, die getuigt van een hanteren van de status quo, waarbij we weten hoe we met elkaar kunnen omgaan. Soms heeft het iets van een soort van vreedzame coëxistentie. En als we het zo zeggen, dan herinneren we ons dat het een term is uit de koude oorlog.

Is het beeld van onze kerken veranderd? Er zijn duidelijk aanwijsbare symptomen, die in een andere richting wijzen. Er is een zekere eenheid, maar hoe wezenlijk is die te noemen? Indien wij het niet zelf zeggen, dan houden anderen het ons vandaag wel voor: de eenheid in jullie kerkverband is een slechts schijnbare eenheid. Het eerste woord dat hier dan valt is dat van de ”gesloten kansels”, die in feite getuigen van een censuur, over de predikanten uitgeoefend. Velen van ons hebben met dit verschijnsel leren leven, omdat het reeds zo lang bestaat. Een bewijs, dat we het op de een of andere manier hebben aanvaard, kunnen we zien in de manier waarop in sommige classes de classisbeurten worden toebedeeld en al of niet worden vervuld. Een vorm van censuur zou men het kunnen noemen, en dan uitgeoefend zonder formulier daartoe strekkende.

Ook gemeenteleden zelf zijn bezig om op de een of andere manier deze censuur toe te passen. Vanouds is het begrip territoriale gemeente een goed ingeburgerde aanduiding van de opvatting, dat men hoort bij de dichtstbijzijnde kerk. Waar men woont, daar kerkt men. En is er ter plaatse geen Christelijke Gereformeerde Kerk, dan zoekt men de kerk die het dichtst in de buurt is te vinden. Maar dit principe is losgelaten uit vrijwel dezelfde oorzaak als waarmee in het eerste geval sommige predikanten worden geweerd. De mensen kiezen hun eigen gemeente, naar hun eigen opvattingen, welke die dan ook maar mogen zijn. En daarmee hebben onze kerken tegelijk het principe binnengehaald van de modaliteiten-gemeenten, waarmee de eenheid binnen het kerkverband niet gediend is.

We hebben te maken met het verschijnsel, dat we plegen aan te duiden als stromingen of liggingen. Het gaat ons te ver om hier van richtingen te spreken, maar hoe ver is een richting en de strijd der richtingen verwijderd van de stroming of ligging met haar eigen profilering, die zich tegen andere stromingen en richtingen afzet?

Hoeveel stromingen er zijn? Sommigen zijn gewoon om van twee stromingen te spreken, anderen noemen er drie of vier. Het merkwaardige feit doet zich voor dat elke telling ernaast is, wanneer men de betreffende groepen zelf vraagt, leder heeft naar eigen oordeel het geheel van de kerken op het oog en wil geenszins als richting of stroming worden aangeduid. Maar of het in de praktijk zo werkt, is een open vraag.

Ik mag hier het streven noemen van Bewaar het pand. De groep werd actief nadat op sommige synodes besluiten waren genomen omtrent liturgische kwesties, die in een aantal gemeenten grote onrust brachten. De oprichting van Bewaar het pand had ten doel te voorkomen dat het tot een kerkscheuring zou komen. Dit paciferende streven stond voorop, maar de zaak bracht mee, dat er een aantal gemeenten een bijzonder stempel opgedrukt kregen. De overtuiging overheerste hier dat juist datgene waarvoor men stond, behoorde tot het wezen van het kerkzijn, zoals het in het verleden was geweest en zoals het voor de toekomst bewaard zou moeten blijven. De eigen toogdagen worden goed bezocht. Toch bereiken ze niet al het kerkvolk en daarom dragen ze naar het oordeel van velen ook bij aan een verbijzondering van een afzonderlijke groep binnen ons kerkelijke leven.

Ik noem hier eveneens het streven, dat een aantal jaren aaneen werd vertegenwoordigd door de groep die, naar haar plaats van bijeenkomst, de Amersfoortse groep werd genoemd. Zij presenteerde zich in enkele studies, die duidelijk wilden maken, dat voortgaande studie noodzakelijk is, waarbij men moderne problematieken niet uit de weg wil gaan. Men zag in de voortgang van de theologie een uitdaging, die niet onbeantwoord mocht blijven. En men trachtte, daarbij eveneens het geheel van de kerken op het oog hebbend, op moderne ethische problemen vanuit allerlei gebieden op de kerken afkomend, werkelijk in te gaan.

