+ Meer informatie

Welk mes het diepste snijdt

6 minuten leestijd

2e gedeelte

Ik heb geen behoefte om in hun straatje te komen, maar wel gaat me zeer ter harte de prediking van de Christus in de verbanden, waarin de H. Schrift Hem stelt. En dat versta ik onder de rechte Christusprediking.

Christusprediking brengt daarom voor mij zonder meer mee prediking van de wet Gods, zijn heilige eisen vanuit de schepping (werkverbond), het voorstellen van de daadzonden in het leven en vandaaruit de diepe verlorenheid in onze afval van God in het paradijs, waardoor wij aan de verdoemenis zelf onderworpen zijn. Kortom, nooit kan indringend genoeg onze doodstaat voor God worden voorgesteld; nooit kan genoeg vooral ook de schuld der zonde, waar zij krenking der deugden Gods is, aan de orde worden gesteld. Hoe zou anders het werk van Christus, zijn heerlijkheid als Verzoener en Zaligmaker, zijn onmisbaarheid en noodzakelijkheid kunnen worden gepredikt. Zijn dragen van de vervloeking kan pas tot ons spreken in het licht van de vervloeking, die wij ons hebben waardig gemaakt en de vloek, waaronder de ganse schepping zucht. Indien Christus niet gepredikt wordt tegen deze achtergrond en in deze context, kan nooit duidelijk doorklinken de noodzakelijkheid en onmisbaarheid van zijn kennis in de vereniging met Hem door het levend geloof, in de toepassing van de Heilige Geest. Het gaat er in de openbaring Gods toch om, dat God zijn eer terugkrijgt. De geschonden schepping Gods zal weer worden hersteld tot zelfs groter glorie worden geleid. Het gaat niet om ons, maar om God. Maar dat houdt in, dat ik, ja ik God heb weer te geven in mijn bestaan en ganse zijn, wat ik God ontroofd heb en dagelijks ontroof. Het gaat er om, dat God met mij bevredigd zij en dat ik daarvan kennis omdraag dat mijn zondeschuld verzoend zij en dat God verder zijn eer van mij ontvangt. Daartoe moest Christus komen en daartoe moest Hij aan en in mij verheerlijkt worden.

Maar nooit zal er plaats voor Hem zijn in mijn hart en leven, zo lang ik niet ontdekt word aan mijn zondeschuld vanwege de breuk met God en als ik niet - zelfgenoegzaam schepsel dat ik van nature ben - ontledigd word van mijzelf.

Daarbij houdt de Christusprediking vanzelf ook in, dat Christus zelf in zijn ambtelijke bediening door Woord en Geest plaats maakt voor zichzelf in ons hart en zichzelf verklaart tot kennis van zijn gezegend middelaarswerk. Want van de leegte kan ik niet leven; er moet vervulling komen. Vervulling van hetgeen ik mis en nooit meer kan opbrengen in en door mijzelf. En die vervulling krijgt alleen zijn waarachtig beslag in het levend geloof, in de bloedwarme kennis der gemeenschap met Christus, welke we alleen kunnen ontvangen door daden Gods in de toepassing van de Heilige Geest.

Als nu in de Christusprediking dit alles niet meeklinkt en er niet een ondertoon in vormt, dan moet m.i. deze prediking in gebreke worden gesteld. Onze verschrikkelijke blindheid en gevoelloosheid aangaande onze verhouding tot God als onze Schepper is veel te ernstig dan dat daarover mag worden heengelopen. De hele Christusprediking komt dan - als men dat zou doen - in de lucht te hangen. Nooit kan - zonder het rechte zicht op het werkverbond - het genadeverbond op de juiste wijze in zijn rijkdom worden ontvouwd. Indien deze twee niet grondig worden onderscheiden is men bezig - voordat men het weet en wil - het genadeverbond tot een werkverbond te maken. We hebben wel te bedenken, dat de oproep tot bekering en geloof wel tot ons uitgaat in de bediening van het genadeverbond, maar in haar oorsprong komt vanuit het werkverbond.

Dit laatste te weten brengt consequenties mee voor de prediking. Zij komt op de mens af met de heilige eisen Gods, ook de eisen van bekering en geloof. Je mag niet volstaan met dit zoals prof. v. Ruler deed te karakteriseren als „het fluiten van de prins, opdat de slapende prinses wakker zou worden”. De Geest staat niet maar “gedurig en geduldig te kloppen op de deur van het hart”. Dat ook. Maar tegelijkertijd is Hij ook bezig met de hamer, die verbrijzelt. Want Hij is de Geest des Vaders. De eer Gods gaat Hem ter harte. De Geest wekt niet alleen, maar ontdekt ook aan onze breuk met God krachtens het genadeverbond. Vandaaruit komt allereerst op de eis der bekering.

Daarmee komen m.i. de zaken wel wat anders te liggen. Ik kan me dan ook niet vinden in de woorden van v. Ruler: „Dat bevelen en beloven zijn manieren, waarop de Geest een mensenhart bewerkt. De vraag is niet: mâg ik het mij toeëigenen? Ook niet: durf ik dat wel? De kwestie is: ik moet het, van Godswege, de Here God gebiedt het mij, door de mond van zijn dienaar” (Ultra-geref. en vrijz., Wapenveld febr./mrt. 1971).

Uit het verband van deze opmerking blijkt dat hier gedacht wordt aan de gehoorzaamheid des geloofs, waarmee we het Evangelie hebben te aanvaarden. En dat als oproep van het genadeverbond.

Maar zo wordt nu m.i. juist de weg gebaand tot het kweken van een christendom, dat op eigen benen loopt en dus altijd geloven kan. Eenvoudig omdat de mens niet onder de heilige eisen Gods in zijn verlorenheid en onmacht is voorgesteld (die onmacht ligt in zijn totale zelfverblinding en algehele vijandschap tegen God en zijn Woord, vooral tegen het Evangelie des kruises).

Inderdaad komt de oproep in de bediening van het genadeverbond tot de mens, maar daar ze haar oorsprong vindt in het werkverbond, komt ze allereerst aan tot ontdekking van onze vijandschap en zal ze uiteindelijk juist de strop om de hals van een zondaar worden, die schuldenaar voor God werd. De onmacht tot enig goed wordt de zwaarste schuld.

Dââr wil God indalen met zijn liefelijk Evangelie van enkel genade en gave. Daar zijn oren om te horen, ogen om te zien, handen om te ontvangen, een hart om te kennen en te beminnen. Uit Gods overmacht in Christus door zijn Geest. Ook het geloof is gave uit het genadeverbond.

Voor de prediking betekent dat, dat nooit genoeg de rijkdom en heerlijkheid der genade van de allesvervullende Christus gepredikt kan worden voor de verloren, onmachtige, doemwaardige mens. Want die prediking wordt gezegend, zo zeker als God God is.

Als daarentegen het genadeverbond min of meer in de sfeer van het werkverbond wordt getrokken, wordt een arm verslagen zondaarshart toegeslagen. Verkild en ellendig gaat straks die ziel heen vanwege de arme prediking. En het merkwaardige hierbij is dus, dat voor zo’n mens nu juist die prediking teleurstelt, die als zo’n ruime evangelieverkondiging is bedoeld; dat daarentegen diè prediking voor hem juist balsem voor de wonde der ziel is, welke bij anderen aankomt als hard en eng.

Tot zover Ds. Van Sliedregt. We wilden onze lezers niet onthouden, wat deze Hervormde predikant hier schrijft. We zouden wel willen, dat dit artikel in heel onze kerkelijke pers werd overgenomen.

Het roept tot ernstige bezinning.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.