Men kan niet ontkennen, dat deze twee groepen dikwijls tegenover elkaar werden geplaatst, als vertegenwoordigende de vleugels, die wij in onze kerken hebben: de linker en de rechter vleugel. Was het voorheen soms zo, dat predikanten uit de ”rechter vleugel” verdwenen naar b.v. de Gereformeerde Gemeenten of naar de Oud-Gereformeerde Kerken, in de laatste tien jaren maakten sommige predikanten uit de ”linker vleugel” een overstap naar de Hervormde Kerk.

Zijn daarmee de stromingen binnen onze kerken getekend? Was het maar waar. Wat te zeggen van hen die beslist willen gerekend worden tot de middengroep. Zij willen niet gerekend worden tot Bewaar het pand, maar zij wensen zich ook niet te identificeren met de in hun ogen progressieve leden van onze kerken. En binnen deze middengroep kan men dan nog weer wijzen op een kleine diversiteit. Er zijn er die zich rechtstreeks richten op de Reformatie. Hun streven is gebundeld in de z.g. Calvijnkring. Zij oriënteren zich op de Geneefse reformator. Er zijn er die een voorkeur uitspreken voor de Nadere Reformatie en haar theologie. Zij verbinden deze belangstelling met een eveneens levende interesse voor de puriteinen en hun praktische theologie. En dan zijn er degenen, die ik voor het gemak aanduid als de evangelischen. Zij behoren tot de oecumenisch-evangelisch gezinden, die een niet al te sterke binding hebben aan de kern van de gereformeerde theologie, maar veeleer tegen het vrij-evangelische aan, een eigen weg zoeken te gaan binnen het geheel van onze kerken.

Wanneer we vragen wat de criteria zijn, die bij deze vorming van groepen en stromingen bepalend zijn, dan zou men kunnen denken aan theologische, kerkelijk-liturgische, sociale en ook aan persoonsgebonden motieven.

Bij de theologische gaat het om de vraag, welke theologie of theologische denkbeelden bepalend zijn voor denken en handelen. Grof gezegd staan er dan twee manieren tegenover elkaar. De klassieke, in de confessie tot uitdrukking gebrachte gereformeerde theologie, die een Dordts stempel draagt en bij tijden in de vorm van de praktische theologie van de Nadere Reformatie wordt aangeboden. Ik teken de zaken voor het gemak wat zwart-wit, door daartegenover te plaatsen een theologisch bezig zijn met moderne vragen, vanuit aanzetten die gegeven zijn door moderne theologische inzichten. Afge-dacht van degenen die voor geen wezenlijke theologische belangstelling zijn te winnen (hen treft men ook aan binnen onze kerken), moet men zeggen, dat de ernst waarmee de zaken van beide kanten worden aangepakt, zeer serieus overkomt.

Een tweede identificerende factor kan men vinden op het terrein van kerkelijke gebruiken, met name zoals deze op het terrein van de liturgie een uitdrukking vinden. Jaren geleden hoorde ik een predikant zeggen, dat voor hem de kerken steeds kleiner werden, omdat men op verscheidene plaatsen het ritmisch zingen had ingevoerd en hij daar dus niet meer kon komen. Het gebruik van een vertaling, het gebruik ook van een psalmberijming wordt hier soms tot een sjibbolet. Voor drie jaar hoorde ik, dat een predikant bijzonder geschikt was om in die en die gemeente beroepen te worden, want hij gebruikte het liedboek. Blijkbaar zijn de kenmerken van de kerk in het denken van de eenvoudige mensen (want zulke mensen maakten die opmerking) enigszins verschoven.

Een derde, soms sluimerende motivatie voor groepsvorming kan men zoeken in de mate van maatschappelijke geavanceerdheid die men bereikt heeft, hetzij eenvoudig tegelijk met de welstand waartoe men geraakte, hetzij omdat men wat gestudeerd heeft en daardoor een andere kijk op het leven en de beschouwing ervan heeft gekregen.

U ziet, dat de motivatie die ten grondslag ligt aan kerkelijke plaatsbepaling, al een beetje dubieus begint te worden. Zij is geheel van twijfelachtige aard, wanneer men voetstoots afgaat op een naam, die een personificatie is geworden van een hele groep: ”Dat is onze man”, zo hoort men soms zeggen. En men aanvaardt hetgeen hij zegt, simpel omdat hij het zegt. Het is beslist noodzakelijk, dat ambtsdragers vertrouwen genieten, zullen zij hun werk goed kunnen doen. Maar dit vertrouwen lijkt ons al te blind. Het grenst aan persoonsverheerlijking, die zelfs in de maatschappij en de politiek niet duurzaam is. En zeker in de kerk van Christus mag er een vaster bewustzijn wezen van de grondslag van onze kerkelijke positie. Ik ben van Paulus, ik ben van Apollos, ik ben van Cephas: het wordt door de apostel een teken genoemd van vleselijke gezindheid, die met waarachtige bekering weinig heeft uit te staan.

Bij deze zeer persoonsgebonden groepsvorming gaat het soms hard tegen hard, waarbij zelfs de vormen van burgerlijke wellevendheid niet meer schijnen te gelden. Alle nadelen van een latent schisma zijn daar reeds aanwezig, zoals men uit de geschiedenis van kerkelijke conflicten die zich in het verleden rondom ons hebben afgespeeld, kan leren. Men behoeft soms slechts de naam van een predikant te noemen om een geëmotioneerde tint te geven aan een gesprek of aan het zwijgen dat erop volgt.

Intussen vergeten wij niet dat we, sprekend over de groepsvorming in onze eigen kerken, daarmee een verschijnsel aangeven, dat ook bekend is bijvoorbeeld uit de gelederen van de Gereformeerde Bond, en daar op vrijwel identieke manier, en dat mutatis mutandis evenzeer is te vinden in kerken, die naar buiten toe een indruk maken van te beschikken over meer gesloten gelederen.

Ik begrijp dat ik zeer onvolledig ben geweest in het schetsen van een bestaande situatie. Maar wie kan ook het geheel overzien? Wie kent de diepste motieven, die in een mensenhart gevonden kunnen worden? Ik vlei mij evenwel met de gedachte dat ik althans in grote lijnen iets heb aangegeven, van wat vele buitenstaanders op een meer onverbloemde wijze over onze kerken opmerken. Zij vormen geen eenheid. Zij kunnen ook geen eenheid zoeken met anderen, wat ze ook beweren, want zij zijn zelf niet één. Zo ziet de zaak naar buiten en naar binnen er blijkbaar uit.

3. Een verklaring?

Na het opnoemen van de symptomen, die getuigen van een gebrek aan wezenlijke kerkelijke eenheid binnen onze kerken, ga ik nu over tot de vraag, of er een verklaring is te geven, die een en ander in een redelijk licht plaatst. Hier valt te denken aan vier gegevens, die van invloed zijn.

Allereerst noemen we het feit, dat ons kerkelijke leven nu bijna honderd jaar in deze formatie zich heeft bewogen. Ik zeg het, maar vraag tegelijk: is de beweging tot stilstand gekomen? Het jaar 1892 was een jaar van beweging, hoe dan ook. Dat wij ”staande bleven” in ’92 betekende in ieder geval een sterke beweging, die resulteerde in een bewuste participatie aan het gebeuren dat aan onze kerken een voortbestaan verzekerde. Zéér bewust hebben Van Lingen en Wisse in 1892 met Renkema en Wessels en vele anderen gekozen voor deze voortzetting. In de jaren dertig was er sprake van een sterke stimulans, die ons kerkelijke leven bewoog. En vooral de veranderingen die samenhingen met de ”Vrijmaking”, hebben een sterke impuls betekend voor eigen kerkelijk bewustzijn. Men voelde zich kerk. En men wilde dit ook voelen. Men zocht naar middelen in het vereniginsleven, dat stimulansen ontving, terwille van het kerkzijn. Dit alles is volkomen weggeëbt. Hoevelen, of hoe weinigen, zouden in onze kerken een persoonlijke, familiale betrokkenheid kennen met het gebeuren van 1892? Inderdaad het is verleden tijd. Sinds 1892 is een vierde generatie aangetreden, die zich niet meer zo gegrepen voelt door wat een eventuele overgrootvader in '92 heeft meegemaakt. Het kerkelijke leven heeft zich gekenmerkt door een gestage gang, die op zich weinig inspiratie bood. Zelfs in het beroepingswerk komen onze kerken nog maar weinig in de krant. We zijn christelijk gereformeerd. Maar wat zegt dit eigenlijk aan een generatie, die slechts één tijd kent: die van het heden? De Afscheiding heeft afgedaan, 1892 kan met enig kunsten vliegwerk voor een kort moment vanonder het stof te voorschijn worden gehaald. Voor de rest: wat stelt het voor? Ik hoop nimmer een kerkelijk schisma mee te maken. Er is er slechts één die winst boekt, hij die zich voordoet als een engels des lichts. Maar wij missen ook de hernieuwde motivatie, die ons doet zeggen: ik ben christelijk gereformeerd, en bewust daar- en daarom. We krijgen vaak een mat antwoord op de vraag: waarom ben je lid van deze kerk.

Een tweede gegeven zoek ik in de verhouding van kerk en wereld, die totaal veranderd is, niet alleen omdat de kerk zo veranderde, maar omdat de wereld geheel anders is geworden. Droeg de wereld om de kerk heen tot voor twintig, dertig jaar nog een enigszins herkenbaar christelijk merkteken, hoe zwak ook, vandaag heeft die wereld haar masker afgedaan. Zij is geworden wat ze altijd al was: saeculum, d.w.z. alleen nú levend. Daarbij heeft een omslag plaatsgevonden in het primaire levensgevoel van de mens. Het is een mondiaal, gedemocratiseerd, verwetenschappelijkt denken, dat een nieuw type mens heeft geschapen: volstrekt autonoom, onafhankelijk, de dingen individualistisch aanvoelend en verwerkend. Is de mens in wezen veranderd? Neen. Maar wel zijn sommige objectieve kaders weggevallen, die voorheen aanwezig waren. De kerkmens staat, wat dit betreft, in een veranderde wereld. In de periode na de wereldoorlog heeft ook in het denken van de kerkmens een verschuiving plaatsgevonden, een geruisloze socialisering van het leven, waarbij we een geweldige invloed toeschrijven aan de welvaart, die vrijwel ieder in haar macht heeft gekregen. Déze omslag in het denken ging vergezeld van een andere cultuur. Men leest niet meer, men ondergaat de dingen via de weg van het oog. Werkelijke studie, degelijk onderzoek vindt nauwelijks meer plaats. Dit geeft hier en daar ook een geheel eigenaardige moeite, die de mensen hebben met een preek, die zij moeten verwerken. De dingen zijn anders geworden.

Daarbij is een derde gegeven de sterke steun van een goede gereformeerde theologie weggevallen. Het gereformeerde reveil uit de vorige eeuw kwam tot stand door de overtuiging, dat de boodschap van de gereformeerde reformatie zeer actueel was en bleef. Die overtuiging resulteerde in een stevige gereformeerde dogmatiek: Kuyper, Bavinck en anderen hebben daaraan hun bijdrage geleverd. Wij, als christelijk-gereformeerden hebben in vele opzichten tegen deze arbeid aangeleund. Na de oorlog scheen er een nieuwe aanpak mogelijk. Ik denk aan het werk van Berkouwer. Maar deze fragmentarische benadering kwam niet verder dan een aanzet, die helaas in een verkeerde richting is uitgewerkt. De gereformeerde theologie schijnt de slag verloren te hebben in de strijd tegen het moderne denken.

Een vierde belangrijke gegeven, dat op onze kerken heeft ingewerkt, is het feit dat er tot nu toe geen enkel resultaat werd geboekt in de toenadering van de kerken van de gereformeerde gezindte. Drie generaties deputaten voor de eenheid der gereformeerde belijders, hebben aan de kerken slechts kunnen berichten, dat men zoekende was en zoekende bleef. Wat een bron van krachtige vitale inspiratie had kunnen zijn, bleek te werken als een oorzaak van onrust en grote onzekerheid binnen de eigen kerken. In plaats dat het kerkelijk besef werd aangewakkerd, werd het gerelativeerd, meer en meer.

4. Al met al is er reden voor de vraag: hoe moet dit nu verder?

We trachten de vraag te beantwoorden op zes manieren, die onderling samenhangen. Hoe moet dat nu verder? In de eerste plaats zeggen we: we zullen alles op alles moeten zetten om te trachten te worden wat we zijn en te beleven wat we hebben, nl. kerkzijn van de Here Jezus Christus. Christus vergadert zijn gemeente. Zo ontstaat de kerk. Zij is het volk van God. Zij is het lichaam van Christus en zij is de tempel van de Heilige Geest. Kerkzijn is een weldaad, een geschenk van de Drieënige God zelf. Zij is zijn werk. Dat bewaart ons voor een gevaarlijk kerkisme. Zuiver kerkelijk besef is voor dit kerkisme op zijn hoede. Kerkisme is een vorm van collectieve werkheidligheid. Dat willen we vermijden. Op die manier zou immers de kerk komen te staan op de plaats van de Heilige Geest, op de plaats van Christus zelf. Maar anderzijds bewaart een zuiver kerkelijk besef ons ook voor kerkelijk relativisme, waardoor alles in de gemeente gerelativeerd wordt. De kerk is volk van God, vrucht van zijn verkiezing en eeuwige liefde. De kerk is lichaam van Christus: vrucht van zijn verzoening en offerande aan het kruis. De kerk is tempel van de Geest, geleid door zijn onderwijs. Dat betekent alles, dat de kerk haar fundament niet in zichzelf heeft. Zij kan nooit een conventikel worden, een groep van gelijkgezinden, die elkaar gevonden hebben in datgene wat zij denken, beleven, ervaren of zoeken. De kerk is gegrond op het werk van God in Christus door zijn Heilige Geest.

De kerk van de Reformatie is het te doen geweest om een kerk te zijn naar en vanuit het Woord. De kerk van de Nadere Reformatie heeft geen ander streven gehad, dan om het Woord te gehoorzamen en aan het koningschap van Christus alle recht te doen. De kerk, of liever het kleine groepje van kerken dat in 1892 neen zei tegen de ”Vereniging” heeft alles gedaan, om kerk te zijn. En wij hebben er vandaag nog steeds moeite voor te doen. Kerkzijn onder de belofte: het is datgene wat we mogen en wat we moeten nastreven uit alle kracht. En dan hoort de verscheidenheid er wezenlijk bij. Ik ga daar nu niet verder op in. Maar de katholiciteit van de kerk moet beoefend worden binnen de kleinste kerkgemeenschap, zal zij niet in een sekte ontaarden.

Laten we niet denken dat we met iets vreemds bezig zijn, wanneer we zeggen: we moeten leren om KERK te zijn. Wat hebben mannen als Bucer en Calvijn anders begeerd dan om kerk te zijn. ”Wij moeten eindelijk eens besluiten of we werkelijk kerk willen wezen”. Bij Hendrik de Cock stonden de zaken niet anders. De geschiedenis van de Afscheiding is een voortdurende strijd geweest om het kerkzijn, tegen de geest van het conventikel. Wie de geschiedenis na '92 nagaat, ziet dat het geen ander probleem is geweest. Het ging niet om een groep, om een club, om een richting, maar om de kerk, door wier dienst de HERE zijn eigen werk in deze wereld wil verrichten. Er overkomt ons dus niets vreemds, wanneer we op dit punt onszelf permanent tot de orde van God zullen laten terugroepen.

In de tweede plaats zeggen we, dat het ons moet te doen zijn om de volle aanvaarding van wat de Schrift zegt. De kerk is uit de Schrift geboren, niet omgekeerd. Dat betekent, dat men de kerk kent aan haar prediking. Waar gepreekt wordt, daar is de kerk. De kwaliteit van de prediking beslist ook over de kwaliteit van de kerk. Een slechte preek voert onherroepelijk tot een gedevalueerde gemeente. Een goede preek kent men aan drie dingen. Zij komt met gezag van het Woord zelf. Zij is in wezen niet anders dan ontvouwing van de Schriften zelf in de actuele situatie van de gemeente. En zij bedoelt de kudde te weiden.

Het gezag van de prediking is van eeuwigheidswaarde. God zelf zal er naar oordelen. Hij luistert mee of het koninkrijk der hemelen wordt gesloten of ontsloten. Welbeschouwd bestaat de blijvende actualiteit van de prediking daarin: dat er perspectief is geboden voor de eeuwigheid, of dat met de hand op het Woord wordt gezegd, dat er geen perspectief is.

Maar dan moet de prediking ook ontvouwing zijn van de Schrift. Er is geen boeiender aangelegenheid dan te bemerken, hoe telkens de gemeente werkelijk gebouwd wordt, wanneer zij verrast wordt door wat er staat. Veel mensen kunnen niet lezen wat er staat. De verrassing blijft dan uit. En het is niet van belang welke tekst men heeft gekozen. Onze dominee heeft altijd een andere tekst, maar altijd ook dezelfde preek, zei iemand. Of er dan gestudeerd wordt?

Een preek moet ook beoefening zijn van het pastoraat. Er is geen betere pastorale psychologie dan die uit het Woord naar de mensen toekomt. Maar dan dient dit pastoraat vanaf de preekstoel begeleid te worden door een intensief pastoraat onder de preekstoel, zodat de predikant weet wat er in de gemeente aan de hand is. Alleen zo kan er sprake zijn van geestelijke leiding. En zo kan men ook voorkomen, dat de preek als het ware in de lucht komt te hangen. Het is ten slotte het middel, dat God zegenen wil: het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God. De preek zal op die manier ook niet geïsoleerd raken van alle andere arbeid in de gemeente. De kerk is uit het Woord geboren, zij moet ook door het Woord gebouwd worden. Gezagvolle, bijbelse en pastorale prediking is een kenmerk van wat kerk mag heten. Omdat we in het Woord Gods openbaring hebben. Geen Schriftbeschouwing derhalve, die te kort doet aan het spreken van God. Geen Schriftbeschouwing ook, die alleen maar hoort wat Jesaja of Paulus in hun tijd gezegd hebben. Maar eerbied voor de Schriften, die ons Gods stem laten horen in ons eigen leven, hier en nu.

In de derde plaats zeggen we, dat we slechts kerk kunnen zijn in waarachtige eenheid, wanneer we elkaar vinden op dat punt, waar we elkaar gevonden hebben: in de belijdenis. Laten we niet denken, dat de tijdgeest aan onze kerken voorbijgaat. In de Gereformeerde Kerken komt een discussie op gang, over de noodzaak van de binding aan de belijdenis. Ik ga die discussie hier niet weergeven. Maar niemand moet beweren, dat de relativering van de belijdenis aan ons voorbijgaat. Er is een schromelijk tekort aan kennis van de Schrift, maar niet minder aan een degelijk inzicht in het wezen en de bedoeling van onze belijdenisgeschriften.

Hun verhouding tot de Schrift betekent voor velen een probleem. Kan men zo maar de menselijke belijdenis leggen bovenop de goddelijke Schrift? Onduidelijkheid is er voor velen omtrent de inhoud van de belijdenis. Hoe staat het met het onderricht uit de catechismus? Wordt de gemeente op de hoogte gebracht van wat dit leerboek wezenlijk bedoelt? Is er geen sprake van een latente afwijking van de belijdenis, die doorwoekert, omdat men er niets aan doet en niets aan kan doen?

De eenheid van de kerken is gegrond in de binding aan de belijdenis. De kerk wordt geboren uit het spreken van God in zijn Woord. De kerk komt tot openbaring in haar antwoord op dit spreken van God. En dan zijn het met name deze drie belangrijke confessionele punten, die als kenmerken van gereformeerd belijden mogen gelden: de Schrift zelf, de genade en de kerk zoals deze zichzelf belijdt naar het Woord. Het zijn uitgerekend ook de punten waaraan altijd de echte gereformeerde theologie herkenbaar is geweest: Schrift, genade en kerk. Wat wij belijden omtrent de Schrift, beleven we dat ook? De bijbel als het middel waardoor de genade werkt? De bijbel als de norm voor de ethiek? De bijbel als de regel voor een leven in dankbaarheid? EN vooral de bijbel als het levende en krachtige Woord van God, dat werken wil in de harten en levens van mensen. Confessioneel gehalte moet er zijn in het spreken over de genade, als rechtvaardigende genade, als heiligende genade en vooral ook als verkiezende genade. Blijven we in ons spreken in de kerken en in ons preken wel op de confessionele hoogten, die in het spreken van de kerk zijn te vinden?

Confessioneel gehalte moet er zijn in ons beleven van wat de belijdenis zegt omtrent de kerk. Is zij niet duidelijk genoeg, wanneer we vragen wat is de kerk? Aan Hendrik de Cock werd eens gevraagd ”Wat hij ervoor had om te doen, zoals hij deed”. De Cock haalde zijn confessie voor de dag en las eenvoudig de artikelen over de kerk voor. Dat heb ik ervoor, merkte hij op. We kunnen vragen of wij de belijdenis omtrent de kerk niet op nonactief hebben gezet, naar binnen en naar buiten. Dat hebben we ervoor om werkelijk kerk te zijn naar de confessie, in overeenstemming met ons eigen belijden. Het confessioneel gehalte, dat ons hier geboden wordt, zal geheel de kerkelijke arbeid moeten doortrekken.

Het vierde punt, dat we aanwijzen, bestaat in kerkordelijke trouw. Dat is wat anders dan kerkordelijke krampachtigheid. Die bestaat niet, ofwel, die behoort niet te bestaan. Onze kerkorde is gemaakt voor een kerk, die zich ook wil laten leiden door de Heilige Geest. Zij is een pastorale orde. Zij is ook een pneumatische orde. Zij wil doorgang verlenen aan Gods orde des heils, d.w.z. aan de prediking van het Woord. Zij wil die orde des heils veilig stellen, zodat de Geest kan toeëigenen het heil dat Christus heeft verworven. Maar dan betekent dit, dat die gehele orde ook geestelijk moet werken. Geestelijke leiding moet gegeven worden vanaf de preekstoel. Maar zij moet aanwezig zijn in het werk van de kerkeraad, van de classis. Dat is de achtergrond, of liever de grote veronderstelling achter de kerkorde.

Ik denk hier aan drie dingen, die voor het kerkelijke leven van de grootste betekenis zijn: het ambtelijke toezicht op de prediking. Hoe wordt er gepreekt? Weten we het? En weten de ouderlingen ook, hoe er gepreekt moet worden? En houden zij het gesprek over de prediking gaande? Staan zij naast de predikant, maar ook achter hem, omdat zij desnoods ook eens tegenover hem staan? Zijn onze broeders ouderlingen inderdaad het kader, waarop onze kerken drijven? Zijn we niet al te veel een domineeskerk geworden, waar de predikanten met elkaar de zaken regelen, of met elkaar de zaken in de war sturen, op een seigneurale manier, terwijl de ouderlingen buiten de kwesties gehouden worden?

Functioneert de kerkvisitatie, zoals het behoort te zijn, nl. als een middel waardoor men tijdig raad weet te schaffen, nog voordat de vlam in de pan slaat? Of functioneert dit bekwame middel in het geheel niet meer? En hoe gaat men op de classis met elkaar om? We zouden eens een programma van de Nadere Reformatie uit de 17e eeuw kunnen inzien, om te bemerken dat ook toen reeds predikanten op de classis mentaal met elkaar op de vuist gingen, over elkaar roddelden en in partijzucht tegenover elkaar stonden. Het verschil is, dat er toen wat aan gedaan werd. Moeten we zeggen: toen was er een overheid, die er nog iets aan kon doen en wij missen dit middel. Of zullen we zeggen: een Nadere Reformatie kan plaats vinden op de classicale vergaderingen, waar we aan preekbespreking gaan doen en eikaars werk beoordelen op een broederlijke manier, zoals het vroeger ook gebeurde. Kortom kerkeraad en classis zouden veel kunnen doen om ook op dit niveau de enigheid van Geest te bewaren door de band van de vrede. Let wel: niet omgekeerd, de band van de vrede te bewaren door de eenheid van de Geest. Neen, het laatste, de geestelijke eenheid wordt bewaard waar wij de vrede bewaren onder elkaar.

Het ontbreekt me aan tijd om alle mogelijkheden te registreren, die in de kerkorde aanwezig zijn om de eenheid der kerken te bevorderen. Maar ze zijn er, bijvoorbeeld in een sluimerend artikel dat spreekt over onderlinge correspondentie tussen particuliere synodes. Waarom zouden we dit artikel geen leven inblazen om tot een nauwer samenleven te komen binnen onze eigen kerken? Een geestelijke leiding kan op deze wijze gegeven worden in een geesteloze tijd.

Het vijfde punt dat ik noem, bestaat uit de geestelijke inzet, waarmee we alles hebben te doen. Dat is een kwestie van vroomheid. Spiritualiteit is een modern begrip, dat men theologisch kan ontleden. Maar als we spreken over de ware vroomheid, die wéét heeft van het leven naar de Schriften, het leven uit de genade en het op een geestelijke wijze beleven van het kerkzijn, dan hebben we daarin nog eens te meer aangegeven wat ons maar al te veel ontbreekt in ons kerkzijn. Het is de beleving van de ware vroomheid. Het Oude Testament spreekt over de vreze des HEREN. Het Nieuwe Testament kent de trits: geloof, hoop en liefde. Het spreekt over de vruchten van de Geest en over de gaven van de Geest. Maar hoe men het ook benoemt, altijd is ermee bedoeld het leven met de Here, in oprechtheid van hart. En waarom zouden we hier niet wijzen op het begrip, dat centraal staat in het gereformeerde belijden van de kerk: de gemeenschap met Christus. Het diepste geheim van de kerk ligt in het hart van God: zijn eeuwige verkiezing. Maar dat geheim komt ons nabij in de gemeenschap met Christus. De inlijving in Christus, de inplanting in Hem, het opgroeien en het wassen en toenemen in Hem, het kan alles zeer persoonlijk worden opgevat. Maar we kunnen en we mogen het nimmer losmaken van de kerkelijke kant van de zaak: het kerkelijke leven is een larve, een lege huls, een verdorde bloem, een vergeeld blad geworden, waar deze gemeenschap met Christus ontbreekt. Er zijn reeds te veel boeken verschenen, die iets lieten zien van het lege testament, waaruit duidelijk is geworden, dat alleen daar, waar de waarachtige vroomheid gevonden wordt, het kerkelijke leven iets zegt. Ontbreekt het, dan ligt kerkverlating voor de hand. Zeggen we te veel, wanneer we, nog eens erop wijzen, dat ons die ware vroomheid al te veel ontbreekt: het leven, dat de verborgen omgang met de Here kent.

Zou dit niet een kwaal zijn, die zowel links als rechts, even diep ingekapseld is. Aan de ene kant verborgen onder een lege, dode, uiterlijke orthodoxie, die niet in staat is om iets te vertonen van de glans van het leven met de Here. En aan de andere kant verscholen achter een onlesbare dorst om altijd maar te veranderen, rusteloos te vernieuwen, eveneens, omdat de ware rust van het leven met de Here niet gekend wordt. Zou dit niet de eigenlijke kwaal zijn, waaraan ons kerkelijke leven laboreert: het nieuwe hart, het nieuwe, het andere leven ontbreekt. Er is te weinig sterven en daarom te weinig waarachtig leven. En zou daarom ook niet de oorzaak hier gezocht moeten worden van zoveel onderlinge harde wrijving onder broeders. Dan is er verzet tegen broeders, maar diep in ons hart weten we, dat in dat verzet tegelijk aanwezig is een gebrek aan echte liefde, die uit Christus is, en die terwille van Christus onszelf doet verloochenen. Gebrek aan vroomheid, aan ware geestelijke gezindheid, aan dat gevoelen, dat ook in Christus Jezus was. Indien er enige vertroosting is in Christus, indien er enige troost is der liefde, indien er enige gemeenschap is van de Geest, indien er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn, zo vervult mijn blijdschap dat gij moogt eensgezind zijn.

Maar hoe zullen wij eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, en van één gemoed en van één gevoelen zijnde, wanneer de vertroosting in Christus er niet is; indien de gemeenschap des Geestes ontbreekt; indien er geen enkele innerlijke beweging en ontferming is? Hoe zullen wij de twisting en de ijdele eer kunnen vermijden, wanneer de een de ander niet meer uitnemender weet te achten dan zichzelf?

Gemis aan ware vroomheid: is dit niet hetgeen noodzakelijk gepaard moet gaan met het zien op zichzelf, terwijl wij hetgeen der anderen is, geheel vergeten?

We zullen-ik sluit nu af met een laatste opmerking-kerk moeten zijn door de Schrift en de schriftuurlijke prediking. We zullen de belijdenis moeten kennen en beleven. We zullen van de kerkorde een juist en broederlijk gebruik moeten maken om de kerk op te bouwen in het geloof. Maar we zullen dat alles slechts kunnen doen, wanneer we de ware vroomheid najagen, die een gave is van de Geest van Christus en die ons op een geestelijke wijze met elkaar doet omgaan.

Laat ons het altaar helen dat gebroken is.

Laat ons de twaalf stenen zoeken, die de eenheid van Gods volk symboliseren. En laat ons daar zeggen: herdenk de trouw aan ons voorheen betoond. Dat God zich verborgen houdt, het is verdiend. Maar ook dat wéten we omdat Hij zich geopenbaard heeft. En in die openbaring ligt een belofte, vertolkt door de profeet, gewaarborgd door het goddelijke IK: Ik zal hun afkeringen genezen.

Ik zal hen vrijwillig liefhebben.

Want-ziedaar de vrucht van Golgotha, die de eenheid waarborgt, eenmaal in volle heerlijkheid -, want mijn toorn is van hem afgekeerd. En dan volgt de belofte, rijker en heerlijker dan ooit:

Ik zal Israël zijn als de dauw.

Hij zal bloeien als de lelie.

Hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon.

Laat ons trachten kerk te zijn in eenheid van de Geest onder de kracht van déze éne belofte.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.